Onderzoek in smartphone

Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:579 De raadsman heeft aangevoerd dat de in de smartphone aangetroffen gegevens, in het bijzonder de WhatsApp-gesprekken, van het bewijs dienen te worden uitgesloten op de grond dat het onderzoek in de smartphone van de verdachte onrechtmatig is geschied.

De raadsman heeft daartoe gesteld dat het onderzoek aan de smartphone, gezien de vele persoonlijke informatie die daarin is opgeslagen, een inbreuk oplevert op het recht op privéleven van de verdachte, zoals beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De algemene wettelijke bevoegdheid tot doorzoeking zoals neergelegd in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kan heden ten dage niet meer worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat voldoende kenbaar en voorzienbaar is bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Om die reden is de inbreuk op dit gegarandeerde recht niet (meer) voorzien bij wet (in accordance with law). Dit brengt mee dat het onderzoek onrechtmatig is, zodat het resultaat ervan van het bewijs dient te worden uitgesloten. Bij gebreke van voldoende overig bewijs, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. De raadsman heeft gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 waarin door dat hof in een vergelijkbaar geval aldus is beslist (ECLI:NL:GHARL:2015:2954).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 94 Sv, gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, wel een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone. Van enig vormverzuim is derhalve geen sprake.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De smartphone van de verdachte werd na zijn aanhouding op 8 maart 2014 in de door hem bestuurde auto aangetroffen en in beslag genomen. Vervolgens heeft de politie de inhoud van deze smartphone onderzocht.

De raadsman heeft met juistheid gesteld dat de inbeslagname van, en het onderzoek aan de in de smartphone opgeslagen gegevens een inbreuk vormen op de door artikel 8 EVRM gewaarborgde bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voorts stelt het hof met de raadsman vast dat aard en omvang van de in een smartphone opgeslagen gegevens met zich brengen dat bij een onderzoek van een dergelijke telefoon de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer groter is althans kan zijn dan bij een onderzoek aan een klassieke mobiele telefoon. Ter beantwoording ligt voor de vraag of deze inbreuk ook in het geval van onderzoek aan een smartphone gerechtvaardigd is.

Het eerste lid van artikel 8 EVRM houdt in dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, in die zin dat de staat zich dient te onthouden van inmenging in dat privéleven. Het tweede lid van deze bepaling maakt echter een beperking van dat recht mogelijk, mits deze beperking bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is.

Bij de toetsing of aan de voorwaarden voor deze beperking is voldaan, hanteert het EHRM de volgende criteria: 1. bestaat daarvoor een wettelijke basis; 2. dient de beperking een legitiem doel en 3. is de beperking noodzakelijk in de democratische rechtsstaat?

Artikel 94 Sv regelt onder meer dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Aan inbeslaggenomen voorwerpen mag volgens vaste rechtspraak onderzoek worden gedaan teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers of in smartphones opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd, in die zin dat noch de daarop betrekking hebbende bepalingen noch het systeem van het Wetboek van Strafvordering daartoe een beletsel vormen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de wettelijke basis voor het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevens welke zijn opgeslagen in een smartphone gelegen is in artikel 94 Sv voornoemd. Het hof begrijpt de raadsman aldus dat hij heeft beoogd te betogen dat deze wettelijke basis toereikende voorzienbaarheid ontbeert. In dat standpunt kan het hof de raadsman niet volgen. Daartoe verwijst het hof allereerst naar de vaste rechtspraak van de Hoge Raad die onder meer inhoudt dat de ook aan opsporingsambtenaren toekomende bevoegdheid tot inbeslagneming tevens de bevoegdheid tot onderzoek aan het in beslag genomen voorwerp inhoudt. Voorwerpen, zowel van digitale als niet-digitale aard, die veel persoonlijke informatie kunnen bevatten, zijn daarvan niet uitgezonderd.

Het hof wijst er in dit verband op dat ook de wetgever dit nog steeds als wettelijk uitgangspunt hanteert. Bij de invoering van de Wet bevoegdheid vorderen gegevens is in de memorie van toelichting overwogen dat van inbeslagnemingsbepalingen gebruik mag worden gemaakt ter verkrijging van gegevens, indien de gehele gegevensdrager wordt verkregen. In gevallen waarin het uitsluitend om gegevens gaat werd bij die gelegenheid een lacune in de regelgeving vastgesteld. Hierin werd voorzien door voornoemde wet die op 1 januari 2006 in werking is getreden. Daarbij werd een afzonderlijke regeling geboden voor onder meer de doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens (artikel 125i Sv) en de zogeheten netwerkzoeking (artikel 125j Sv).

Indien en voor zover de raadsman ook heeft willen betogen dat het uitgevoerde onderzoek in de zaak van de verdachte geen legitiem doel heeft gediend, overweegt het hof dat ten tijde van de aanhouding van de verdachte en de inbeslagneming van zijn telefoon sprake was van verdenking van diverse ernstige misdrijven. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte legitimiteit ontbeerde.

Het hof ziet aanleiding om, in het kader van de volgens Straatsburgse rechtspraak aan te leggen, maar door de raadsman in casu niet verzochte, toets van de noodzakelijkheid in een democratische rechtsstaat, het volgende te overwegen. Het EHRM acht het blijkens zijn jurisprudentie van groot belang dat nationale staten voorzien in adequate en effectieve waarborgen tegen misbruik van bevoegdheden, leidend tot disproportionele inbreuken op de privacy van de verdachte. Daarbij acht het EHRM, in ieder geval in zaken waarin gegevens worden verkregen bij een doorzoeking in een woning of een bedrijfsruimte, een voorafgaande rechterlijke toetsing de optimale waarborg tegen dergelijk misbruik. Het EHRM heeft echter aanvaard dat toetsing achteraf compensatie kan bieden voor de afwezigheid van toetsing vooraf, mits bij deze toetsing wordt gerespondeerd op bezwaren van de verdachte met betrekking tot schending van zijn privéleven en mits bij die toetsing onderscheid wordt gemaakt tussen voor het onderzoek relevante, en daarvoor niet-relevante gegevens.

Het hof is van oordeel dat de nationale procedure, hoewel deze niet voorziet in een aan de inbeslagneming en het onderzoek aan de inbeslaggenomen goederen voorafgaande machtiging, voldoende mogelijkheden biedt om op te komen tegen vormen van disproportionele uitoefening van bevoegdheden die kunnen resulteren in schendingen van artikel 8, eerste lid, EVRM. De verdachte kan immers bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak ten overstaan van de zittingsrechter zijn bezwaren formuleren en doen beoordelen. In dit verband verdient overigens nog opmerking dat de rechterlijke vaststelling van een schending van artikel 8 EVRM nog geenszins een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, impliceert. Pas in het laatstgenoemde geval zal de rechter in de regel toepassing van de sanctie van bewijsuitsluiting dienen te overwegen.

In het licht van de toepasselijke rechtspraak van het EHRM acht het hof het tot slot van belang dat in het onderhavige geval geen sprake was van een doorzoeking - waarvoor in beginsel een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist - maar van inbeslagname van voorwerpen die de verdachte tijdens zijn aanhouding met zich voerde. Voorts is gesteld noch gebleken dat het onderzoek aan de smartphone zich heeft uitgestrekt tot andere gegevens dan die welke relevant waren voor de feiten waarvoor de verdachte was aangehouden.

Het hof verwerpt het verweer.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tweemaal bezit vervalst reisdocument, verwerping AVAS-verweer

Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:533 De verdachte is tweemaal in het bezit geweest van een vervalst paspoort op naam van zijn dochter waarmee hij zich bij officiële instanties heeft gemeld om dit kind in te schrijven. 

De raadsman heeft betoogd dat de Iraakse ambassade de verdachte heeft geadviseerd iemand in Irak een volmacht te geven om aldaar een paspoort voor zijn dochter aan te vragen, nu dit aanmerkelijk sneller zou gaan dan via de ambassade. De verdachte heeft enkel deze raad opgevolgd en heeft niet hoeven te vermoeden dat hem door de door hem ingeschakelde kennis tot tweemaal toe een vervalst paspoort werd toegestuurd. Dat is niet anders doordat de verdachte in dit verband een aanzienlijk bedrag aan die kennis heeft betaald; het aanvragen van een paspoort in Irak is duur, een deel van bedoeld bedrag bestaat uit (reis)kosten van die kennis en vanwege de corruptheid van het systeem in Irak moet voor het binnen een redelijke termijn verkrijgen van een paspoort een bedrag ‘onder de tafel’ worden gegeven.

Voor zover de raadsman met dit verweer heeft willen betogen dat de verdachte niet redelijkerwijs moest vermoeden dat hij de beschikking had over een vervalst paspoort verwerpt het hof het verweer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Allereerst merkt het hof op dat de stelling van de verdachte dat hem door de Iraakse ambassade is geadviseerd genoemde weg te bewandelen, geen steun vindt in het dossier. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat een paspoort door de (ouders van) de toekomstige houder zelf bij de bevoegde autoriteiten dient te worden aangevraagd en afgehaald. Door desalniettemin daarvoor een kennis in te schakelen, zonder later expliciet bij bijvoorbeeld de Iraakse ambassade het paspoort op echtheid te laten controleren, heeft de verdachte minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat het paspoort was vervalst. Dit geldt in nog sterkere mate ten aanzien van het tweede door de verdachte aangevraagde paspoort: hoewel hem op 6 januari 2011 te kennen was gegeven dat hij over een vervalst paspoort van zijn dochter beschikte, heeft hij daarna op dezelfde, hiervoor beschreven, wijze nogmaals een paspoort voor zijn dochter aangevraagd.

Bewezenverklaring

medeplegen van in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vervalst is.

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vervalst is.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak oplichting. Betoog “strijdig met beginselen die ik niet eens hoef te noemen” slaagt niet “om redenen die geen toelichting behoeven”

Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:662 Aan verdachte is onder feit 1 en 2 oplichting ten laste gelegd. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in OWWV, want door al gesloten civiele vaststellingsovereenkomst geen belang meer

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5602

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 21 juni 2013 onder parketnummer 20-000868-12 veroordeeld tot straf terzake dat hij:
  • Feit 1: op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 januari 2011 in de uitoefening van een bedrijf een grote hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld; en
  • Feit 2: op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 januari 2011 een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.
Vaststellingsovereenkomst
Nadat de rechtbank de bestreden ontnemingsbeslissing had gewezen, zijn de verdediging en het openbaar ministerie met elkaar in overleg getreden omtrent de vraag of in het kader van de ontnemingszaak in hoger beroep tot overeenstemming zou kunnen worden gekomen terzake de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en meer in het bijzonder het in verband daarmee door veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag.
Dit overleg heeft ertoe geleid dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen, waarvan de kern door de navolgende bepalingen wordt gevormd:

“I. Voorstel

Partijen kunnen zich verenigen met:

1. een door het Gerechtshof vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel door [veroordeelde] op een bedrag van € 864.580,- (zegge: achthonderdvierenzestigduizendvijfhonderdtachtig euro)

2. waarbij in afwijking van het vonnis van de rechtbank Breda het te betalen ontnemingsbedrag – ná voldoening door [veroordeelde] aan alle hierna onder II. genoemde voorwaarden - wordt vastgesteld op nihil.

En vragen het Gerechtshof om dienovereenkomstig arrest te wijzen, zulks op het moment dat [veroordeelde] aan alle voorwaarden heeft voldaan.
II. Voorwaarden
Partijen verzoeken Uw Gerechtshof om het te betalen bedrag aan de Staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vast te stellen op nihil, nadat [veroordeelde] aan alle navolgende voorwaarden heeft voldaan:
A: Afstand van conservatoir beslagen voorwerpen
B: Afstand en levering van percelen landbouwgrond
C. Overboeking saldo bankrekening.’

Op 15 maart 2015 hebben de advocaat-generaal en de verdediging het hof schriftelijk bericht dat veroordeelde volledig heeft voldaan aan de in voormelde overeenkomst opgenomen voorwaarden en dat veroordeelde heeft meegewerkt aan de afdracht van het door hem verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Standpunten advocaat-generaal en verdediging

Het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging verschillen met betrekking tot de vraag tot welke einduitspraak van het hof de vaststellingsovereenkomst en de voldoening daaraan door de veroordeelde zouden moeten leiden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank waarin een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd. In het door het hof op het bestaande hoger beroep te wijzen arrest zou dan moeten worden vastgesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 864.580,-.

De voldoening aan de voorwaarden van de overeenkomst zou dan volgens de advocaat-generaal het gevolg hebben dat het voordeel door veroordeelde is afgestaan aan de Staat, zodat er geen ruimte meer is voor oplegging van een betalingsverplichting. Deze zou dan door het hof op nihil dienen te worden bepaald.

De advocaat-generaal heeft voor dit gevolg ook verwezen naar de tekst van de vaststellingsovereenkomst.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaststellingsovereenkomst primair tot gevolg heeft dat, nu veroordeelde heeft voldaan aan de ontnemingsvordering, het openbaar ministerie daarbij in rechte geen belang meer heeft en daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 511c Sv voorziet in de mogelijkheid van het treffen van een schikking in ontnemingszaken. Bedoeld artikel luidt, voor zover hier van belang:

“De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de staat (…)”.

In artikel 511g Sv, dat handelt over het hoger beroep in ontnemingszaken, is artikel 511c niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Kort gezegd komen vorenstaande wetsartikelen er op neer, dat de mogelijkheid een schikking aan te gaan bestaat tot het moment waarop het onderzoek ter zitting in eerste aanleg is gesloten.

De vraag waarvoor het hof zich nu gesteld ziet is hoe de in hoger beroep tot stand gekomen civielrechtelijke vaststellingsovereenkomst tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde zich verhoudt tot het bepaalde in voormelde wetsartikelen en tot welke einduitspraak van het hof dit zou moeten leiden.

Het hof is van oordeel dat door voormelde civiele vaststellingsovereenkomst aan het openbaar ministerie het belang is komen te ontvallen om in het strafproces nog een ontnemingsvordering aanhangig te maken. Door het aangaan van deze vaststellingsovereenkomst en de voldoening daaraan door veroordeelde, heeft het openbaar ministerie immers een geldbedrag ontvangen, waarvan het meent dat dit het voordeel is dat veroordeelde heeft genoten en dat van veroordeelde dient te worden afgenomen.

Gelet daarop zal het hof – onder vernietiging van de beslissing van de rechtbank – het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat partijen feitelijk de strafrechter verzoeken een vaststellingsovereenkomst in civielrechtelijke zin op te nemen in een strafarrest en daarmee het hof feitelijk verzoeken een declaratoir arrest te wijzen.

Een dergelijke declaratoire uitspraak – waartoe het burgerlijk procesrecht de mogelijkheid biedt – is in het strafrecht niet goed denkbaar, gelet op de omstandigheid dat de strafrechter, zoals in dit geval in een ontnemingszaak, zelfstandig op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen het geschatte wederrechtelijk voordeel dient vast te stellen.

Gelet op het vorenstaande wordt het standpunt van het openbaar ministerie verworpen.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Artikel 12 Sv klachtzaak tegen curator afgewezen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:618 Namens klaagsters werd op 2 maart 2015 aangifte gedaan van lokaalvredebreuk en diefstal, beweerdelijk jegens hen gepleegd door beklaagde.

Bij brief van 8 mei 2015 is door de hoofdofficier van justitie aan de toenmalige advocaat van klaagsters bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er geen strafbaar feit vastgesteld kan worden.

Hierop heeft de toenmalige advocaat van klaagsters bij schrijven van 6 augustus 2015 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 7 augustus 2015, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 23 oktober 2015 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 1 december 2015 is het klaagschrift in raadkamer van het hof pro forma aan de orde gesteld.

Op 12 januari 2016 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van de advocaat van klaagsters. Klaagster 2 is niet verschenen. Het klaagschrift is vanwege het samenhangende feitencomplex gelijktijdig behandeld met het klaagschrift bekend onder klachtnummer, dat zich eveneens richt tegen beklaagde.

De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

Klaagsters hebben het volgende gesteld.

Beklaagde is op 18 februari 2015 binnengetreden in het kantoorpand van klaagster 1 nadat hij op 17 februari 2015 tot curator werd benoemd van onderneming 1, één van de vennootschappen van een derde. Beklaagde was daarvoor al als curator van enkele andere vennootschappen behorende tot een derde benoemd.

Klaagster 1 beschikte over de administratie van deze vennootschap en over die van andere vennootschappen van een derde. De administratie, waaronder ook die van derden, werd door beklaagde meegenomen. Eveneens werd de alarmcode van het kantoorpand door beklaagde gewijzigd en werden de sloten van het kantoorpand vervangen.

Namens klaagsters wordt beklaagde verweten dat hij zich als curator schuldig heeft gemaakt aan het zonder rechtvaardiging binnentreden van het kantoorpand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen van goederen die toebehoren aan een ander.

Beklaagde heeft bij schrijven van 3 april 2015 een verklaring opgesteld naar aanleiding van aan hem (q.q.) door de politie op schrift gestelde vragen. In dat schrijven zet beklaagde uiteen waarom de Faillissementswet hem als curator wel de bevoegdheden gaf om te handelen zoals hij heeft gedaan, onder verwijzing naar enkele civielrechtelijke uitspraken met betrekking tot het faillissement van een derde.

In het klaagschrift is namens klaagsters middels uiteenzetting van diverse bepalingen uit de Faillissementswet toegelicht waarom naar de mening van de toenmalige advocaat van klaagsters sprake is van een of meer door beklaagde q.q. gepleegde strafbare feiten.

In raadkamer van het hof heeft de huidige advocaat van klaagsters de inhoud van voormeld klaagschrift onderschreven en verwezen naar de inhoud daarvan. De advocaat heeft het hof primair verzocht het beklag gegrond te verklaren en subsidiair verzocht prejudiciële vragen in de zin van artikel 392 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de Hoge Raad te stellen, en heeft daartoe een pleitnota overgelegd.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat ter beoordeling van de klachtkamer slechts de vraag staat of het redelijkerwijs te verwachten valt dat de strafrechter vanwege het feit c.q. de feiten waarop het beklag ziet op basis van de voorhanden stukken, of door middel van noodzakelijk geacht nader onderzoek, tot een veroordeling van beklaagde ter zake van enig strafrechtelijk verwijtbaar handelen zal kunnen komen.

Tussen de stukken bevindt zich het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 13 februari 2015. Aan dat vonnis ontleent het hof het volgende. Beklaagde werd op 24 april 2014 tot curator benoemd in de faillissementen van een aantal tot een derde behorende vennootschappen. Sinds het faillissement van zowel een derde, als een derde zijn vervolgens diverse civiele procedures gevoerd. Aan de vonnissen in kort geding van 20 oktober 2014 en 3 november 2014 valt te ontlenen dat een derde aan de curatoren onbeperkte en ongeclausuleerde toegang en inzage moeten verlenen in de administratie van curandi en de administratie van de (daarmee verweven) derde ten behoeve van hun wettelijke taak ter zake van het beheer en de vereffening van de boedels van de curandi.

Kort samengevat volgt uit voormeld vonnis van 13 februari 2015 eveneens dat klaagster 1 de administratie van de derde verzorgde.

Het hof overweegt dat, gelet op alle stukken van het dossier - waaronder de schriftelijke verklaring van beklaagde - en gelet ook op de overwegingen van de civiele rechter van 13 februari 2015 met betrekking tot de duiding van de taak van de curator in het kader van de Faillissementswet, van enige aanwijzing van een of meer door beklaagde gepleegde strafbare feiten, niet is gebleken.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen. Reeds daarom is het naar het oordeel van het hof niet nodig om aan de Hoge Raad rechtsvragen te stellen, zoals daarom subsidiair namens klaagsters werd verzocht.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook

 

Print Friendly and PDF ^