Nadere bewijsmotivering, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, art. 259 lid 2 Sv, Dakdekkerverweer

HR 25 september 2012, LJN BL5563 Feiten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte ter zake van "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" veroordeeld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdachte dat hij geen seksuele bedoelingen heeft gehad, zodat 's Hofs arrest niet naar behoren met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte geen seksuele bedoelingen heeft gehad, hetwelk niet enkel van feitelijke aard is maar ook betwist dat de handeling van verdachte (het betasten van het slachtoffer) onder de delictsbepaling (ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr) valt als in de wet voorzien.

Nu een u.o.s. als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv is gevoerd welke tegelijkertijd een zogenoemd dakdekkerverweer inhoud, dienen bij niet aanvaarding daarvan in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het arrest te worden opgenomen.

Met betrekking tot dergelijke dakdekkerverweren kan betrekkelijk snel voldaan zijn aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijk moet zijn onderbouwd (vgl. HR 8 april 2008, LJN BC5969, NJ 2008, 231).

Het Hof heeft nagelaten nader te motiveren.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, wijst de zaak terug naar het Hof

Conclusie AG

AG Knigge verduidelijkt dat “(i)n de jurisprudentie een dakdekkerverweer wordt aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv, met dien verstande dat de feitenrechter ook voor de inwerkingtreding van het huidige art. 359 lid 2 Sv was gehouden om uitdrukkelijk en gemotiveerd op een dergelijk verweer te beslissen.”

Knigge onderkend het motiveringsgebrek van het Hof, maar stelt de vraag of deze voldoende is om tot cassatie te leiden. Immers, zo stelt Knigge levert het “ontbreken van een expliciete reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (…) geen motiveringsgebrek op als het arrest desondanks voldoende aanknopingspunten bevat die begrijpelijk maken waarom het Hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is afgeweken.”

In casu doet een dergelijke situatie zich, naar oordeel van de AG, niet voor.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

Eigen waarneming van de rechter wettig bewijsmiddel?

HR 25 september 2012,  LJN BX4990 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld.

Middel

Het middel klaagt over het feit dat het Hof een eigen waarneming voor het bewijs heeft gebezigd waarop de verdediging niet heeft kunnen reageren.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is tot de bewezenverklaring gekomen op basis van een viertal bewijsmiddelen en de eigen waarneming van het Hof van camerabeelden waarop deze waarneemt dat de verdachte deelneemt aan het ten laste gelegde feit. De beelden zijn ter terechtzitting in het bijzijn van de verdachte getoond, waarop desgevraagd de verdachte verklaard geen opmerkingen te willen maken omtrent de beelden.

De Hoge Raad verwijst bij de beoordeling allereerst naar de geldende regel bij het gebruik van de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel. Deze dient, als voorgeschreven in art. 340 SV, bij het onderzoek ter terechtzitting te zijn, zodat zowel het OM als de verdachte en diens raadsman de waarneming hebben kunnen doen en zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak hebben kunnen uitlaten (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007/134).

Vervolgens herhaalt de Hoge Raad zijn oordeel dat in zijn algemeenheid niet is vereist dat de rechter zijn eigen, tijdens terechtzitting gedane, waarneming ter sprake brengt, tenzij procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78).

De Hoge Raad oordeelt ten aanzien van onderhavige kwestie dat het Hof geen wezenlijk andere betekenis heeft gegeven aan de videobeelden als getoond en medegedeeld ter terechtzitting. Gezien de door verdachte afgelegde verklaring inhoudende dat hij op de beelden ziet dat hij een schoppende beweging maakt kan de verdediging niet door de overeenkomstige waarneming van het Hof zijn verrast.

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

Hof verzuimd aanvulling van verkorte arrest als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv houdende de bewijsmiddelen

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX4998 Feiten

Het hof heeft verdachte veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn bediening (feit 1) en voor het niet voldoen aan de identificatieplicht (feit 2) tot twee geldboetes, respectievelijk € 200 en € 50.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd het verkorte arrest aan te vullen met de door het Hof met betrekking tot feit 1 gebezigde bewijsmiddelen.

Hoge Raad

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het bestreden arrest, hetwelk niet de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen bevat, doch bevindt zich niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdende de met betrekking tot feit 1 gebezigde bewijsmiddelen.

De raadsman van de verdachte heeft op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 verzocht om toezending van bedoelde aanvulling. Ten vervolge hierop heeft het Gerechtshof aan de Hoge Raad bericht dat zo een aanvulling niet is opgemaakt.

Volgens art. 359, derde en achtste lid, Sv moet een arrest op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het bestreden arrest voldoet wat betreft feit 1 niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.

Het middel is terecht voorgesteld.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ambtshalve cassatie, vordering BP na vernietiging en verwijzing of terugwijzing

Samenvatting De vordering waarmee een benadeelde partij zich op de voet van art. 421 lid 3 Sv in hoger beroep heeft gevoegd, blijft, na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, deel uitmaken van hetgeen in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist, tenzij uit de beslissing van de Hoge Raad het tegendeel voortvloeit. In zoverre verschilt de positie van de benadeelde partij die zich op de in art. 421 lid 3 Sv bedoelde wijze met haar vordering in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van het in dat hoger beroep gewezen arrest en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling niet van de positie van de benadeelde partij wier vordering reeds in eerste aanleg (geheel of gedeeltelijk) is toegewezen en krachtens art. 421 lid 2 Sv van rechtswege voortdurend aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen.

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX4100

Het Hof heeft in het bestreden arrest omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist: "De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.393,18. De benadeelde partij is bij het arrest van het hof van 13 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering niet gehandhaafd, zodat de vordering thans niet meer aan de orde is."

Naar aanleiding hiervan heeft AG Knigge in zijn conclusie de vraag opgeworpen of de op de voet van art. 421, derde lid, Sv gedane voeging door een benadeelde partij in het geding in hoger beroep gehandhaafd blijft na vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing of terugwijzing van de zaak teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Ambtshavle beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat in het geval een cassatieprocedure heeft geleid tot vernietiging van een uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en verwijzing of terugwijzing van de zaak op de voet van art. 440 Sv, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen, tot taak heeft het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit (vgl. HR 4 februari 1997, LJN ZD0632, NJ 1997/308, rov. 5.3).

Dit brengt, nu de wet niet anders bepaalt, mee dat de vordering waarmee een benadeelde partij zich op de voet van art. 421, derde lid, Sv in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, deel blijft uitmaken van hetgeen in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist, tenzij uit de beslissing van de Hoge Raad het tegendeel voortvloeit. In zoverre verschilt de positie van de benadeelde partij die zich op de in art. 421, derde lid, Sv bedoelde wijze met haar vordering in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van het in dat hoger beroep gewezen arrest en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling niet van de positie van de benadeelde partij wier vordering reeds in eerste aanleg (geheel of gedeeltelijk) is toegewezen en krachtens art. 421, tweede lid, Sv van rechtswege voortdurend, aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen.

De benadeelde partij heeft zich op de voet van art. 421, derde lid, Sv met haar vordering in hoger beroep gevoegd. Bij het nadien door de Hoge Raad vernietigde arrest van het Hof van 13 februari 2008 is zij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Uit het hiervoor overwogene volgt dat die vordering na terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling deel uitmaakte van hetgeen het Hof had te beoordelen en te beslissen. 's Hofs oordeel dat de benadeelde partij haar vordering na terugwijzing van de zaak niet heeft gehandhaafd, geeft derhalve blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. De omstandigheid dat de benadeelde partij kennelijk niet heeft geantwoord op de brief van het Ressortsparket van 4 oktober 2010 met het verzoek mee te delen of zij de vordering waarvoor zij zich had gevoegd, wenste te handhaven, doet daaraan niet af.

De bestreden uitspraak kan daarom in zoverre niet in stand blijven.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr, art. 285 Sr (bedreiging) en art. 5 WvW (veroorzaken van gevaar of hinder)

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX5012 Feiten

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 13/410202-09 tweemaal overtreding van art. 285 Sr (bedreiging) tenlastegelegd: (1) bedreiging van slachtoffer 1 door slingerend voor de vrachtwagen van slachtoffer 1 te rijden en slachtoffer 1 bedreigende woorden toe te voegen; en (2) bedreiging van slachtoffer 2 door slingerend voor slachtoffer 2 te rijden en slachtoffer 2 bedreigende woorden toe te voegen.

Verdachte is door de Rechtbank Amsterdam bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 mei 2009 van deze tenlastegelegde feiten vrijgesproken.

Vervolgens is aan de verdachte in de onderhavige zaak met parketnummer 13/706540-09 overtreding van art. 5 WvW tenlastegelegd: verkeersgevaarlijk gedrag, te weten dat hij door slingerend voor slachtoffer 1 te rijden, te stoppen op de snelweg, uit de auto te stappen en het doorgaande verkeer te hinderen gevaar voor personen en goederen heeft veroorzaakt omdat het doorgaande verkeer achter hem door dat gedrag van hem plotseling werd gedwongen te stoppen.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het OM niet ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat art. 68 Sr van toepassing is nu verdachte onherroepelijk is vrijgesproken van hem tenlastegelegde overtredingen van art. 285 Sr.

Het hof heeft dit verweer verworpen: “aan de verdachte ten laste gelegde bedreigingen en het thans aan de verdachte ten laste gelegde verkeersgevaarlijke gedrag kunnen los van elkaar worden begaan en de ratio van beide strafbaarstellingen is geheel verschillend: artikel 285, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht betreft een misdrijf tegen de vrijheid en beschermt een ander belang dan de strafbaarstelling van verkeersgevaarlijk gedrag in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, welke strafbaarstelling strekt tot het bevorderen van de veiligheid op de weg. Aan een en ander doet niet af dat de beide eerder aan de verdachte ten laste gelegde bedreigingen en het thans ten laste gelegde verkeersgedrag zich - grof gezegd - op dezelfde tijd en plaats hebben voorgedaan, als ook dat in de tenlasteleggingen betreffende de bedreigingen verkeersgedragmomenten zijn verwerkt die ook in de onderhavige tenlastelegging zijn opgenomen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van hetzelfde feitelijk gebeuren waarover reeds onherroepelijk in rechte ten gronde is beslist en dat het Hof met de ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zo begrijp ik het middel, art. 68, eerste lid, Sr heeft miskend.

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de overweging uit HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394: Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken:

(A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

In het onderhavige geval is zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde' feit in de zin van art. 68 Sr. Het Hof heeft dus terecht geoordeeld dat geen sprake is van een eerdere vrijspraak van 'dezelfde feiten' in de zin van art. 68 Sr.

Het middel faalt.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^