'De vage grenzen van het misdrijf corruptie: Overpeinzingen bij een fles wijn'

Soms krijgt een universitair docent een fles wijn cadeau van een student, meestal als dank voor de begeleiding van diens scriptie. Gevoelsmatig zullen velen een dergelijke attentie beschouwen als een volslagen aanvaardbare (en misschien zelfs prijzenswaardige) uitdrukking van waardering voor een prettige samenwerking. Maar gelet op de omschrijving van het delict omkoping (corruptie) in het Wetboek van Strafrecht kan men zich afvragen of strafrechtelijke aansprakelijkheid hier niet op de loer ligt. Daarmee is meer in algemene zin de vraag aan de orde of de grenzen van de strafbaarheid van corruptie in de wet voldoende duidelijk zijn afgebakend en of deze niet te ruim zijn getrokken. Onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de strafbaarstelling zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel, dat eist dat het strafbare gedrag in de wet zo duidelijk wordt omschreven dat de burger (in dit geval de docent) zijn gedrag daarop kan afstemmen. De meeste docenten zullen zich echter niet realiseren dat ze zich door het aannemen van de wijn mogelijk schuldig maken aan een misdrijf, waarop ook nog eens een maximale gevangenisstraf van zes jaar is gesteld. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG: OM blijft niet ontvankelijk in vervolging oud-politici Booi en El Hage

Parket bij de Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1794 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verdachte bij vonnis van 21 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 december 2013 bevestigd inclusief de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten.

Middel

In het middel wordt geklaagd over de bevestiging door het hof van de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake van het onder 8 en 9 tenlastegelegde, nadat het hof aanvankelijk op 13 september 2012 in het kader van een beklagprocedure ex art. 15 Sv de vervolging van verdachte en zijn medeverdachte had bevolen. Waar het in de procedure om draait is of de daarop onder 8 en 9 tenlastegelegde feiten, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie door het Gerecht in eerste aanleg op 9 december 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard, binnen of buiten de grenzen van het bevel tot vervolging van het hof van 13 september 2012 vallen.

Conclusie AG

 Het openbaar ministerie stelt in de toelichting op het middel dat het de door het hof gegeven vervolgingsopdracht te goeder trouw heeft uitgevoerd, nader onderzoek heeft verricht in het dossier Woning ElHage en op basis daarvan de verdachte heeft gedagvaard voor een aantal feiten welke alle afkomstig zijn uit genoemd dossier. Nu het openbaar ministerie, ook na een opdracht tot vervolging, uiteindelijk de instantie is die een tenlastelegging formuleert, is het met de geformuleerde tenlastelegging niet buiten de vervolgingsopdracht getreden en heeft het terecht niet zijn ogen gesloten voor mogelijke strafbare feiten. Het Gerecht in eerste aanleg zou hebben miskend dat nu een klacht wegens niet-vervolging ertoe dient om onterechte passiviteit van het openbaar ministerie te kunnen corrigeren, het openbaar ministerie een dergelijke vervolgingsopdracht te goeder trouw moet uitvoeren, zeker als het gaat om de bescherming van het algemeen belang. De beslissing van het Gerecht zou daarom ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bevestigd door het Gemeenschappelijke Hof.

Mul en Schalken schrijven dat volgens de tot 10 oktober 2010 geldende Antilliaanse beklagregeling (welke inhoudelijk overeenkomt met de huidige beklagregeling voor de BES-eilanden), het openbaar ministerie de exclusieve bevoegdheid heeft om strafbare feiten aan de rechter voor te leggen. Daarnaast heeft het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel en met name de positieve interpretatie daarvan, de mogelijkheid om beleid te voeren. De wetgever heeft de beslissing omtrent al dan niet te vervolgen echter niet helemaal in handen van het openbaar ministerie gelegd. Er kan ingevolge de hiervoor genoemde beklagregeling worden opgekomen tegen de beslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet of niet verder te vervolgen en de rechter die een dergelijke beslissing tot niet-vervolging toetst is bevoegd om naast de haalbaarheid ook de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. In een uitspraak van 26 juni 1996 overwoog Hoge Raad daaromtrent dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat om al dan niet tot vervolging over te gaan en om te bepalen welk strafbaar gesteld handelen ten laste zal worden gelegd, maar dat teneinde aan mogelijke bezwaren van belanghebbenden tegemoet te komen in art. 12 Sv (AG: het Nederlandse equivalent van art. 15 Sv BES) aan de belanghebbenden de bevoegdheid is toegekend om, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, daarover beklag te doen bij een hof. Art. 12 Sv strekt er volgens de Hoge Raad dus toe, om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie aan rechterlijke controle te onderwerpen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld, nu aan het hof een ‘volle beleidstoetsing’ toekomt welke zich volgens de Hoge Raad ook dient uit te strekken tot de wettelijke strafbaarstellingen waarop de vervolging dan moet zien. 

Uit die uitspraak leidt Van der Leij af dat het redigeren van de tenlastelegging en dus het formuleren van de dagvaarding weliswaar moet worden overgelaten aan het openbaar ministerie maar dat recht moet worden gedaan aan het door het hof gegeven vervolgingsbevel en het hof daarin de vervolging dient te bevelen ter zake van het bepaaldelijk, door de klager bedoelde ‘feit waarop het beklag betrekking heeft’. Het hof kan het openbaar ministerie bijvoorbeeld de keuze laten uit een aantal mogelijk in aanmerking komende delicten, maar van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat het van de hem gelaten beoordelingsruimte geen misbruik maakt en dat bij de keuze van het te vervolgen delict de loyale uitvoering van het vervolgingsbevel voorop staat. 

Uit het voorgaande volgt dat in het geval het openbaar ministerie heeft besloten niet tot vervolging over te gaan maar het hof naar aanleiding van een klacht als bedoeld in art. 15 Sv BES alsnog de vervolging van bepaalde feiten heeft bevolen, het in beginsel niet meer aan het openbaar ministerie is om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld. Daaruit vloeit ook voort dat het openbaar ministerie de vervolging niet wegens andere feiten, ten aanzien waarvan het eerder heeft besloten niet tot vervolging over te gaan, in kan stellen. Weliswaar kan de verdachte aan een kennisgeving van niet verdere vervolging door het openbaar ministerie niet zonder meer een rechtens te respecteren vertrouwen kan ontlenen dat hij niet zal worden vervolgd, vanwege het bestaan van de beklagprocedure en de mogelijkheid om bij nieuw bekend geworden bezwaren alsnog tot vervolging over te gaan. Staan blijft echter dat het openbaar ministerie met een dergelijke kennisgeving zijn vervolgingsbevoegdheid prijsgeeft, waarna alleen de rechter nog de bevoegdheid heeft om die beslissing te herzien. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen in volle omvang toetsen en het openbaar ministerie opdragen datgene te doen wat het naar het oordeel van de rechter (en de klager) ten onrechte achterwege heeft gelaten. Het zou in strijd zijn met die rechterlijke bevoegdheid en het bij de verdachte opgewekte vertrouwen, als het openbaar ministerie vervolgens kan beslissen om alsnog toch ook vervolging in te stellen wegens feiten die niet vallen onder het vervolgingsbevel van de rechter en waarvan het openbaar ministerie eerder, door middel van een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft aangegeven niet voor die feiten te gaan vervolgen. 

Voor zover het middel berust op de stelling dat het openbaar ministerie na een beslissing van het hof in de beklagprocedure ex art. 15 Sv BES nog steeds volledige vervolgingsvrijheid heeft teneinde zijn eerdere onterechte passiviteit te kunnen corrigeren ter bescherming van het algemeen belang, faalt het nu het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Die vervolgingsvrijheid wordt wel degelijk beperkt door de eigen beslissing van het openbaar ministerie om niet (verder) te vervolgen en de eventueel daarop volgende beslissing van de rechter in die beklagprocedure. De vervolgingsbeslissing ten aanzien van de desbetreffende feiten ligt dan immers bij de rechter. Dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval zich gedwongen voelde de vervolging te staken en dus ‘ongewild’ de kennisgeving van niet verdere vervolging heeft doen uitgaan, maakt dat niet anders. Gelet daarop geeft het oordeel van het hof dat nu in de beschikking in de beklagprocedure ex art 15 Sv BES door het hof uitsluitend de vervolging is bevolen van de verdenking van hypotheekfraude, het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de onder 8 en 9 op de tenlastelegging vermelde feiten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uit de verwijzing in bedoelde beschikking naar rechtsoverweging 2.4 van diezelfde beschikking kunnen afleiden dat uitsluitend de vervolging is bevolen ter zake van de verdenking van hypotheekfraude en het daarmee samenhangende witwassen, hetgeen overigens in cassatie ook niet lijkt te worden betwist.

Het openbaar ministerie had, zoals hiervoor aangeven, wel nog de mogelijkheid om alsnog tot vervolging over te gaan bij nieuw bekend geworden bezwaren (of feiten). Het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg houdt echter in dat van dergelijke nieuwe feiten niet is gebleken, waarbij erop is gewezen dat het openbaar ministerie zelf ook heeft aangegeven dat alle feiten zoals ten laste zijn gelegd in de onderhavige procedure, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk terwijl het in cassatie ook niet (direct) wordt betwist, zodat ik deze eventuele grond voor de betwisting van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verder buiten bespreking laat.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Ambtenaren Stadsbeheer Den Haag verklaren over gesjoemel

Bij de dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag heeft jarenlang een cultuur geheerst waar ambtenaren zich niet aan de regels hielden. Dat beeld komt naar voren uit verklaringen die (oud-)ambtenaren hebben afgelegd in de corruptiezaak van een collega dit jaar. Het was volgens hen onder meer normaal om giften aan te nemen van aannemers die voor de gemeente werkten. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

September belangrijke maand voor corruptie

September 2015 markeert een belangrijke maand in de wereldwijde strijd tegen corruptie, stelt medeoprichter van Transparency International Frank Vogl. Wereldwijd is op nationaal niveau een vergrote aandacht te zien voor de strijd tegen corruptie. Zo begint China aankomend jaar aan het derde jaar van Xi Jinping’s anti-corruptiebeleid, is in Brazilië het onderzoek naar corruptie rondom het nationale oliebedrijf Petrobras begonnen, en gingen vele mensen de straat op in Baghdad om politieke hervorming van het corrupte systeem te forceren. Ook wereldleiders hebben recent aandacht geschonken aan het tegengaan van corruptie. Zo sprak president Obama van de Verenigde Staten op bezoek in Kenia uit dat “nothing will unlock Africa’s economic potential more than ending the cancer of corruption.” Verder schonk premier Cameron van het Verenigd Koninkrijk op bezoek in Singapore aandacht aan corruptie door te stellen dat “the international community has looked the other way for too long. We simply cannot afford to side-step this issue or make excuses for corruption any more. We need to step up and tackle it.” Dit momentum voor corruptie leidt deze maand waarschijnlijk ook tot actie op internationaal niveau.

Op 25 september zullen vele wereldleiders elkaar ontmoeten in New York tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De kans is groot dat ze tijdens deze bijeenkomst de 17 “Sustainable Development Goals” (SDG’s) zullen aannemen. Vele van deze doelstellingen waren al opgenomen in de “Millennium Development Goals” in 2000, maar in de hernieuwde doelstellingen is ook een plaats weggelegd voor de strijd tegen corruptie, iets wat eerder niet het geval was.

Doelstelling 16 bestaat uit meerdere targets, waarvan één is om duurzaam corruptie en omkoping in alle vormen te verminderen. Transparency International zal er wereldwijd alles aan doen om ervoor te zorgen dat deze doelstelling geen lege huls zal worden. Het beëindigen van straffeloosheid bij maatschappelijke misstanden met betrekking tot corruptie is één van de voornaamste toekomstige strategieën van Transparency International op internationaal niveau. Het toevoegen van de strijd tegen corruptie aan de “Sustainable Development Goals” van de Verenigde Naties kan daarvoor een goede stap in de richting zijn.

Het gehele artikel van Frank Vogl uit The Globalist is hier te lezen.

Bron: Transparency International

 

Print Friendly and PDF ^

‘Lessons from the OECD Foreign Bribery Report: The Dark Horse, the Paper Tiger and Chicken Littl’

The OECD Foreign Bribery Report was launched on 2 December 2014 and is a first attempt to measure the crime of bribery of foreign public officials in international business, based on confirmed cases. The Report analyses data emerging from the 427 foreign bribery cases that have resulted in definitive sanctions since the entry into force of the OECD Anti-Bribery Convention in 1999. One of the more startling findings in the report is that some level of corporate management was involved in 41% of cases and in 12% of cases the company’s President or CEO was implicated. From a corporate governance and compliance perspective, this begs the question as to what went wrong and why. In this paper, Leah Ambler draws on specific case studies to examine the failures that led to the company being sanctioned for bribery in international business and how this could have been avoided through strengthened corporate governance and compliance frameworks. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^