Eigen waarneming van de rechter wettig bewijsmiddel?

HR 25 september 2012,  LJN BX4990 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld.

Middel

Het middel klaagt over het feit dat het Hof een eigen waarneming voor het bewijs heeft gebezigd waarop de verdediging niet heeft kunnen reageren.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is tot de bewezenverklaring gekomen op basis van een viertal bewijsmiddelen en de eigen waarneming van het Hof van camerabeelden waarop deze waarneemt dat de verdachte deelneemt aan het ten laste gelegde feit. De beelden zijn ter terechtzitting in het bijzijn van de verdachte getoond, waarop desgevraagd de verdachte verklaard geen opmerkingen te willen maken omtrent de beelden.

De Hoge Raad verwijst bij de beoordeling allereerst naar de geldende regel bij het gebruik van de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel. Deze dient, als voorgeschreven in art. 340 SV, bij het onderzoek ter terechtzitting te zijn, zodat zowel het OM als de verdachte en diens raadsman de waarneming hebben kunnen doen en zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak hebben kunnen uitlaten (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007/134).

Vervolgens herhaalt de Hoge Raad zijn oordeel dat in zijn algemeenheid niet is vereist dat de rechter zijn eigen, tijdens terechtzitting gedane, waarneming ter sprake brengt, tenzij procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78).

De Hoge Raad oordeelt ten aanzien van onderhavige kwestie dat het Hof geen wezenlijk andere betekenis heeft gegeven aan de videobeelden als getoond en medegedeeld ter terechtzitting. Gezien de door verdachte afgelegde verklaring inhoudende dat hij op de beelden ziet dat hij een schoppende beweging maakt kan de verdediging niet door de overeenkomstige waarneming van het Hof zijn verrast.

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

Ambtshalve cassatie, vordering BP na vernietiging en verwijzing of terugwijzing

Samenvatting De vordering waarmee een benadeelde partij zich op de voet van art. 421 lid 3 Sv in hoger beroep heeft gevoegd, blijft, na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, deel uitmaken van hetgeen in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist, tenzij uit de beslissing van de Hoge Raad het tegendeel voortvloeit. In zoverre verschilt de positie van de benadeelde partij die zich op de in art. 421 lid 3 Sv bedoelde wijze met haar vordering in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van het in dat hoger beroep gewezen arrest en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling niet van de positie van de benadeelde partij wier vordering reeds in eerste aanleg (geheel of gedeeltelijk) is toegewezen en krachtens art. 421 lid 2 Sv van rechtswege voortdurend aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen.

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX4100

Het Hof heeft in het bestreden arrest omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist: "De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.393,18. De benadeelde partij is bij het arrest van het hof van 13 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering niet gehandhaafd, zodat de vordering thans niet meer aan de orde is."

Naar aanleiding hiervan heeft AG Knigge in zijn conclusie de vraag opgeworpen of de op de voet van art. 421, derde lid, Sv gedane voeging door een benadeelde partij in het geding in hoger beroep gehandhaafd blijft na vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing of terugwijzing van de zaak teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Ambtshavle beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat in het geval een cassatieprocedure heeft geleid tot vernietiging van een uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en verwijzing of terugwijzing van de zaak op de voet van art. 440 Sv, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen, tot taak heeft het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit (vgl. HR 4 februari 1997, LJN ZD0632, NJ 1997/308, rov. 5.3).

Dit brengt, nu de wet niet anders bepaalt, mee dat de vordering waarmee een benadeelde partij zich op de voet van art. 421, derde lid, Sv in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, deel blijft uitmaken van hetgeen in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist, tenzij uit de beslissing van de Hoge Raad het tegendeel voortvloeit. In zoverre verschilt de positie van de benadeelde partij die zich op de in art. 421, derde lid, Sv bedoelde wijze met haar vordering in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van het in dat hoger beroep gewezen arrest en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling niet van de positie van de benadeelde partij wier vordering reeds in eerste aanleg (geheel of gedeeltelijk) is toegewezen en krachtens art. 421, tweede lid, Sv van rechtswege voortdurend, aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen.

De benadeelde partij heeft zich op de voet van art. 421, derde lid, Sv met haar vordering in hoger beroep gevoegd. Bij het nadien door de Hoge Raad vernietigde arrest van het Hof van 13 februari 2008 is zij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Uit het hiervoor overwogene volgt dat die vordering na terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling deel uitmaakte van hetgeen het Hof had te beoordelen en te beslissen. 's Hofs oordeel dat de benadeelde partij haar vordering na terugwijzing van de zaak niet heeft gehandhaafd, geeft derhalve blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. De omstandigheid dat de benadeelde partij kennelijk niet heeft geantwoord op de brief van het Ressortsparket van 4 oktober 2010 met het verzoek mee te delen of zij de vordering waarvoor zij zich had gevoegd, wenste te handhaven, doet daaraan niet af.

De bestreden uitspraak kan daarom in zoverre niet in stand blijven.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr, art. 285 Sr (bedreiging) en art. 5 WvW (veroorzaken van gevaar of hinder)

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX5012 Feiten

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 13/410202-09 tweemaal overtreding van art. 285 Sr (bedreiging) tenlastegelegd: (1) bedreiging van slachtoffer 1 door slingerend voor de vrachtwagen van slachtoffer 1 te rijden en slachtoffer 1 bedreigende woorden toe te voegen; en (2) bedreiging van slachtoffer 2 door slingerend voor slachtoffer 2 te rijden en slachtoffer 2 bedreigende woorden toe te voegen.

Verdachte is door de Rechtbank Amsterdam bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 mei 2009 van deze tenlastegelegde feiten vrijgesproken.

Vervolgens is aan de verdachte in de onderhavige zaak met parketnummer 13/706540-09 overtreding van art. 5 WvW tenlastegelegd: verkeersgevaarlijk gedrag, te weten dat hij door slingerend voor slachtoffer 1 te rijden, te stoppen op de snelweg, uit de auto te stappen en het doorgaande verkeer te hinderen gevaar voor personen en goederen heeft veroorzaakt omdat het doorgaande verkeer achter hem door dat gedrag van hem plotseling werd gedwongen te stoppen.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het OM niet ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat art. 68 Sr van toepassing is nu verdachte onherroepelijk is vrijgesproken van hem tenlastegelegde overtredingen van art. 285 Sr.

Het hof heeft dit verweer verworpen: “aan de verdachte ten laste gelegde bedreigingen en het thans aan de verdachte ten laste gelegde verkeersgevaarlijke gedrag kunnen los van elkaar worden begaan en de ratio van beide strafbaarstellingen is geheel verschillend: artikel 285, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht betreft een misdrijf tegen de vrijheid en beschermt een ander belang dan de strafbaarstelling van verkeersgevaarlijk gedrag in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, welke strafbaarstelling strekt tot het bevorderen van de veiligheid op de weg. Aan een en ander doet niet af dat de beide eerder aan de verdachte ten laste gelegde bedreigingen en het thans ten laste gelegde verkeersgedrag zich - grof gezegd - op dezelfde tijd en plaats hebben voorgedaan, als ook dat in de tenlasteleggingen betreffende de bedreigingen verkeersgedragmomenten zijn verwerkt die ook in de onderhavige tenlastelegging zijn opgenomen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van hetzelfde feitelijk gebeuren waarover reeds onherroepelijk in rechte ten gronde is beslist en dat het Hof met de ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zo begrijp ik het middel, art. 68, eerste lid, Sr heeft miskend.

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de overweging uit HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394: Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken:

(A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

In het onderhavige geval is zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde' feit in de zin van art. 68 Sr. Het Hof heeft dus terecht geoordeeld dat geen sprake is van een eerdere vrijspraak van 'dezelfde feiten' in de zin van art. 68 Sr.

Het middel faalt.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Cassatie in het belang der wet over de toepassing art. 14fa Sr, voorlopige tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf

Hoge Raad 25 september 2012, LJN BX5063 Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een "beschikking vordering voorlopige tenuitvoerlegging", gegeven door de rechter-commissaris in de Rechtbank te Arnhem van 20 april 2012, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf en waarbij de onmiddellijke invrijheidstelling van de veroordeelde is gelast.

De Rechter-Commissaris heeft dienaangaande het volgende overwogen: "De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 21 december 2011 onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden met een proeftijd van twee jaren. Hierbij zijn veroordeelde bijzondere voorwaarden opgelegd. Deze proeftijd is ingegaan op 05 januari 2012 en zal eindigen op 04 januari 2014. De officier van justitie vordert de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf omdat hij van mening is dat veroordeelde de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Ter onderbouwing daarvan heeft de officier van justitie een rapport "Advies tenuitvoerlegging" d.d. 18 april 2012 opgesteld door Reclassering Nederland, overgelegd. De rechter-commissaris heeft op 20 april 2012 veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord. De raadsman heeft onder meer gepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De raadsman heeft hierbij opgemerkt dat artikel 14fa Sr het karakter van een straf heeft en dat om die reden artikel 1 Sr van toepassing is. Onder verwijzing van en overlegging van een aantal uitspraken, in bijzonder de uitspraak van de rechter-commissaris te Maastricht van 20 april 2012, heeft de officier van justitie opgemerkt dat er bij het toepassen van artikel 14fa geen verandering wordt aangebracht in het karakter van de aan veroordeelde opgelegde straf. De rechter-commissaris overweegt verder als volgt. Met inwerkingtreding per 1 april 2012 geeft artikel 14fa de rechter-commissaris de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf voorlopig ten uitvoer te leggen. De rechter-commissaris stelt vast dat op het moment dat hij deze beslissing zou nemen nog niet vaststaat dat de voorwaardelijke veroordeling ten uitvoer wordt gelegd. Dat is immers voorbehouden aan de rechtbank op grond van artikel 14g. De rechter-commissaris is van oordeel dat bij een eventuele voorlopige tenuitvoerlegging het karakter van de opgelegde straf verandert. Immers, de voorwaardelijke veroordeling verwordt, voor de duur van maximaal 30 dagen, van een voorwaardelijke tot een onvoorwaardelijke straf. De rechter-commissaris merkt hierbij op dat artikel 14g Sr de rechter een aantal alternatieven biedt voor de tenuitvoerlegging en dat artikel 14g niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 14fa. Voorts neemt de rechter-commissaris hierbij in acht de plaats van artikel 14fa in het Wetboek van Strafrecht, te weten Eerste boek, Titel II met als opschrift "Straffen". Gelet op het vorenstaande is de rechter-commissaris van oordeel dat veroordeelde bij inwerkingtreding in een andere en in een minder gunstige positie is gekomen. Alles overwegende oordeelt de rechter-commissaris dat artikel 14fa Sr in dit geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het legaliteitsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in artikel 1 Sr of artikel 7 EVRM. De rechter-commissaris zal op grond van het vorenstaande de officier van justitie in zijn vordering niet ontvankelijk verklaren."

Het cassatieberoep

Het middel klaagt dat de Rechter-Commissaris ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 14fa Sr buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het legaliteitsbeginsel vervat in art. 1 Sr en art. 7 EVRM.

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Advocaat-Generaal Knigge strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen.

Hoge Raad

Art. 14fa Sr is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze wet is in werking getreden op 1 april 2012 (Stb. 2011, 615). De in art. 14fa Sr vervatte regeling voorziet in de mogelijkheid van een voorlopige tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

De in art. 14fa Sr vervatte regeling heeft betrekking op de executie van een opgelegde straf. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat toepassing van art. 14fa Sr als zodanig geen wijziging brengt in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf, kan niet worden gezegd dat een onmiddellijke toepassing van deze bepaling in strijd is met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in art. 1 Sr en in art. 7 EVRM.

Het oordeel van de Rechter-Commissaris dat een onmiddellijke toepassing van art. 14fa Sr in strijd is met het legaliteitsbeginsel, zoals vervat in art. 1 Sr en art. 7 EVRM, is dus onjuist. Het middel klaagt daarover terecht.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Schriftuur houdende grieven. In hoger beroep kunnen in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek worden betrokken. Het OM kan enkel om die reden in hoger beroep gaan.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4693 Het Gerechtshof Arnhem heeft bij arrest het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur appel heeft ingesteld, niet omdat de rechtbank op basis van de tenlastelegging onjuist zou hebben geoordeeld, maar omdat het openbaar ministerie een eigen fout wil herstellen. Hiermee is niet voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof oordeelt als volgt. De door de officier van justitie ingediende appelschriftuur bevat naar het oordeel van het hof geen stellige en duidelijke klacht waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de rechtbank worden opgegeven. Er is derhalve geen sprake van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts heeft het openbaar ministerie ook niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

De Advocaat-Generaal bij het Hof Arnhem heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv op een onjuiste rechtsopvatting berust en dat het Hof het OM derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt meebrengt dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken (vgl. HR 1 april 1997, NJ 1998/287).

Het voorgaande brengt mee dat het aan het Openbaar Ministerie vrijstaat enkel om die reden in hoger beroep te gaan. Daaruit vloeit voort dat het OM in een dergelijk geval in zijn appelschriftuur reeds kan aanduiden dat het, ten einde een nieuwe beoordeling te verkrijgen op basis van een gewijzigde tenlastelegging, in hoger beroep is gekomen. Een dergelijke schriftuur kan als een "schriftuur, houdende grieven" in de zin van art. 410 Sv worden aangemerkt.

Het oordeel van het Hof dat de onderhavige schriftuur niet als zodanig kan worden aangemerkt, berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Het middel is terecht voorgesteld.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^