Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep verontschuldigbare termijnoverschrijding?

Hoge Raad 11 juni 2013, LJN CA2539

Feiten

Op 22 november 2010 werd namens verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 7 oktober 2010. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2011 heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik heb in goed vertrouwen met de griffie van de rechtbank gebeld en uitstel van behandeling gevraagd. Ik heb eerst telefonisch om uitstel gevraagd en bovendien door middel van een brief. Ik heb nog dezelfde dag met de griffie gebeld om te vragen of de brief was ontvangen en dat was het geval. Ik ben toen teruggebeld met de mededeling dat de behandeling zou worden aangehouden. Ik ben van mening dat ik mocht uitgaan van die mededeling van een griffiemedewerker. Aan verdachte en aan mijzelf valt niet te verwijten dat verdachte niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Bovendien zijn de belangen van verdachte erg groot."

Het Hof heeft in de aantekening mondeling arrest het volgende overwogen:

"Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. 

Door en namens verdachte is aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, omdat verdachte en diens raadsman op goede gronden in de veronderstelling verkeerden dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. 

Uit een zich in het dossier bevindende brief van de raadsman aan het arrondissementsparket te Leeuwarden d.d. 15 december 2010 blijkt, dat de raadsman telefonisch om aanhouding heeft verzocht. In antwoord daarop is medegedeeld dat dat verzoek op schrift zou moeten worden gesteld waarna de rechter zou beslissen of de zitting zou worden aangehouden. Als bijlage 4 bij die brief is overgelegd een brief gericht aan de rechtbank Leeuwarden t.a.v. de kantonrechter met een verzoek om aanhouding. De brief is per telefax verzonden. Er zit tevens een verzendcontrole rapport bij, inhoudende dat het bericht is verzonden op 6 oktober 2010 om 15:42 uur. Het telefax-nummer waarnaar het bericht is verzonden is echter niet het faxnummer van de rechtbank, maar van het arrondissementsparket. In aanmerking nemend dat in de brief is opgenomen dat een afschrift naar de officier van justitie werd gezonden is niet aan te nemen dat de ontvangst van de brief bij het parket heeft geleid tot doorzending aan de rechtbank. Gelet op het tijdstip van verzending van het bericht, de verkeerde adressering en de boodschap dat de rechter naar aanleiding van de brief zou beslissen, gaat het hof ervan uit, dat de behandelend kantonrechter niet in kennis gesteld van de brief, nu deze zich niet in het dossier bevindt. Ten aanzien van de inhoud van de telefonische mededeling, waaruit de raadsman heeft afgeleid dat de zaak zou worden aangehouden, is nader onderzoek niet mogelijk, nu de inhoud van die mededeling niet bekend is en niet is na te gaan door wie de mededeling zou zijn gedaan. In de omstandigheden van het geval, mede gelet op het tijdstip waarop de verhindering van de verdachte om ter zitting aanwezig te zijn manifest werd, had het op de weg van verdachte en diens raadsman gelegen om na afloop van de zitting te informeren of aanhouding was verleend. Dat zij erop vertrouwden dat het gevraagde uitstel was verleend, komt voor eigen rekening en risico. Derhalve is de termijn overschrijding niet verontschuldigbaar." 

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 20 mei 2011 verdachte niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat sprake was van een verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voor het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit (vgl. HR 4 mei 2004, LJN AO5706, NJ 2004/462).

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte gesteld dat hij, nadat hij telefonisch en per faxbrief aan de Kantonrechter uitstel had verzocht en bij de griffie had geïnformeerd of de brief was ontvangen, hetgeen het geval was, door een medewerker van de griffie van de Rechtbank is teruggebeld met de mededeling dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. Op grond daarvan is aangevoerd dat de verdachte en de raadsman in de veronderstelling mochten verkeren dat de behandeling van de zaak was aangehouden.

Het Hof heeft geoordeeld dat het in de omstandigheden van het geval op de weg van de verdachte en diens raadsman had gelegen om na afloop van de terechtzitting te informeren of aanhouding was verleend en dat het voor eigen rekening en risico komt dat zij erop vertrouwden dat het gevraagde uitstel was verleend. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de weergave van de inhoud van de mededeling waarop de verdachte zich heeft beroepen, onjuist is. Aan de door het Hof genoemde omstandigheden "dat die mededeling niet bekend is en niet is na te gaan door wie de mededeling zou zijn gedaan", kan die conclusie niet worden verbonden. Dat brengt, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, mee dat de bestreken uitspraak ontoereikend is gemotiveerd. Het middel is gegrond.

Slotsom 

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 80a & 81 RO: Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep

Hoge Raad 11 juni 2013, LJN CA2547

In zijn arrest van 2 april 2013, LJN BZ5960, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een schriftuur die was ingediend voor de in HR 11 september 2012, LJN BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.8 genoemde datum van 1 oktober 2012, overwogen dat in gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering, en dat in dergelijke gevallen zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kan worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.

In de onderhavige zaak, waarin de schriftuur is ingediend na 1 oktober 2012, gaat het om zulke klachten, nu de bestreden uitspraak inhoudt dat zij mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 maart 2009 en het proces-verbaal van die terechtzitting onder meer inhoudt:

"De verdachte antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 

Print Friendly and PDF ^

Salduz en de niet-aangehouden verdachte

Hoge Raad 11 juni 2013, LJN CA2555

Achtergrond

Naar aanleiding van diverse meldingen van stankoverlast, vermoedelijk van een hennepkwekerij, zijn twee verbalisanten op 16 februari 2006 naar een pand gegaan waarna zij na te zijn binnengetreden een in werking zijnde hennepkwekerij hebben aangetroffen. De hennepkwekerij is om 14:00 uur diezelfde dag ontmanteld. De verdachte bleek de huurder te zijn van genoemd pand.

Uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 16 februari 2006 blijkt dat de verdachte op 16 februari 2006 om 15:15 uur op het politiebureau gehoord.

De verdachte is voorafgaand aan dat verhoor niet aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feiten en niet gewezen op zijn consultatierecht.

De verdachte heeft vervolgens tijdens dit verhoor een bekennende verklaring afgelegd.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de verdachte zich op verzoek van de politie heeft gemeld op het politiebureau ruim een uur nadat de politie, na verbreking van het slot van de toegangsdeur van de woning, de woning van de verdachte had doen afsluiten met een nieuw slot.

De verdachte was niet op de hoogte van de reden waarom hij zich op het politiebureau diende te melden. Bij aankomst van de verdachte op het politiebureau was hij door de politie al aangemerkt als verdachte wat betreft het aanwezig hebben van de in de woning aangetroffen hennepkwekerij. Voorafgaand aan het verhoor werd hem ook de cautie gegeven. Nu de politie de verdachte niet op de hoogte had gesteld van de reden waarom hij zich op het politiebureau diende te melden en aanhouding van de verdachte voorafgaand aan het verhoor gegeven de verdenking die bestond zeer wel mogelijk was geweest -en in de gangbare praktijk ook gebruikelijk is- had de politie de verdachte voorafgaand aan het verhoor dienen te wijzen op zijn recht een advocaat te raadplegen.

Nu de verklaring van de verdachte wordt uitgesloten van het bewijs en er na bewijsuitsluiting onvoldoende wettig bewijs is voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt de verdachte daarvan vrijgesproken.

De Advocaat-Generaal bij het Hof mr. C.J.M.G. Strack heeft beroep in cassatie ingesteld en de Advocaat-Generaal bij het Hof mr. M.E. de Meijer heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Door mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, is het cassatieberoep tegengesproken.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet (kunnen) raadplegen van een advocaat door de niet-aangehouden verdachte voorafgaande aan zijn verhoor door de politie een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 dient - kort gezegd - een aangehouden verdachte door de politie voorafgaand aan diens eerste verhoor te worden gewezen op het recht een advocaat te raadplegen, zulks op straffe van uitsluiting van het bewijs van de door de verdachte afgelegde verklaring. In zijn arrest van 9 november 2010, LJN BN7727, NJ 2010/615 heeft de Hoge Raad overwogen dat die regel niet zonder meer geldt als het gaat om een niet-aangehouden verdachte.

In aanmerking genomen dat blijkens 's Hofs vaststellingen de verdachte zich op verzoek van de politie heeft gemeld op het politiebureau en dat hem voor het verhoor de in art. 29, tweede lid, Sv bedoelde mededeling is gedaan dat hij niet tot antwoorden verplicht was, is het kennelijke oordeel van het Hof dat de in voormeld arrest van de Hoge Raad geformuleerde regel ook in het onderhavige geval geldt ofschoon de verdachte niet was aangehouden, onjuist. De omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte was van de reden waarom hij zich op het politiebureau diende te melden noch de omstandigheid dat zijn aanhouding - gelet op de tegen hem gerezen verdenking - "zeer wel mogelijk was geweest", leidt tot een ander oordeel.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: aan de motivering gestelde eisen

Hoge Raad 4 juni 2013, LJN BX8746

Feiten

Bij arrest van 18 februari 2011 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, aan betrokkene de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.091.051,-- aan de Staat te betalen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, "nu passages uit het strafrechtelijk financieel rapport als bewijsmiddel [zijn] gebezigd die wat betreft de inkomsten en uitgaven ten dele slechts de conclusies van de verbalisanten behelzen en niet alle daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden".

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop:

(i) Krachtens art. 51lf Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 51lg, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.

(ii) Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld)financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk voordeel ten grondslag worden gelegd.

In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten.

(iii) Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.

(iv) Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan (vgl. HR 26 maart 2013, LJN BV9087).

De overwegingen van het Hof voldoen aan de bij (iii) en (iv) vermelde eisen. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in die overwegingen is vastgesteld dat door of namens de betrokkene geen verklaring is gegeven voor het negatieve verschil tussen uitgaven en legale inkomsten, zoals in het door het Hof genoemde ambtsedig proces-verbaal berekend over de periode van 1 januari 1998 tot 1 april 2003, in welke vaststelling besloten ligt dat die opstelling van uitgaven en legale inkomsten als zodanig niet - voldoende gemotiveerd - is betwist.

Verder is in die overwegingen een toereikend gemotiveerde beslissing gegeven op de in hoger beroep gevoerde verweren, en met name uiteengezet waarom aannemelijk is dat de in de kasopstelling betrokken uitgaven daadwerkelijk door de betrokkene zijn gedaan.

Daarbij geven de bewijsmiddelen een toereikende aanduiding van de feiten en omstandigheden die het Hof aan zijn oordeel omtrent de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag heeft gelegd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Nu art. 36e lid 7 Sr pas op 1 juli 2011 in werking is getreden had het Hof een gemotiveerde beslissing moeten nemen omtrent het deel van de opbrengst dat daadwerkelijk door de betrokkene is genoten

Hoge Raad 4 juni 2013, LJN BX4604

Feiten

Bij arrest van 22 juni 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam bevestigd waarbij aan betrokkene de plicht is opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.123.000,-- aan de Staat te betalen.

Middel

Het middel bevat de klacht dat de betrokkene ten onrechte "hoofdelijk [is] veroordeeld tot betaling van het bedrag [dat] zij en de mededader als wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten".

Beoordeling Hoge Raad

In de door het Hof bekrachtigde beslissing van de Rechtbank van 18 maart 2009 is bepaald dat het totale door de twee verdachten verkregen wederrechtelijk voordeel door de verdachte moet worden betaald "behoudens voor zover dit reeds door of namens een ander is betaald."

Bij de op 1 juli 2011 in werking getreden Wet van 31 maart 2011, Stb. 171, is aan art. 36e Sr het huidige zevende lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de rechter bij het vaststellen van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd kan bepalen dat deze personen hoofdelijk dan wel voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk zijn voor (nakoming van) de betalingsverplichting.

Voordien kende het Nederlandse recht niet een zodanige bepaling, terwijl in HR 7 december 2004, LJN AQ8491, NJ 2006/63 is beslist dat de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ertoe strekt de betrokkene het voordeel te ontnemen dat hijzelf daadwerkelijk wederrechtelijk heeft verkregen, zodat (naar de toenmalige stand van de wetgeving) onjuist is de opvatting dat de in art. 36e Sr bedoelde betalingsverplichting kan worden opgelegd tot het volledige bedrag dat een betrokkene en zijn mededader tezamen hebben verkregen zonder dat behoeft te worden vastgesteld welk deel daarvan in het vermogen van de betrokkene is gevloeid.

Dat betekent dat het Hof een gemotiveerde beslissing had behoren te nemen omtrent het deel van de opbrengst van de ten laste van de betrokkene en haar mededader bewezenverklaarde feiten dat daadwerkelijk door de betrokkene is genoten. Nu die beslissing ontbreekt, is het opleggen van de betalingsverplichting niet toereikend gemotiveerd.

Het middel treft doel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^