Nieuw OESO-rapport met betrekking tot omvang internationale corruptie

Most international bribes are paid by large companies, usually with the knowledge of senior management, according to new OECD analysis of the cost of foreign bribery and corruption.

Bribes in the analysed cases equalled 10.9% of the total transaction value on average, and 34.5% of the profits – equal to USD 13.8 million per bribe. But given the complexity and concealed nature of corrupt transactions, this is without doubt the mere tip of the iceberg, says the OECD.

Bribes are generally paid to win contracts from state-owned or controlled companies in advanced economies, rather than in the developing world, and most bribe payers and takers are from wealthy countries.

The OECD Foreign Bribery Report analyses more than 400 cases worldwide involving companies or individuals from the 41 signatory countries to the OECD Anti-Bribery Convention who were involved in bribing foreign public officials. The cases took place between February 1999, when the Convention came into force, and June 2014.

Almost two-thirds of cases occurred in just four sectors: extractive (19%); construction (15%); transportation and storage (15%); and information and communication (10%).

Bribes were promised, offered or given most frequently to employees of state-owned enterprises (27%), followed by customs officials (11%), health officials (7%) and defence officials (6%). Heads of state and ministers were bribed in 5% of cases but received 11% of total bribes.

In most cases, bribes were paid to obtain public procurement contracts (57%), followed by clearance of customs procedures (12%). 6% of bribes were to gain preferential tax treatment.

“Corruption undermines growth and development. The corrupt must be brought to justice,” said OECD Secretary-General Angel Gurría. “The prevention of business crime should be at the centre of corporate governance. At the same time, public procurement needs to become synonymous with integrity, transparency and accountability.” (Read the full speech)

The report also reveals that the time needed to conclude cases has increased over time, from around two years on average for cases concluded in 1999 to just over seven today. This may reflect the increasing sophistication of bribers, the complexity for law enforcement agencies to investigate cases in several countries or that companies and individuals are less willing to settle than in the past.

In 41% of cases management-level employees paid or authorised the bribe, whereas the company CEO was involved in 12% of cases.

Intermediaries were involved in 3 out of 4 foreign bribery cases. These intermediaries were agents, such as local sales and marketing agents, distributors and brokers, in 41% of cases. Another 35% of intermediaries were corporate vehicles, such as subsidiary companies, companies located in offshore financial centres or tax havens, or companies established under the beneficial ownership of the public official who received the bribes.

Governments around the world should strengthen sanctions, make settlements public and reinforce protection of whistleblowers as part of greater efforts to tackle bribery and corruption, says the OECD. The overwhelming use of intermediaries also demonstrates the need for more effective due diligence and oversight of corporate compliance programmes, and for company executives to lead by example in fighting foreign bribery.

Lees hier het volledige rapport.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak actieve omkoping gemeenteambtenaar

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9048

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair dan wel meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde actieve omkoping als bedoeld in de artikelen 177 en 177a Sr dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat verdachte (dan wel het bedrijf waaraan verdachte feitelijk leiding gaf) het oogmerk had de ambtenaar (medeverdachte in casu) te bewegen in zijn bediening (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten. Dat oogmerk kan gericht zijn op een concrete tegenprestatie, maar ook op het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Naar het oordeel van het hof kan dat oogmerk niet worden bewezen.

Verdachte heeft als aannemer (bouw)opdrachten verricht voor de gemeente Enschede voor het project Roombeek waarvan medeverdachte projectleider was. Volgens de beschuldiging van het OM zou verdachte ter begunstiging van zijn zakelijke positie verschillende giften hebben gedaan aan medeverdachte in de vorm van reizen, natuurstenen beelden en een (te hoog) bedrag voor een door verdachte van medeverdachte gekochte trekker. Voor zover echter reeds bewezen zou kunnen worden dat verdachte medeverdachte werkelijk heeft bevoordeeld, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er door verdachte giften zijn gedaan met het oogmerk zijn zakelijke positie te versterken bij de aanbesteding van bouwprojecten.

Daarbij acht het hof van belang dat het dossier en de behandeling ter terechtzitting daarvoor verschillende contra-indicaties opleveren. Allereerst neemt het hof in aanmerking dat verdachte en medeverdachte ook privé veelvuldig contact hadden. Ze waren buren en hadden gemeenschappelijke interesses, hetgeen de gezamenlijke reizen kan verklaren. Ten aanzien van de reizen is onvoldoende duidelijk geworden dat verdachte daarbij financieel substantieel meer heeft ingelegd dan medeverdachte. medeverdachte heeft ook zelf facturen van de reizen betaald, terwijl niet valt uit te sluiten dat medeverdachte daarnaast kosten heeft verrekend door de kosten van drank, eten, benzine en dergelijke contant voor zijn rekening te nemen. Ten aanzien van de natuurstenen beelden acht het hof het aannemelijk dat deze een gift van Chinese steenleveranciers zijn geweest. Het verschil tussen de aanschafwaarde van de trekker en de door verdachte hiervoor betaalde geldsom is niet van dien aard dat daaruit op zichzelf reeds de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een gift ter begunstiging van verdachtes zakelijke positie. Bij dit alles komt dat medeverdachte binnen de gemeente maar zeer beperkt zelfstandig zeggenschap had over de aanbesteding van projecten. Zijn bevoegdheid strekte zich niet verder uit dan tot onderhandse projecten van € 5000,- en dan volgens medeverdachte ook nog slechts voor regiewerk, dat wil zeggen werk dat gedaan moet worden binnen een bestaand project dat reeds bij een aannemer in uitvoering is. Ten slotte acht het hof van belang dat het onderzoek van de gemeente naar de aanbestedingspraktijk geen enkele onregelmatigheid heeft opgeleverd en dat verdachte weer opdrachten voor de gemeente verricht.

Al deze omstandigheden staan op zichzelf niet aan een bewezenverklaring in de weg, maar leveren naar het oordeel van het hof wel een belangrijke contra-indicatie op voor het oordeel dat sprake is van giften die zijn gedaan met het oogmerk om medeverdachte te bewegen tot bevoordeling van verdachte in de aanbesteding van bouwprojecten. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde actieve omkoping is meer bewijs nodig dan op grond van de hier vaststaande feiten en omstandigheden kan worden aangenomen, gegeven de bestaande zakelijke betrekking tussen medeverdachte en verdachte. Dit geldt eens temeer nu de omvang en context van de veronderstelde giften niet helder is geworden en - voor zover deze giften zijn gedaan - gelet op de aard en omvang daarvan ruimte is voor een alternatieve verklaring.

Hierbij merkt het hof op dat het openbaar ministerie in het requisitoir terecht stelt dat voor een bewezenverklaring van actieve omkoping in de zin van artikel 177 en 177a Sr niet nodig is dat de giften ook daadwerkelijk tot voordeel bij de omkoper hebben geleid. Voor het bewijs van actieve omkoping volstaat de vaststelling dat de omkoper de giften heeft gedaan met het oogmerk daarmee voordeel te bewerkstelligen. Het hof begrijpt de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een causale relatie dan ook in die zin en komt langs die weg tot hetzelfde (feitelijke) oordeel als de rechtbank, namelijk dat niet buiten redelijk twijfel is komen vast te staan dat – zo er sprake was van giften – deze zijn gedaan met het oogmerk van begunstiging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Bedrijfsleven wapent zich tegen corruptiepraktijken'

Hoge boetes, zoals die bij SBM Offshore vorige deze week, dwingen bedrijven zich in te dekken tegen de risico’s van corruptie in het buitenland. Nederlandse bedrijven nemen steeds vaker maatregelen die buitenlandse corruptie moeten voorkomen. Reden voor de bezorgdheid is de hardere aanpak van omkoping in het buitenland door justitie, zowel in Nederland als de Verenigde Staten.

Lees verder:

 

Meer weten over de aanpak van corruptie in binnen- en buitenland? Kom dan op donderdag 20 november 2014 naar de Cursus Corruptie Stand van zaken van de Nederlandse aanpak van corruptie in binnen- en buitenland.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

SBM sluit recordschikking met justitie in omkopingszaak

SBM Offshore heeft een door het OM aangeboden transactie geaccepteerd. De transactie bestaat uit een betaling door SBM Offshore aan het Openbaar Ministerie van in totaal 240 miljoen US dollar. Dit bedrag bestaat uit 40 miljoen boete en 200 miljoen ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze transactie heeft betrekking op door het Openbaar Ministerie en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst geconstateerde ongeoorloofde betalingen aan handelsagenten en buitenlandse overheidsfunctionarissen in Equatoriaal Guinea, Angola en Brazilië in de periode van 2007 tot en met 2011. Die betalingen leveren naar het oordeel van het Openbaar Ministerie de strafbare feiten van ambtelijke en niet-ambtelijke omkoping alsmede valsheid in geschrifte op.

Passende afdoening

Het Openbaar Ministerie ziet de transactie ex artikel 74 Sr als een passende afdoening van de zaak. De afdoening bevat zoewl een boete- als een ontnemingscomponent. Daarnaast heeft de in de eerste helft van 2012 aangetreden nieuwe Raad van Bestuur van SBM Offshore op eigen initiatief een omvangrijk pakket aan maatregelen tot verbetering van de compliance van de onderneming genomen. Daar hecht het Openbaar Ministerie belang aan, opdat bovengenoemde strafbare feiten in de toekomst zich niet meer voor zullen doen. Ook zal het Openbaar Ministerie de komende jaren desgewenst inzage krijgen in de uitvoering van SBM Offshore's compliance beleid.

Redenen voor het Openbaar Ministerie om een transactie-aanbod te doen zijn onder meer geweest dat:

  • SBM Offshore de kwestie zelf onder de aandacht heeft gebracht van de autoriteiten, waaronder het Nederlandse Openbaar Ministerie, en SBM Offshore de kwestie zelf heeft onderzocht en aan verdere strafrechtelijke onderzoeken door het Openbaar Ministerie en de FIOD haar volledige medewerking heeft toegezegd;
  • er sinds 2012 een nieuwe bezetting is van de Raad van Bestuur;
  • de nieuwe Raad van Bestuur sinds het bekend worden van de kwestie uit eigen beweging aanzienlijke maatregelen heeft genomen tot verbetering van de compliance binnen het bedrijf; en
  • het ook in SBM's persbericht vermelde feit dat de huidige Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van SBM Offshore het falen van controlemechanismen in het verleden betreuren.

Aanleiding onderzoek FIOD en Openbaar Ministerie

SBM Offshore informeerde het OM in het voorjaar van 2012 uit eigen beweging over het door haar geïnitieerde interne onderzoek naar mogelijk ongepaste betalingen aan handelsagenten ter zake van dienstverlening.

Het interne onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 2012 tot en met begin 2014 en strekte zich uit over de periode van 2007 tot en met 2011. De reikwijdte van het interne onderzoek is mede in overleg met het Openbaar Ministerie en de FIOD bepaald.

Daarnaast heeft de FIOD onder leiding van het Openbaar Ministerie eigen onderzoek gedaan.

Betrokken landen in het onderzoek

SBM Offshore betaalde van 2007 tot en met 2011 circa 200 miljoen USD aan commissies aan handelsagenten ter zake van dienstverlening. Het grootste deel van die commissies, in totaal 180,6 miljoen USD, heeft betrekking op Equatoriaal Guinea, Angola en Brazilië.

Het onderzoek van het Openbaar Ministerie en de FIOD heeft zich toegespitst op deze drie landen. Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek naar deze drie landen voldoende representatief geacht voor het geheel, gelet op het aandeel dat deze drie landen hadden in de bedrijfsvoering van SBM Offshore.

Equatoriaal Guinea

Begin 2012 vernam SBM Offshore dat één van haar toenmalige handelsagenten mogelijk bepaalde goederen had overhandigd aan diverse overheidsfunc- tionarissen in Equatoriaal Guinea. Het zou daarbij zijn gegaan om één of meer auto’s en een gebouw. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie en de FIOD betaalde SBM Offshore's toenmalige handelsagent aan hem betaalde commissies voor een aanzienlijk deel door aan derden, die op hun beurt delen daarvan weer zouden hebben (door)betaald aan één of meer overheidsfunctionarissen in Equatoriaal Guinea. Daarnaast zijn er andere betalingen, zoals opleidings- en ziektekosten. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie en de FIOD geschiedden dergelijke (door)betalingen met medeweten van toenmalige medewerkers van SBM Offshore waaronder een toenmalig lid van de Raad van Bestuur. In de periode van 2007 tot en met 2011 betaalde SBM Offshore de bewuste handelsagent in totaal 18,8 miljoen USD met betrekking tot Equatoriaal Guinea.

Angola

In de periode van 2007 tot en met 2011 maakte SBM Offshore tevens gebruik van verschillende handelsagenten in Angola. Deze handelsagenten ontvingen commissies ter zake van dienstverlening in verband met bepaalde projecten in Angola. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben personen die gerelateerd zijn aan ten minste één van deze handelsagenten en die zelf Angolese overheidsfunctionarissen waren of daarmee geassocieerd kunnen worden, gelden ontvangen. Tevens zijn er andere betalingen zoals reis- en studiekosten aan één of meer Angolese overheidsfunctionarissen dan wel hun familieleden. Ook ten aanzien van Angola vonden betalingen naar het oordeel van het Openbaar Ministerie en de FIOD plaats met medeweten van toenmalige medewerkers van SBM Offshore. In de periode van 2007 tot en met 2011 heeft SBM Offshore haar handelsagenten 22,7 miljoen USD aan commissies betaald met betrekking tot Angola.

Brazilië

Ten aanzien van Brazilië zijn tijdens het in opdracht van SBM Offshore uitgevoerde interne onderzoek enkele "red flags" aangetroffen met betrekking tot de belangrijkste handelsagent. Deze red flags betroffen onder meer:

  • de hoogte (in absolute termen) van de commissies die zijn betaald aan de handelsagent en zijn bedrijven;
  • een splitsing in de betaling van commissies aan de handelsagent tussen zijn Braziliaanse en offshore entiteiten; en
  • documenten die aangaven dat de handelsagent over vertrouwelijke informatie van een Braziliaanse opdrachtgever beschikte.

Het interne onderzoek van SBM Offshore leverde geen concreet bewijs op waaruit zou blijken dat betalingen zijn verricht aan één of meer overheids- functionarissen in Brazilië. In de periode van 2007 tot en met 2011 heeft SBM Offshore haar handelsagenten 139,1 miljoen aan commissies betaald met betrekking tot Brazilië.

In het onderzoek van de FIOD onder leiding van het Openbaar Ministerie is op grond van een rechtshulpverzoek geconstateerd dat vanuit de offshore vennootschappen van de Braziliaanse handelsagent betalingen zijn verricht aan Braziliaanse overheidsfunctionarissen. Deze bevindingen zijn het resultaat van onderzoeksmethoden die niet ter beschikkingstaan aan SBM Offshore.

Het onderzoek 

In het kader van het interne onderzoek door SBM Offshore zijn harde schijven en overige elektronische data en documentatie onderzocht, alsmede interviews gehouden met huidig en voormalig personeel van SBM Offshore, waaronder leden van de Raad van Bestuur en Raad van Commissarissen, medewerkers van de Legal, Sales en Marketing, Accounting en Finance afdelingen en relevante project teams.

Het interne onderzoek door SBM Offshore is uitgevoerd door gespecialiseerde advocatenkantoren en forensische accountants, die zijn geassisteerd door een intern team bij SBM Offshore. Dit team stond vanaf diens benoeming onder leiding van Sietze Hepkema, SBM Offshore's Chief Governance and Compliance Officer, en was samengesteld uit leden van SBM Offshore's Legal, Compliance, Finance/Internal Controls en Internal Audit afdelingen.

SBM Offshore gaf het Openbaar Ministerie en de FIOD steeds openheid van zaken. Het Openbaar Ministerie en de FIOD zijn in besprekingen door SBM Offshore op de hoogte gehouden van de voortgang van het interne onderzoek. De voorlopige bevindingen van het interne onderzoek zijn aan het Openbaar Ministerie en de FIOD gerapporteerd. Het interne onderzoek is begin 2014 afgerond, waarna SBM Offshore aangifte heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie.

Daarnaast heeft de FIOD onder leiding van het Openbaar Ministerie eigen onderzoek gedaan. Er is administratie inbeslag genomen, er zijn getuigen en betrokkenen gehoord en er is rechtshulp verzocht aan betrokken landen. SBM Offshore heeft medewerking verleend aan dit onderzoek dat door de FIOD onder leiding van het Openbaar Ministerie mede naar aanleiding van de bevindingen van het interne onderzoek van SBM Offshore is verricht.

Maatregelen om herhaling te voorkomen

De Raad van Commissarissen van SBM Offshore heeft een nieuwe Raad van Bestuur samengesteld die in de eerste helft van 2012 is aangetreden. De nieuwe Raad van Bestuur benadrukt voortdurend het belang van compliance binnen en buiten de eigen organisatie. Eén van de leden, Sietze Hepkema, is als Chief Governance and Compliance Officeraangesteld, een nieuwe positie binnen de Raad van Bestuur. Tevens is de positie van Group Compliance Director ingevuld met een ervaren kandidaat. De komende jaren zullen deze posities ingevuld blijven met ter zake kundige personen met het gezag en de statuur om het ingezette compliance programma vast te houden.

Sinds zijn aantreden in 2012 heeft de huidige Raad van Bestuur vele (herstel)maatregelen getroffen die ertoe strekken herhaling te voorkomen. Zo is het gebruik van handelsagenten binnen SBM Offshore direct vanaf begin 2012 sterk aan banden gelegd. Allereerst heeft SBM Offshore daartoe alle betalingen aan handelsagenten opgeschort tot aan de afronding van de compliance beoordeling van deze handelsagenten. Een nieuw opgerichte "Compliance Task Force", bestaande uit vertegenwoordigers van de afdelingen Internal Audit, Compliance en Group Internal Control, heeft de betalingen van commissies aan handelsagenten gedurende de periode van 2007 tot en met 2011 geïnventariseerd. Daarnaast heeft SBM Offshore een "Validation Committee", bestaande uit de CEO, de Chief Governance and Compliance Officer, deGroup Controller en de Group Sales Director opgezet. DezeValidation Committee heeft alle handelsagenten beoordeeld en in ieder afzonderlijk geval bepaald of de relatie met de desbetreffende handelsagent moest worden voortgezet dan wel beëindigd. Alle handelsagenten die door de onderneming nog werden en worden gebruikt, zijn aan deze strenge procedure onderworpen. Handelsagenten die niet in staat bleken aan de compliance-eisen van SBM Offshore te kunnen voldoen, worden niet meer door de onderneming gebruikt. Tevens heeft SBM Offshore besloten in die landen waar de onderneming zelf een substantiële aanwezigheid heeft niet langer van handelsagenten gebruik te maken.

Daarnaast is het compliance beleid verder aangescherpt om de integriteit van de organisatie te waarborgen. Hiertoe zijn onder meer richtlijnen en procedures opgesteld en/of aangescherpt die zien op het aangaan en continueren van, en het omgaan met relaties met handelsagenten, andere tussenpersonen en joint venture partners. Ook de handelsagenten zelf dienen zich contractueel te committeren aan het binnen SBM Offshore geldende beleid.

Naast de maatregelen die handelsagenten zijn opgelegd, zijn disciplinaire maatregelen genomen tegen medewerkers die betrokken zijn geweest bij of kennis hadden van de betrokken betalingen. Verder hebben alle medewerkers in compliance-gevoelige posities, ongeveer 2.540 medewerkers per jaar gedurende de afgelopen vier jaren, geactualiseerde trainingen op het gebied van anti-corruptie bijgewoond. Jaarlijks zullen zij door aanvullende trainingen geïnformeerd blijven. Om ook in de toekomst de integriteit van medewerkers verder te kunnen waarborgen, heeft de onderneming zijn HR-procedures verder verscherpt. Medewerkers zullen daardoor nog strenger worden gescreend. Daarnaast dienen huidige en toekomstige medewerkers zich aan de SBM Offshore "compliance commitments" te verbinden.

SBM Offshore heeft in april 2012 vrijwillig melding gemaakt van het interne onderzoek aan het Openbaar Ministerie en de markt, en daarmee aangegeven haar onderneming op een transparante wijze te willen voeren. Zij ziet er streng op toe dat haar compliance beleid nu en in de toekomst strikt wordt nageleefd. Het Openbaar Ministerie en de FIOD zijn, mede op basis van gesprekken met de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur, tot de overtuiging gekomen dat na de ontdekking van de gebeurtenissen daadwerkelijk een goede compliance-koers is ingezet binnen SBM Offshore en dat het bedrijf deze koers zal vasthouden.

Verder onderzoek

Uit het strafrechtelijk onderzoek is voorts gebleken dat enkele natuurlijke personen betrokken zijn geweest bij de naar het oordeel van het Openbaar Ministerie gepleegde strafbare feiten. Het Openbaar Ministerie heeft in een zaak als deze jurisdictie op het moment dat er strafbare handelingen in Nederland hebben plaatsgevonden, of wanneer het om Nederlanders gaat die in het buitenland strafbare handelingen plegen. Daar is bij de huidige stand van onderzoek niet van gebleken. Het Openbaar Ministerie zal alle medewerking verlenen aan landen die wel jurisdictie hebben om de betrokken natuurlijke personen te vervolgen.

Het Openbaar Ministerie en SBM Offshore zijn ervan overtuigd dat met de maatregelen die door de nieuwe Raad van Bestuur zijn genomen en het belang dat door de leiding van de onderneming aan transparantie wordt gehecht, mogelijke misstanden, zoals die hierboven zijn geschetst, zich in de toekomst niet zullen voordoen.

Het Openbaar Ministerie heeft mede om bovenstaande redenen aanleiding gezien SBM Offshore deze transactie aan te bieden en acht dit een passende afdoening van de zaak.

Bij een eventueel doorlopend onderzoek door het Openbaar Ministerie tegen derden zal SBM Offshore haar volledige medewerking blijven verlenen.

Tot slot

Nederland laat met deze zaak zien dat het optreedt tegen buitenlandse corruptie. Het Openbaar Ministerie vindt corruptie en daaraan gerelateerde strafbare feiten ernstig vanwege het ondermijnende en corrumperende karakter op de samenleving.

Bij buitengerechtelijke afdoening is in de ogen van het Openbaar Ministerie sprake van straf, herstel en preventie. Bij de afdoening let het Openbaar Ministerie ook op de houding van een verdachte onderneming tijdens het onderzoek en de maatregelen die de onderneming zelf neemt.

Bron: OM

Meer weten over de handhaving & afdoening van omkopingszaken? Kom dan op donderdag 20 november 2014 naar de Cursus Corruptie: Stand van zaken van de Nederlandse aanpak van corruptie in binnen- en buitenland.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

'Anti-corruptie gaat verder dan compliance'

Corruptie-incidenten bij Philips, SBM Offshore of de Nederlandse politie maken duidelijk dat corruptie bepaald niet denkbeeldig is en dat het gaat om grote bedragen. Door toenemende handhaving op grond van internationale regelgeving is corruptie een onderwerp van advies en onderzoek geworden van advocaten. Anti-corruptieprogramma's kunnen veel succesvoller zijn als naast het opzetten van een compliance-organisatie wordt geinvesteerd in operationele processen.

Lees verder:

Wilt u meer weten over de ontwikkelingen op het gebied van de bestrijding van corruptie en de risico’s die ondernemingen en individuen lopen in het kader van deze bestrijding? Kom dan op 20 november 2014 naar de cursus Corruptie: Stand van zaken van de Nederlandse aanpak van corruptie in binnen- en buitenland.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^