Lobbyen in het Verenigd Koninkrijk nog veelal ongereguleerd

Niet alleen in Nederland maar ook in het Verenigd Koninkrijk (VK) vindt bij lobbyen weinig transparantie plaats. Dat blijkt uit het rapport ‘Accountable Influence: Bringing Lobbying out of the Shadows’ dat deze maand werd uitgebracht door Transparency International UK. In de Global Corruption Barometer van 2013 bleek al dat inwoners van het VK niet optimistisch gestemd zijn over de transparantie van de overheid: 59% gaf aan te denken dat de overheid beïnvloed wordt door grote private belangen. Lobbyen vormt hier een belangrijk onderdeel van. Helaas biedt het huidige lobbyregister in het VK geen transparantie. Ook het vertrouwen van inwoners van het VK in de politiek en politieke partijen is niet groot, zo blijkt verder uit de Global Corruption Barometer van 2013: 67% van de burgers gaf aan dat ze politieke partijen corrupt of zelfs extreem corrupt vinden en 55% zou het parlement met dezelfde woorden omschrijven. Het lobbycircuit en verschillende schandalen met lobbyisten dragen hier zeker aan bij. In 2010 stelde David Cameron al dat lobbyen “the next big scandal waiting to happen” was.

Eerder in 2015 werd het lobbyregister geïntroduceerd in het VK. Hierin staat vrij algemene informatie over een deel van de lobbyactiviteiten die plaatsvinden. Wat echter ontbreekt is hoeveel er wordt uitgegeven aan lobbyen, welk beleid belobbyd wordt, en of een lobbyist voorheen voor de overheid of betrokken organisatie heeft gewerkt. Zonder deze informatie is er weinig zinvols te zeggen over de lobbyactiviteiten. De informatie die wel openbaar gemaakt wordt, wordt vaak pas een jaar na de meeting gepubliceerd en bevat weinig informatie over de inhoud van de meeting zelf.

Bevindingen onderzoek TI-UK

Uit het onderzoek kwam naar voren dat slechts 4% van de lobbyisten onder het nieuwe lobbyregister valt. Dit laat de ineffectiviteit van het lobbyregister goed zien. Verder waren 8 van de 10 vaakst bezoekende lobbyisten in dienst van een bedrijf uit de Financial Times Stock Exchange Index (FTSE 100). In totaal bleek 49% van de lobbyisten in dienst van een bedrijf; de non-gouvernementele sector was daarna de grootste met 20%. Onder de bedrijven die het vaakst invloed probeerden uit te oefenen waren oliebedrijven Shell en BP, banken Barclays en HSBC, vliegtuigbouwer BAE Systems en telecommunicatiebedrijf BT Group.

Wat betreft wetgeving is het in het VK per deelgebied anders geregeld. Zo is het in de House of Lords, Scotland & Wales verboden om betalingen te ontvangen voor ‘parlementaire adviserende services’, terwijl dit in de House of Commons nog geaccepteerd wordt ondanks mogelijke belangenverstrengeling. Adviserende diensten zijn daardoor nog steeds een grote bron van inkomsten: in 2014-2015 ontvingen 73 parlementsleden gezamenlijk £3,4 miljoen voor een adviserende rol. Ook de zogenaamde ‘draaideur’, waarbij ambtenaren hun publieke functie verlaten en de kennis en netwerken die zij daar hebben opgedaan gebruiken in een private functie, is slecht gereguleerd en blijft een zorgenkind. Een overkoepelend probleem hierbij is dat veel wetten, gedragsregels en rapportageplichten verschillen per functie. Hierdoor is het vaak lastig om zicht te houden op wat wel en niet mag en waar de regelgeving tekort schiet.

Aanbevelingen

Op basis van het onderzoek kwam Transparency International UK met de volgende drie overkoepelende aanbevelingen:

  1. Lobbytransparantie: om lobbymisbruik tegen te gaan en te detecteren adviseert TI-UK dat alle statutaire registers voor lobbyisten zowel in-house als consultant lobbyisten moeten omvatten en meer informatie moeten bevatten die kan helpen bij het onderzoeken van de omvang en aard van de activiteiten van lobbyisten.
  2. Data publiceren: wanneer informatie gepubliceerd wordt over lobbymeetings, de financiële belangen van ambtenaren of hun werkzaamheden na het verlaten van de publieke sector, moet deze: a. Nauwkeurig zijn: zo precies en compleet mogelijk; b. Toegankelijk zijn: op redelijke termijn gepubliceerd in een makkelijk leesbaar format; c. Begrijpelijk zijn: met duidelijke en consistente datastructuren die makkelijk geanalyseerd kunnen worden; d. Betekenisvol zijn: met voldoende relevante informatie om de burger inzicht te geven.
  3. Handhaving: er moet een onafhankelijk orgaan komen wat verantwoordelijk is voor de controle op de naleving van de regels. Waar mogelijk zal dit orgaan naleving afdwingen via advies. Toch moet het ook de middelen hebben om vermeende schendingen te onderzoeken en moeten grove schendingen kunnen leiden tot vervolging.

Het rapport beschrijft verder specifieke stappen die kunnen worden genomen op het gebied van wetgeving van de verschillende deelgebieden van het Verenigd Koninkrijk.

Bron: Transparency International

 

Print Friendly and PDF ^

OECD launches report on greater co-operation and information sharing between government agencies to counter financial crimes

Vast amounts are lost to illicit financial flows, including tax evasion, money laundering, bribery and corruption. These crimes threaten the strategic, political and economic interests of both developed and developing countries. In a world of limited resources and increasing complexity, it is essential for government authorities to work closely together in a “whole of government” approach to best address these challenges. Improving Co-operation between Tax and Anti-Money Laundering Authorities: Access by tax administrations to information held by financial intelligence units for criminal and civil purposes highlights the need for governments to maximise their effectiveness in tackling financial crimes and ensuring tax compliance and shows the benefits of greater co-operation between Financial Intelligence Units (FIUs) and tax administrations. It recommends that, subject to the necessary safeguards, tax administrations should have the fullest possible access to the Suspicious Transaction Reports received by the FIU in their jurisdiction.

This report was released at the Fourth OECD Forum on Tax and Crime in Amsterdam, an event which brought together over 200 senior officials and specialists from over 70 countries and international organisations, who collectively share responsibility for combating financial crime and terrorist financing in all its forms. Strengthening the links between criminal tax investigations and the fight against illicit financial flows such as tax evasion, bribery and corruption, money laundering, terrorist financing was a key topic of the agenda. Participants also stressed the need for capacity building to help developing countries to better fight financial crimes as part domestic resource mobilisation.  Discussions on the dark web and the use of analytics to detect and deter financial crimes illustrated the importance of technology as both a risk and part of the solution to tax crimes and other crimes with further work forthcoming.

Bron: OECD

 

Print Friendly and PDF ^

UN Guide for National Anticorruption Strategies

The United Nations Office of Drugs and Crime recently published National Anti-Corruption Strategies: A Practical Guide for Development and Implementation, designed to assist countries considering the drafting (or revision) of a “National Anticorruption Strategy” document as part of an effort to comply with their obligations under the UN Convention Against Corruption (UNCAC). Although the Guide will be formally presented/unveiled at the upcoming UNCAC Conference of States Parties meeting in St. Petersburg, the online version is already available.

 

Print Friendly and PDF ^

'De vage grenzen van het misdrijf corruptie: Overpeinzingen bij een fles wijn'

Soms krijgt een universitair docent een fles wijn cadeau van een student, meestal als dank voor de begeleiding van diens scriptie. Gevoelsmatig zullen velen een dergelijke attentie beschouwen als een volslagen aanvaardbare (en misschien zelfs prijzenswaardige) uitdrukking van waardering voor een prettige samenwerking. Maar gelet op de omschrijving van het delict omkoping (corruptie) in het Wetboek van Strafrecht kan men zich afvragen of strafrechtelijke aansprakelijkheid hier niet op de loer ligt. Daarmee is meer in algemene zin de vraag aan de orde of de grenzen van de strafbaarheid van corruptie in de wet voldoende duidelijk zijn afgebakend en of deze niet te ruim zijn getrokken. Onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de strafbaarstelling zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel, dat eist dat het strafbare gedrag in de wet zo duidelijk wordt omschreven dat de burger (in dit geval de docent) zijn gedrag daarop kan afstemmen. De meeste docenten zullen zich echter niet realiseren dat ze zich door het aannemen van de wijn mogelijk schuldig maken aan een misdrijf, waarop ook nog eens een maximale gevangenisstraf van zes jaar is gesteld. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG: OM blijft niet ontvankelijk in vervolging oud-politici Booi en El Hage

Parket bij de Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1794 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verdachte bij vonnis van 21 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 december 2013 bevestigd inclusief de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten.

Middel

In het middel wordt geklaagd over de bevestiging door het hof van de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake van het onder 8 en 9 tenlastegelegde, nadat het hof aanvankelijk op 13 september 2012 in het kader van een beklagprocedure ex art. 15 Sv de vervolging van verdachte en zijn medeverdachte had bevolen. Waar het in de procedure om draait is of de daarop onder 8 en 9 tenlastegelegde feiten, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie door het Gerecht in eerste aanleg op 9 december 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard, binnen of buiten de grenzen van het bevel tot vervolging van het hof van 13 september 2012 vallen.

Conclusie AG

 Het openbaar ministerie stelt in de toelichting op het middel dat het de door het hof gegeven vervolgingsopdracht te goeder trouw heeft uitgevoerd, nader onderzoek heeft verricht in het dossier Woning ElHage en op basis daarvan de verdachte heeft gedagvaard voor een aantal feiten welke alle afkomstig zijn uit genoemd dossier. Nu het openbaar ministerie, ook na een opdracht tot vervolging, uiteindelijk de instantie is die een tenlastelegging formuleert, is het met de geformuleerde tenlastelegging niet buiten de vervolgingsopdracht getreden en heeft het terecht niet zijn ogen gesloten voor mogelijke strafbare feiten. Het Gerecht in eerste aanleg zou hebben miskend dat nu een klacht wegens niet-vervolging ertoe dient om onterechte passiviteit van het openbaar ministerie te kunnen corrigeren, het openbaar ministerie een dergelijke vervolgingsopdracht te goeder trouw moet uitvoeren, zeker als het gaat om de bescherming van het algemeen belang. De beslissing van het Gerecht zou daarom ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bevestigd door het Gemeenschappelijke Hof.

Mul en Schalken schrijven dat volgens de tot 10 oktober 2010 geldende Antilliaanse beklagregeling (welke inhoudelijk overeenkomt met de huidige beklagregeling voor de BES-eilanden), het openbaar ministerie de exclusieve bevoegdheid heeft om strafbare feiten aan de rechter voor te leggen. Daarnaast heeft het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel en met name de positieve interpretatie daarvan, de mogelijkheid om beleid te voeren. De wetgever heeft de beslissing omtrent al dan niet te vervolgen echter niet helemaal in handen van het openbaar ministerie gelegd. Er kan ingevolge de hiervoor genoemde beklagregeling worden opgekomen tegen de beslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet of niet verder te vervolgen en de rechter die een dergelijke beslissing tot niet-vervolging toetst is bevoegd om naast de haalbaarheid ook de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. In een uitspraak van 26 juni 1996 overwoog Hoge Raad daaromtrent dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat om al dan niet tot vervolging over te gaan en om te bepalen welk strafbaar gesteld handelen ten laste zal worden gelegd, maar dat teneinde aan mogelijke bezwaren van belanghebbenden tegemoet te komen in art. 12 Sv (AG: het Nederlandse equivalent van art. 15 Sv BES) aan de belanghebbenden de bevoegdheid is toegekend om, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, daarover beklag te doen bij een hof. Art. 12 Sv strekt er volgens de Hoge Raad dus toe, om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie aan rechterlijke controle te onderwerpen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld, nu aan het hof een ‘volle beleidstoetsing’ toekomt welke zich volgens de Hoge Raad ook dient uit te strekken tot de wettelijke strafbaarstellingen waarop de vervolging dan moet zien. 

Uit die uitspraak leidt Van der Leij af dat het redigeren van de tenlastelegging en dus het formuleren van de dagvaarding weliswaar moet worden overgelaten aan het openbaar ministerie maar dat recht moet worden gedaan aan het door het hof gegeven vervolgingsbevel en het hof daarin de vervolging dient te bevelen ter zake van het bepaaldelijk, door de klager bedoelde ‘feit waarop het beklag betrekking heeft’. Het hof kan het openbaar ministerie bijvoorbeeld de keuze laten uit een aantal mogelijk in aanmerking komende delicten, maar van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat het van de hem gelaten beoordelingsruimte geen misbruik maakt en dat bij de keuze van het te vervolgen delict de loyale uitvoering van het vervolgingsbevel voorop staat. 

Uit het voorgaande volgt dat in het geval het openbaar ministerie heeft besloten niet tot vervolging over te gaan maar het hof naar aanleiding van een klacht als bedoeld in art. 15 Sv BES alsnog de vervolging van bepaalde feiten heeft bevolen, het in beginsel niet meer aan het openbaar ministerie is om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld. Daaruit vloeit ook voort dat het openbaar ministerie de vervolging niet wegens andere feiten, ten aanzien waarvan het eerder heeft besloten niet tot vervolging over te gaan, in kan stellen. Weliswaar kan de verdachte aan een kennisgeving van niet verdere vervolging door het openbaar ministerie niet zonder meer een rechtens te respecteren vertrouwen kan ontlenen dat hij niet zal worden vervolgd, vanwege het bestaan van de beklagprocedure en de mogelijkheid om bij nieuw bekend geworden bezwaren alsnog tot vervolging over te gaan. Staan blijft echter dat het openbaar ministerie met een dergelijke kennisgeving zijn vervolgingsbevoegdheid prijsgeeft, waarna alleen de rechter nog de bevoegdheid heeft om die beslissing te herzien. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen in volle omvang toetsen en het openbaar ministerie opdragen datgene te doen wat het naar het oordeel van de rechter (en de klager) ten onrechte achterwege heeft gelaten. Het zou in strijd zijn met die rechterlijke bevoegdheid en het bij de verdachte opgewekte vertrouwen, als het openbaar ministerie vervolgens kan beslissen om alsnog toch ook vervolging in te stellen wegens feiten die niet vallen onder het vervolgingsbevel van de rechter en waarvan het openbaar ministerie eerder, door middel van een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft aangegeven niet voor die feiten te gaan vervolgen. 

Voor zover het middel berust op de stelling dat het openbaar ministerie na een beslissing van het hof in de beklagprocedure ex art. 15 Sv BES nog steeds volledige vervolgingsvrijheid heeft teneinde zijn eerdere onterechte passiviteit te kunnen corrigeren ter bescherming van het algemeen belang, faalt het nu het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Die vervolgingsvrijheid wordt wel degelijk beperkt door de eigen beslissing van het openbaar ministerie om niet (verder) te vervolgen en de eventueel daarop volgende beslissing van de rechter in die beklagprocedure. De vervolgingsbeslissing ten aanzien van de desbetreffende feiten ligt dan immers bij de rechter. Dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval zich gedwongen voelde de vervolging te staken en dus ‘ongewild’ de kennisgeving van niet verdere vervolging heeft doen uitgaan, maakt dat niet anders. Gelet daarop geeft het oordeel van het hof dat nu in de beschikking in de beklagprocedure ex art 15 Sv BES door het hof uitsluitend de vervolging is bevolen van de verdenking van hypotheekfraude, het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de onder 8 en 9 op de tenlastelegging vermelde feiten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uit de verwijzing in bedoelde beschikking naar rechtsoverweging 2.4 van diezelfde beschikking kunnen afleiden dat uitsluitend de vervolging is bevolen ter zake van de verdenking van hypotheekfraude en het daarmee samenhangende witwassen, hetgeen overigens in cassatie ook niet lijkt te worden betwist.

Het openbaar ministerie had, zoals hiervoor aangeven, wel nog de mogelijkheid om alsnog tot vervolging over te gaan bij nieuw bekend geworden bezwaren (of feiten). Het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg houdt echter in dat van dergelijke nieuwe feiten niet is gebleken, waarbij erop is gewezen dat het openbaar ministerie zelf ook heeft aangegeven dat alle feiten zoals ten laste zijn gelegd in de onderhavige procedure, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk terwijl het in cassatie ook niet (direct) wordt betwist, zodat ik deze eventuele grond voor de betwisting van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verder buiten bespreking laat.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^