Wordt er teveel getapt door politie en Justitie?

Begin november berichtte NOS dat politie en justitie – procureur-generaal Marc van Nimwegen – onnodig veel telefoons en dataverkeer aftappen. Volgens Van Nimwegen gaat het beleid ten koste van de opsporingscapaciteit en de kwaliteit van het opsporingswerk. Hij deed zijn uitspraken tijdens de viering van het 75-jarig bestaan van het Tijdschrift voor de Politie.

Naar aanleiding van dit bericht zijn door Tweede Kamerlid Recourt (PvdA) vragen gesteld aan de Minister van Veiligheid en Justitie.

Opstelten reageert – onder verwijzing naar een vorig jaar uitgevoerd onderzoek van het WODC – dat hij de overtuiging heeft “dat er een zorgvuldige afweging wordt gemaakt van nut en noodzaak bij de inzet van een telefoon- en internettap”.

“Bij het inzetten van een tap moet zijn voldaan aan de voorwaarden uit artikel 126m of 126t Wetboek van Strafvordering. (…) Deze criteria en procedure gelden teneinde de inbreuk op de privacy die het gevolg is van de tap zo beperkt mogelijk te houden.”

Volgens de Minister moeten de uitspraken van de procureur-generaal gezien worden in de context van het debat over doelmatigheid, selectiviteit en het benutten van bevoegdheden in de opsporing. “De procureur-generaal beoogde met opmerking dat er “onnodig en lang inbreuk wordt gemaakt op iemands privacy” duidelijk te maken dat het verder ontwikkelen en breder toepassen van andere opsporingsbevoegdheden en -strategieën een deel van het gebruik van taps en de daarmee gepaard gaande inbreuken op privacy overbodig zou kunnen maken.
Net als de onderzoekers van het WODC concludeert de procureur-generaal dat de tap een waardevolle opsporingsbevoegdheid is en dat de uitwerking van tapgesprekken arbeidsintensief is. De procureur-generaal heeft benadrukt dat het van belang is er alert op te blijven dat de arbeidsintensiviteit wordt betrokken bij de afwegingen over de inzet van taps. Voorts heeft hij gezegd dat het vele tappen soms ten koste gaat van de kwaliteit van de uitwerking van de getapte gegevens.”

Volgens de Minister wordt er voldoende gekeken naar alternatieven voor het aftappen van telefoons en dataverkeer. “Daarbij is van belang dat met de inzet van de verschillende opsporingsbevoegdheden verschillende doelen worden gediend. Verder is relevant dat bij het afwegen van de inzet van een opsporingsbevoegdheid rekening wordt gehouden met het feit dat een alternatieve (bijzondere) opsporingsbevoegdheid meer voorbereidingstijd kan vergen, waardoor de kans groter wordt dat kostbare tijd en informatie verloren gaan. Daarnaast kunnen deze andere opsporingsbevoegdheden een groter afbreukrisico hebben.
In het rapport in reactie op het WODC-onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat opsporingsbevoegdheden zoals observatie, stelselmatige informatie-inwinning en infiltratie niet zonder meer als gelijkwaardig alternatief kunnen dienen voor een tap.”

Het is volgens hem dan ook niet nodig de wetgeving aan te passen teneinde het veelvuldig aftappen in te tomen. “Door de inzet van taps te toetsen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldoende gewaarborgd dat niet lichtvaardig naar dit middel wordt gegrepen.”

Opstelten concludeert, mede uit het WODC-onderzoek, dat de tap in Nederland een opsporingsmiddel is dat zijn nut ruimschoots heeft bewezen. “Tappen levert een waardevolle bijdrage aan het inwinnen van informatie over verdachten en relaties tussen verdachten onderling en met derden. In dat verband speelt de tap een belangrijke rol in de sturing van het opsporingsonderzoek. De resultaten van het tappen moeten daarnaast worden gezien in samenhang met andere opsporingsmethoden, zoals het horen van getuigen en verdachten en observatie.”

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF