Wel of geen verlenging redelijke termijn ingeval van prejudiciële vragen aan EU-Hof?

De hoogste rechters gaan één lijn trekken bij het meetellen van de duur van een prejudiciële procedure bij het EU-Hof voor de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen een rechter uitspraak moet doen. Vertegenwoordigers van de hoogste rechtscolleges buigen zich gezamenlijk over een geschikte zaak en laten zich daarbij adviseren door een advocaat-generaal van de Raad van State. Nieuwe procesregels maken deze bijzondere aanpak mogelijk.

Wanneer een rechter uitleg vraagt aan het EU-Hof duurt dat intermezzo al gauw anderhalf jaar. Toch moet die rechter binnen een redelijke termijn uitspraak doen. Dat eist het EVRM. Anders moet er schadevergoeding worden betaald. Eerder oordeelde de Centrale Raad van Beroep in een schadevergoedingsprocedure dat de duur van de prejudiciële procedure niet meetelt voor de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn. Kennelijk bestond bij de andere hoogste rechters behoefte hierover gezamenlijk te besluiten en ook te kijken naar de overschrijding van de redelijke termijn in het algemeen.

In samenwerking met de andere hoogste bestuursrechters maakt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nu voor de eerste keer gebruik van de mogelijkheid om in een aanhangige procedure een conclusie te vragen aan de bestuursrechtelijke ‘advocaat-generaal’. Deze mogelijkheid wordt de hoogste bestuursrechters sinds 1 januari 2013 geboden in het kader van de bevordering van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid. Op die datum is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Prof. mr. Rob Widdershoven, die begin dit jaar naast mr. Leen Keus is benoemd tot bestuursrechtelijke ‘advocaat-generaal’ bij de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, wordt belast met het nemen van deze conclusie.

Grote kamer met vijf leden

In het najaar van 2013 zal de desbetreffende zaak op een rechtszitting worden behandeld door een zogenoemde grote kamer met vijf leden. Ook deze mogelijkheid bestaat pas sinds 1 januari van dit jaar. De grote kamer zal in ieder geval bestaan uit de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, de presidenten van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven en een lid van de Hoge Raad dat tevens staatsraad in buitengewone dienst is.

Inhoud van de zaak

Het geschil bij de Afdeling bestuursrechtspraak waarin nu om het nemen van een conclusie is verzocht, heeft betrekking op de vraag of in deze procedure die al zes jaar duurt, de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM is overschreden. In haar uitspraak van 1 februari jl. waartegen het hoger beroep is ingesteld, heeft de rechtbank in Den Bosch overwogen dat in zaken als deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk is te achten. Het gaat dan om zaken die uit een bezwaarschriftenprocedure en – tot op het moment van de uitspraak van de rechtbank – één rechterlijke instantie bestaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens één jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de lange behandelingsduur van het beroep in dit geval gerechtvaardigd, omdat de zaak was aangehouden in afwachting van de beantwoording van zogenoemde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in Luxemburg. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van bijna drie jaar die met de aanhouding was gemoeid, geheel buiten beschouwing gelaten. Met uitzondering van deze periode, kwam zij tot de slotsom dat de procedure tot dat moment drie jaar heeft geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden en dus geen grond bestaat voor toekenning van schadevergoeding. In het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak wordt opgekomen tegen het niet meetellen van de periode van drie jaar waarin de zaak is aangehouden.

Verzoek aan de advocaat-generaal

Ten behoeve van de rechtseenheid is de advocaat-generaal verzocht in een conclusie in te gaan op de uiteenlopende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Hoge Raad met betrekking tot artikel 6 van het EVRM. Hem is gevraagd welke behandelingsduren de rechtscolleges voor de verschillende fasen van de procedures en voor de procedures als geheel, nog als redelijk kunnen aanmerken in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als zij daarbij een uniforme benadering zouden gaan volgen. Aan de orde zal komen of voor alle type zaken dezelfde termijnen moeten worden gehanteerd of dat daarbij moet of kan worden gedifferentieerd. Daarbij is het voor de rechtscolleges belangrijk dat zij voor de rechtspraktijk een goed en eenvoudig systeem kunnen hanteren.

Nemen van een conclusie

Met het nemen van een conclusie door de advocaat-generaal wordt meer dan met de rechterlijke uitspraak zelf gelegenheid geboden om een rechtsvraag te plaatsen in een breder verband. De conclusie kan een bijdrage leveren aan de kwaliteit en de inzichtelijkheid van de rechtsontwikkeling door de rechter. Het gaat in de eerste plaats om zaken waarin de rechtsvraag 'college-overstijgend' is en die rechtsvraag in de rechtspraak niet eerder of niet eenduidig is beantwoord. Samen met de mogelijkheid van behandeling van een zaak door een grote kamer met vijf leden die deel uitmaken van de hoogste bestuursrechtelijke colleges, biedt het een aantrekkelijk perspectief voor de bevordering van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid.

Verdere verloop van de procedure

Naar verwachting zal de grote kamer de zaak op donderdag 12 september 2013 op een rechtszitting behandelen. De advocaat-generaal brengt zijn conclusie uiterlijk zes weken na de zitting uit. Deze wordt gepubliceerd en aan partijen toegezonden met de mogelijkheid om hierop te reageren. Na het verstrijken van die reactietermijn zal de grote kamer uitspraak doen in deze zaak.

Bron: Expertisecentrum Europees Recht

Print Friendly and PDF ^

EU-Hof billijkt Spaanse meldplicht financiële transacties door buitenlandse instellingen

Hof van Justitie 25 april 2013, C-212/11 (Jyske Bank Gibraltar)

Essentie

Het Unierecht verzet zich niet tegen de Spaanse regeling volgens welke kredietinstellingen die in Spanje actief zijn zonder er gevestigd te zijn, de voor de bestrijding van het witwassen en de financiering van terrorisme noodzakelijke gegevens rechtstreeks aan de Spaanse autoriteiten moeten verstrekken.

Bij gebreke van een doeltreffend mechanisme ter verzekering van een volledige samenwerking tussen de lidstaten dat de mogelijkheid biedt deze misdrijven doeltreffend te bestrijden, is deze regeling een evenredige maatregel.

Achtergrond

De richtlijn tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme legt bepaalde informatieverplichtingen op, met name aan kredietinstellingen. Daartoe eist zij dat elke lidstaat een centrale financiële-inlichtingeneenheid (FIE) opricht, die verantwoordelijk is voor het ontvangen, opvragen, analyseren en verspreiden onder de bevoegde autoriteiten van informatie die betrekking heeft op vermoedelijke gevallen van witwassen van geld of van financiering van terrorisme. De richtlijn bepaalt dat deze informatie wordt verstrekt aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de instelling zich bevindt.

Krachtens de Spaanse regeling moeten kredietinstellingen die in Spanje actief zijn, ongeacht hun plaats van vestiging, overmakingen van meer dan 30 000 EUR van of naar rekeningen in belastingparadijzen en niet-coöperatieve gebieden, waaronder Gibraltar, aan de Spaanse FIE meedelen.

Feiten

Jyske, een dochteronderneming van de Deense bank NS Jyske Bank, is een in Gibraltar gevestigde kredietinstelling die in Spanje actief was in het kader van de vrijheid van dienstverrichting, dat wil zeggen zonder er een vestiging te hebben.

In januari 2007 heeft de Spaanse FIE Jyske om bepaalde informatie verzocht. Gelet op een reeks aanwijzingen was zij immers van mening dat er een zeer groot risico bestond dat Jyske bij de uitoefening van haar activiteiten in Spanje werd gebruikt voor het witwassen van geld. Daartoe zou een mechanisme worden gebruikt waarbij in Gibraltar vennootschappen worden opgericht ter voorkoming dat de identiteit van de werkelijke eigenaar van in Spanje – voornamelijk aan de Costa del Sol – gekocht vastgoed alsmede de herkomst van de gebruikte middelen bekend zouden worden. In juni 2007 heeft Jyske een deel van de gevraagde informatie verstrekt, maar onder verwijzing naar het in Gibraltar geldende bankgeheim heeft zij geweigerd om gegevens over de identiteit van haar cliënten te verstrekken en kopieën van verdachte transacties in Spanje over te leggen. Daarop heeft de Consejo de Ministros (Ministerraad, Spanje), van mening dat Jyske niet had voldaan aan de krachtens de Spaanse regeling op haar rustende informatieverplichtingen, tegen Jyske twee publieke waarschuwingen uitgesproken en haar twee geldboeten opgelegd van in totaal 1 700 000 EUR.

Jyske is van mening dat zij krachtens de richtlijn enkel ten opzichte van de FIE van Gibraltar een meldingsplicht heeft en dat de Spaanse regeling dus niet in overeenstemming met de richtlijn is.

De bank heeft zich derhalve tot het Tribunal Supremo (hooggerechtshof, Spanje) gewend, dat heeft besloten dienaangaande het Hof van Justitie te adiëren.

Oordeel Hof

In het gewezen arrest verklaart het Hof dat de richtlijn niet uitdrukkelijk de mogelijkheid uitsluit om te eisen dat kredietinstellingen die hun activiteiten in Spanje in het kader van de vrijheid van dienstverrichting uitoefenen, de voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme vereiste gegevens rechtstreeks aan de Spaanse FIE verstrekken. Bijgevolg verzet de richtlijn zich in beginsel niet tegen de Spaanse regeling, mits hiermee wordt beoogd met eerbiediging van het Unierecht de doeltreffendheid van de bestrijding van deze misdrijven te vergroten. Derhalve mag deze regeling geen afbreuk doen aan de in de richtlijn vastgelegde beginselen inzake de meldingsplicht van de eraan onderworpen entiteiten, noch afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande vormen van samenwerking en gegevensuitwisseling tussen de FIE’s.

Voorts onderzoekt het Hof of de Spaanse regeling verenigbaar is met de vrijheid van dienstverrichting. Het Hof is van oordeel dat zij deze vrijheid beperkt doordat zij moeilijkheden en extra kosten ten gevolge heeft. Bovendien kan deze regeling bovenop de controles komen die reeds worden uitgevoerd in de lidstaat waar de betrokken vestiging zich bevindt, waardoor deze vestiging wordt ontmoedigd om deze activiteiten uit te oefenen.

Deze beperking van de vrijheid van dienstverrichting kan echter worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, zoals de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Derhalve moet de nationale rechter nagaan of de betrokken regeling geschikt is om deze doelstelling te bereiken, en in het bijzonder of zij Spanje in staat stelt doeltreffend toezicht uit te oefenen op verdachte financiële transacties door kredietinstellingen die hun diensten op het nationale grondgebied verrichten, de uitvoering van deze transacties daadwerkelijk op te schorten en, in voorkomend geval, de verantwoordelijke personen te vervolgen en te bestraffen. Dienaangaande merkt het Hof op dat deze regeling Spanje de mogelijkheid biedt toezicht uit te oefenen op alle op zijn grondgebied door kredietinstellingen uitgevoerde financiële transacties, ongeacht de door hen gekozen vorm voor hun dienstverrichtingen, hetgeen een geschikte maatregel is om doeltreffend en coherent de nagestreefde doelstelling te bereiken.

De nationale rechter moet voorts nagaan of deze regeling zonder discriminatie wordt toegepast en of zij evenredig is, dat wil zeggen geschikt om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te waarborgen zonder verder te gaan dan voor de verwezenlijking van deze doelstelling noodzakelijk is. Derhalve zou de regeling onevenredig zijn indien het samenwerkingsmechanisme tussen de FIE’s van de verschillende lidstaten de Spaanse FIE reeds in staat stelde de vereiste informatie te verkrijgen via de FIE van de lidstaat waar de kredietinstelling zich bevindt.

Dienaangaande merkt het Hof op dat het mechanisme van samenwerking tussen de FIE’s bepaalde leemtes vertoont. In het bijzonder zijn er belangrijke uitzonderingen op de verplichting voor de aangezochte FIE om de gevraagde informatie aan de verzoekende FIE te verstrekken. Een FIE kan immers weigeren inlichtingen te verstrekken die in de lidstaat een gerechtelijk onderzoek kunnen belemmeren, of wanneer de verstrekking duidelijk niet in verhouding zou staan tot de legitieme belangen van een persoon of de betrokken lidstaat, of nog wanneer met die verstrekking de fundamentele beginselen van het nationale recht zouden worden geschonden. Bovendien moeten de autoriteiten voor de bestrijding van het witwassen van geld zo snel mogelijk reageren, maar er is geen termijn gesteld waarbinnen de gevraagde informatie moet worden verstrekt, en evenmin is voorzien in een sanctie in geval van ongerechtvaardigde weigering door de aangezochte FIE om de gevraagde informatie te verstrekken. Voorts leidt gebruikmaking van dit mechanisme van samenwerking tot bijzondere moeilijkheden met betrekking tot activiteiten die in het kader de vrijheid van dienstverrichting worden uitgeoefend. Bij gebreke, ten tijde van de feiten, van een doeltreffend mechanisme ter verzekering van een volledige samenwerking tussen de FIE’s dat de mogelijkheid biedt het witwassen van geld en de financiering van terrorisme even doeltreffend te bestrijden, is deze regeling derhalve een evenredige maatregel.

Print Friendly and PDF ^

Het ne bis in idem-beginsel staat er niet aan in de weg dat een lidstaat voor dezelfde feiten (niet-nakoming aangifteverplichtingen BTW) een fiscale sanctie en een strafrechtelijke sanctie oplegt voor zover de eerste sanctie geen strafrechtelijke sanctie is

Hof van Justitie EU 26 februari 2013, C‑617/10 (Fransson) Essentie

  • Het in art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde ne bis in idem-beginsel staat niet eraan in de weg dat een lidstaat voor dezelfde feiten, te weten niet-nakoming van aangifteverplichtingen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, achtereenvolgens een fiscale sanctie en een strafrechtelijke sanctie oplegt voor zover – hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat – de eerste sanctie geen strafrechtelijke sanctie is.
  • Het Unierecht regelt niet de verhouding tussen het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de rechtsordes van de lidstaten en bepaalt evenmin welke gevolgen de nationale rechter moet verbinden aan een conflict tussen de door dat verdrag gewaarborgde rechten en een regel van nationaal recht.
  • Het Unierecht staat in de weg aan een rechterlijke praktijk die aan de verplichting voor de nationale rechter om een bepaling die in strijd is met een door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgd grondrecht buiten toepassing te laten, de voorwaarde verbindt dat deze strijdigheid duidelijk uit de bewoordingen van het Handvest of de daarop betrekking hebbende rechtspraak blijkt, aangezien deze praktijk de nationale rechter de macht ontzegt om, in voorkomend geval in samenwerking met het Hof, volledig te beoordelen of die bepaling verenigbaar is met het Handvest.

Feiten

Åkerberg Fransson is op 9 juni 2009 opgeroepen om te verschijnen voor het Haparanda tingsrätt, met name om zich te verantwoorden voor belastingfraude. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij in zijn belastingaangiftes voor de belastingjaren 2004 en 2005 onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, waardoor de schatkist ontvangsten in de vorm van inkomstenbelasting en belasting over de toegevoegde waarde (btw) is misgelopen ten bedrage van 319 143 SEK voor het belastingjaar 2004 (waarvan 60 000 SEK btw) en 307 633 SEK voor het belastingjaar 2005 (waarvan 87 550 SEK btw). Åkerberg Fransson wordt ook ervan beschuldigd dat hij de werkgeversbijdragen voor de referentietijdvakken van oktober 2004 en oktober 2005 niet heeft aangegeven, waardoor de instellingen van sociale zekerheid ontvangsten ten bedrage van respectievelijk 35 690 SEK en 35 862 SEK zijn misgelopen. Volgens de akte van inbeschuldigingstelling is sprake van ernstige strafbare feiten omdat het om aanzienlijke bedragen gaat en de inbreuken zijn gepleegd in het kader van een stelselmatige criminele activiteit op grote schaal.

Bij beslissing van 24 mei 2007 heeft het Skatteverk Åkerberg Fransson voor het belastingjaar 2004 als boete aangeslagen voor 35 542 SEK aan belasting over zijn bedrijfsinkomsten, 4 872 SEK aan btw en 7 138 SEK aan werkgeversbijdrage. Bij dezelfde beslissing heeft het Skatteverk hem ook voor het belastingjaar 2005 aangeslagen voor 54 240 SEK aan belasting over zijn bedrijfsinkomsten, 3 255 SEK aan btw en 7 172 SEK aan werkgeversbijdrage. Over die bedragen was rente verschuldigd. Tegen die boetes is geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter. De termijn daartoe is verstreken op 31 december 2010 voor het belastingjaar 2004 en op 31 december 2011 voor het belastingjaar 2005. Aan de beslissing waarbij de fiscale sancties zijn opgelegd, lagen dezelfde feiten, te weten het verstrekken van onjuiste inlichtingen, ten grondslag als die waarop het openbaar ministerie de strafzaak in het hoofdgeding baseert.

Voor de verwijzende rechter rijst de vraag of de vordering tegen Åkerberg Fransson moet worden afgewezen op grond dat hij in het kader van een andere procedure voor dezelfde feiten reeds is bestraft, zodat anders het verbod van dubbele bestraffing dat is neergelegd in art. 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM en in art. 50 van het Handvest zou worden overtreden.

Prejudiciële vragen

Het Haparanda tingsrätt heeft aan het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Het Zweedse recht vereist een duidelijke grondslag in het EVRM of de rechtspraak van het EHRM voor het buiten toepassing laten door een nationale rechter van nationale bepalingen die schending kunnen opleveren van het ne bis in idem-beginsel in de zin van art. 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM en dus ook van art. 50 van het Handvest. Is een dergelijke nationaalrechtelijke voorwaarde voor het buiten toepassing laten van nationale bepalingen verenigbaar met het Unierecht en in het bijzonder met de algemene beginselen ervan, waaronder de voorrang en de directe werking van het Unierecht?
  2. Valt strafvervolging wegens belastingfraude binnen het ne bis in idem-beginsel in de zin van art. 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM en art. 50 van het Handvest, wanneer de verweerder voorheen in een bestuurlijke procedure een geldboete (belastingtoeslag) is opgelegd voor het verstrekken van dezelfde onjuiste inlichtingen?
  3. Is voor het antwoord op de tweede vraag van belang dat deze sancties aldus moeten worden gecoördineerd dat de gewone rechter de straf in de strafprocedure kan verminderen gelet op de aan verweerder voor het verstrekken van dezelfde onjuiste inlichtingen reeds opgelegde belastingtoeslag?
  4. In bepaalde omstandigheden kan het in het kader van het ne bis in idem-beginsel toegestaan zijn dat in een nieuwe procedure verder sancties worden opgelegd wegens feiten waarvoor de betrokkene reeds is bestraft. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is aan de voorwaarden krachtens het ne bis in idem-beginsel voor de oplegging van verschillende sancties in afzonderlijke procedures voldaan wanneer in de latere procedure de feiten van de zaak opnieuw en zelfstandig worden onderzocht?
  5. Het Zweedse stelsel waaronder de oplegging van belastingboetes en de aansprakelijkstelling voor belastingfraude het voorwerp zijn van afzonderlijke procedures, is gemotiveerd door een aantal redenen van algemeen belang. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan een stelsel als het Zweedse verenigbaar met het ne bis in idem-beginsel, wanneer een stelsel zou kunnen worden ingevoerd dat niet onder het ne bis in idem-beginsel zou vallen, zonder dat zou hoeven te worden afgezien van de oplegging van belastingboetes of van aansprakelijkstelling voor belastingfraude, doordat in geval van belastingfraude de beslissing over de oplegging van een belastingboete van het Skatteverk en in voorkomend geval van de bestuursrechter wordt opgedragen aan de gewone rechter?”

Beantwoording vragen door het Hof

Tweede, derde en vierde vraag

Toepassing van het in art. 50 van het Handvest neergelegde ne bis in idem-beginsel op strafvervolging wegens belastingfraude zoals aan de orde in het hoofdgeding, veronderstelt dat de maatregelen die reeds tegen de verdachte zijn getroffen bij een definitief geworden beslissing, strafrechtelijke maatregelen zijn.

In dit verband moet om te beginnen erop worden gewezen dat art. 50 van het Handvest niet eraan in de weg staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten, te weten niet-nakoming van aangifteverplichtingen op btw-gebied, een combinatie van fiscale en strafrechtelijke sancties oplegt. Om te garanderen dat alle btw-ontvangsten worden geïnd, en daardoor de financiële belangen van de Unie te beschermen, zijn de lidstaten immers vrij in hun keuze van de op te leggen sancties. Het kan dus gaan om bestuurlijke sancties, strafrechtelijke sancties of een combinatie van beide. Slechts wanneer de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van art. 50 van het Handvest en definitief is geworden, staat deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten strafvervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon.

Vervolgens zij eraan herinnerd dat drie criteria relevant zijn om te beoordelen of fiscale sancties strafrechtelijke sancties zijn. Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, het tweede de aard van de inbreuk en het derde de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.

Het staat aan de verwijzende rechter om tegen de achtergrond van die criteria te beoordelen of de in de nationale regelgeving voorgeschreven combinatie van fiscale en strafrechtelijke sancties moet worden getoetst aan de nationale maatstaven. In voorkomend geval kan hij – op voorwaarde dat de overblijvende sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn – tot het oordeel komen dat deze combinatie in strijd is met deze maatstaven.

Blijkens het voorgaande moet op de tweede, de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat het in art. 50 van het Handvest neergelegde ne bis in idem-beginsel niet eraan in de weg staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten, te weten niet-nakoming van aangifteverplichtingen op btw-gebied, achtereenvolgens een fiscale sanctie en een strafrechtelijke sanctie oplegt voor zover – hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat – de eerste sanctie geen strafrechtelijke sanctie is.

Vijfde vraag

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van de procedure van art. 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter, aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.

Het vermoeden van relevantie dat rust op de prejudiciële vragen die de nationale rechter heeft gesteld, kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden weerlegd, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de nationale wettelijke regeling waarop de verwijzende rechter doelt, niet de in het hoofdgeding toepasselijke regeling is en op het ogenblik niet bestaat in de Zweedse rechtsorde.

De vijfde vraag moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien het Hof in het kader van art. 267 VWEU tot taak heeft bij te dragen tot de rechtsbedeling in de lidstaten en niet adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te geven.

Eerste vraag

Aangaande om te beginnen de gevolgen die de nationale rechter verbinden aan een conflict tussen het nationale recht en het EVRM, moet eraan worden herinnerd dat hoewel de door het EVRM gewaarborgde grondrechten, zoals art. 6, lid 3, VEU bevestigt, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie en hoewel art. 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend, dit laatste, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is. Bijgevolg regelt het Unierecht niet de verhouding tussen het EVRM en de rechtsordes van de lidstaten en bepaalt het evenmin welke gevolgen de nationale rechter moet verbinden aan een conflict tussen de door dat verdrag gewaarborgde rechten en een regel van nationaal recht.

Wat vervolgens de gevolgen betreft die de nationale rechter moet verbinden aan een conflict tussen bepalingen van zijn nationaal recht en door het Handvest gewaarborgde rechten, is het vaste rechtspraak dat de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing moet laten, zonder dat hij hoeft te vragen of af te wachten dat deze eerst door de wetgever of door enige andere constitutionele procedure wordt ingetrokken.

Voorts heeft een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is, indien de betekenis of de draagwijdte van dat recht onduidelijk is, krachtens art. 267 VWEU de mogelijkheid of in voorkomend geval de verplichting om zich tot het Hof te wenden met vragen over de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht.

Bijgevolg staat het Unierecht in de weg aan een rechterlijke praktijk die aan de verplichting voor de nationale rechter om een bepaling die in strijd is met een door het Handvest gewaarborgd grondrecht buiten toepassing te laten, de voorwaarde verbindt dat deze strijdigheid duidelijk uit de bewoordingen van het Handvest of de daarop betrekking hebbende rechtspraak blijkt, aangezien deze praktijk de nationale rechter de macht ontzegt om, in voorkomend geval in samenwerking met het Hof, volledig te beoordelen of die bepaling verenigbaar is met het Handvest.

 

 

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Moet een kredietinstelling de uit hoofde van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme vereiste informatie verstrekken aan de financiële‑inlichtingeneenheid van de lidstaat waar zij haar diensten verricht of aan die van de lidstaat waar zij gevestigd is?

Conclusie van AG Y. Bot d.d. 4 oktober 2012 in de zaak C‑212/11 Jykse Bank Gibraltar  Aan het Hof van Justitie is de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Kan een lidstaat op grond van artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60 (...) eisen dat de informatie die moet worden verstrekt door de kredietinstellingen die op zijn grondgebied actief zijn zonder er een vaste inrichting te hebben, dwingend en rechtstreeks wordt verstrekt aan zijn eigen autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld, of moet in plaats daarvan het informatieverzoek worden ingediend bij de financiële‑inlichtingeneenheid van de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangezochte kredietinstelling zich bevindt?”

Deze vraag is gerezen in een geding tussen, oorspronkelijk, de Servicio Ejecutivo de la Comisión de Prevención del Blanqueo de Capitales e infracciones Monetarias (de Spaanse financiële‑inlichtingeneenheid), en Jyske Bank Gibraltar Ltd, een kredietinstelling die haar activiteiten uitoefent in Spanje in het kader van het vrij verkeer van diensten, maar in Gibraltar gevestigd is.

De Spaanse Ministerraad heeft Jyske een geldboete van 1.700.000 euro opgelegd, omdat zij heeft geweigerd de door de Servicio Ejecutivo gevraagde informatie met betrekking tot bepaalde verdachte financiële transacties te verstrekken. Voor de nationale autoriteiten heeft Jyske betoogd, een dergelijke informatieverplichting enkel ten opzichte van de financiële‑inlichtingeneenheid van het gebied van vestiging te hebben, te weten Gibraltar, zulks overeenkomstig artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60.

In de onderhavige zaak wenst het Tribunal Supremo (Spanje), voor welke rechterlijke instantie Jyske de haar opgelegde boete betwist, van het Hof te vernemen of de nationale regeling in overeenstemming is met het Unierecht, voor zover de Spaanse bepalingen voorschrijven dat kredietinstellingen die op Spaans grondgebied actief zijn in het kader van het vrije verkeer van diensten de voor de bestrijding van de financiële criminaliteit vereiste informatie rechtstreeks aan de nationale financiële‑inlichtingendienst moeten verstrekken.

AG Bot: Artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat die kredietinstellingen verplicht de uit hoofde van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme vereiste informatie rechtstreeks aan de financiële‑inlichtingeneenheid van die lidstaat te verstrekken, wanneer deze kredietinstellingen hun activiteiten op het nationale grondgebied uitoefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.

In elk geval moet artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen een dergelijke regeling indien deze gerechtvaardigd wordt door een dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken, niet verder gaat dan hetgeen nodig om dit doel te bereiken en op niet‑discriminerende wijze wordt toegepast.

Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of, rekening houdend met het navolgende, aan deze voorwaarden is voldaan:

  • Gelet op de risico’s van de financiële criminaliteit voor de integriteit van de financiële markt mag een lidstaat, ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, informatie over verdachte financiële transacties eisen van kredietinstellingen die op het nationale grondgebied hun diensten verrichten.
  • Een dergelijke regeling is geschikt om dit doel te bereiken, wanneer zij de lidstaat in staat stelt doeltreffend toezicht uit te oefenen op verdachte financiële transacties door kredietinstellingen die hun diensten op het nationale grondgebied verrichten, de uitvoering van deze transacties daadwerkelijk op te schorten en, in voorkomend geval, de verantwoordelijken te vervolgen en te bestraffen.
  • De oplegging van deze verplichting aan kredietinstellingen die hun activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten uitoefenen, kan een evenredige maatregel ter bereiking van dit doel zijn bij gebreke van een doeltreffend mechanisme ter verzekering van een volledige samenwerking tussen de financiële‑inlichtingeneenheden, zoals ten tijde van de feiten van het hoofdgeding het geval was.
  • Een dergelijke regeling is als zodanig niet discriminerend.

 

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^

EU-Gerecht: opgelegde boetes in het bitumenkartel grotendeels gegrond

Het EU-Gerecht heeft op 27 september jl. uitspraak gedaan in 16 zaken die betrekking hadden op boetes opgelegd naar aanleiding van het bitumenkartel. Tussen 1994 en 2002 zou het bitumenkartel de Nederlandse wegenbouwmarkt beheerst hebben. Aan dit kartel namen 14 Nederlandse ondernemingen deel. Door het onderling geven van kortingen aan ondernemingen die deelnamen aan het kartel zou de Nederlandse Staat tussen EUR  200 en 300 miljoen teveel betaald hebben voor de bouw van wegen.

Het door de Europese Commissie in 2006 opgelegde boetebedrag liep op tot in totaal EUR 266,7 miljoen. De betrokken ondernemingen zijn afzonderlijk tegen de boete in beroep gegaan.

In 2 van de 16 zaken heeft het Gerecht de door de Commissie opgelegde boete verlaagd. Het Gerecht vond dat de Commissie niet voldoende had bewezen dat Shell de aanstichter was van het kartel. Ook vond het Gerecht dat Ballast Nedam Infra BV gelet op de zwaarte van de inbreuk een te hoge boete had gekregen.

Klik hier, hier en hier voor de beschikkingen.

 

Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken

Print Friendly and PDF ^