Veroordeling voormalig clustermanager Beheer & Onderhoud gemeente Haarlemmermeer

Rechtbank Noord-Holland 1 mei 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3801 Ontvankelijkheid OM ivm eerdere berisping

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 3 en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte reeds in 2007 een berisping van de gemeente Haarlemmermeer heeft gekregen voor het opmaken van de betreffende factuur. De berisping is in het personeelsdossier van verdachte gevoegd en vervolgens in 2009 – op verzoek van verdachte – uit het personeelsdossier verwijderd. Daarmee was de zaak afgedaan en het geeft daarom geen pas verdachte – jaren later – voor dit feit alsnog te vervolgen.

De rechtbank begrijpt dit verweer van de raadsman van verdachte aldus dat hij betoogt dat in strijd met het vertrouwensbeginsel is gehandeld nu verdachte in de veronderstelling verkeerde dat na verwijdering van de berisping uit zijn personeelsdossier, de zaak was afgedaan en hij niet alsnog door het Openbaar Ministerie voor dit feit vervolgd zou worden.

Dit verweer kan echter reeds niet slagen nu – als al sprake is van opgewekt vertrouwen – dit vertrouwen niet door het Openbaar Ministerie is opgewekt, maar door een ander overheidsorgaan. Dit andere overheidsorgaan, in casu de gemeente Haarlemmermeer, opereert geheel buiten de sfeer van opsporing en vervolging en roept geen aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen schijn van bevoegdheid op. Het verweer wordt dan ook verworpen nu niet gebleken is van enige strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte valse informatie heeft verstrekt ter verkrijging van zijn aanstelling bij de gemeente Haarlemmermeer. Verdachte is per brief van 14 september 2006 het besluit medegedeeld hem als ambtenaar bij voornoemde gemeente aan te stellen en hij is per 1 december 2006 bij de gemeente in dienst getreden. Op 15 januari 2007 heeft verdachte de ambtsbelofte afgelegd. Na zijn benoeming is verdachte gevraagd, in verband met de vaststelling van zijn pensioendatum en jubileumdata, een aanvullend informatieformulier in te vullen en daarbij stukken in te leveren die zien op vorige overheidsdienstbetrekkingen. Genoemd informatieformulier is gedateerd 25 september 2006 en bij dit formulier heeft verdachte het (vervalste) ontslagbesluit van de gemeente Son en Breugel ingeleverd. Op dat moment was hij derhalve reeds aangesteld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ter verkrijging van zijn aanstelling valse informatie heeft verstrekt. Verdachte dient daarom van dit ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Partiële vrijspraak feit 4

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 ten laste is gelegd voor zover het betreft de inhuur van ontvanger 2 en de inhuur van ontvanger 8 en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat nu niet is gebleken dat bestuurder rechtstreekse zeggenschap als feitelijk leidinggevende heeft of dat hij invloed kan uitoefenen en beslissingsbevoegd is bij Engenius B.V en/of bij BV 6, niet overtuigend en wettig bewezen kan worden dat verdachte zich bij de inhuur bij deze bedrijven zich heeft laten bewegen door giften van bestuurder.

Veroordeling omkoping

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte grote betalingen ontvangen, zonder dat daar een serieuze prestatie tegenover stond. De uren die hij door middel van de facturen van BV 4 en BV 8 in rekening bracht bij bestuurder en BV 3, kan hij niet gemaakt hebben. De nadere verklaring van getuige 7, die door de verdediging op 17 februari 2015 is ingestuurd, waarin zij deels op haar eerder afgelegde verklaring terugkomt, acht de rechtbank niet geloofwaardig, te meer nu haar eerste verklaring ondersteund wordt door hetgeen getuige 8 hierover heeft verklaard.

De rechtbank concludeert hieruit dat de verklaring omtrent de omvang van zijn werkzaamheden en dus de facturen, waarin die uren verantwoord zijn volstrekt ongeloofwaardig zijn en slechts tot doel hebben de werkelijkheid te verhullen. Daar komt nog bij dat de tegenprestatie van verdachte voor een deel uit niet fysieke producten bestond en naar zijn verklaring mondelinge adviezen betroffen aan bestuurder, die hij dan dagelijks 2 à 3 (volgens bestuurder) of 3 à 4 uur (volgens verdachte) tijdens ontmoetingen in de lobby van hotels overbracht. Niet is gebleken dat bestuurder aantekeningen heeft gemaakt met betrekking tot die adviezen of op enige andere wijze heeft gedocumenteerd. Voor zover de tegenprestatie wel bestond uit een fysiek product, bestond dat product uit een rapport dat geheel of nagenoeg geheel was gekopieerd uit andere documenten die hij veelal van het internet heeft gehaald. De bewerking door verdachte bestond uit het verwijderen van passages. Niet is gebleken dat er passages in zijn rapporten aanwezig zijn die van de hand van verdachte zijn. verdachte en zijn raadsman hebben ook niets kunnen tonen als een door verdachte opgestelde passage. De handelwijze van verdachte kenmerkt zich door een vast patroon, welk patroon ook is terug vinden bij de transacties die verdachte met medeverdachte 1 heeft gedaan, waarover de rechtbank bij feit 5 komt te spreken. Kenmerk van het gestelde werk van verdachte is dat het niet of nauwelijks controleerbaar is.

De rechtbank trekt uit het bovenstaande de conclusie dat verdachte en bestuurder hebben willen verhullen dat verdachte giften heeft aangenomen, waarvoor als tegenprestatie bestuurder en zijn bedrijven al dan niet reële opdrachten werden gegund.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte zich niet heeft laten bewegen opdrachten aan BV 2 en BV 3 te verstrekken, omdat hij – kort en zakelijk weergegeven – daartoe geen mogelijkheden zou hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt de weerlegging van dit verweer uit de gebezigde bewijsmiddelen. Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat verdachte bij het verstrekken van opdrachten een bepalende invloed had. Daarnaast is van enkele opdrachten gebleken dat de aanbestedingsregels niet zijn gevolgd, terwijl bij andere opdrachten niet is gebleken dat deze regels wel zijn gevolgd. In samenhang bezien leidt dit tot het oordeel dat verdachte wel degelijk is bewogen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.

In het geval een ambtenaar zich bij de uitoefening van discretionaire bevoegdheden niet onpartijdig en objectief opstelt maar zich laat leiden door giften is sprake van strijd met zijn plicht.

De giften van bestuurder aan BV 4 hebben naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel gehad dan te bewerkstelligen dat bestuurder werkopdrachten of opdrachten voor de inhuur van personeel van de gemeente Haarlemmermeer zou krijgen. Nu verdachte en bestuurder de feitelijke leidinggevenden en uitvoerders waren is de conclusie van de rechtbank dat beide verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan ambtelijke omkoping en dat het oogmerk van beiden bij hun gezamenlijke transacties daar ook op gericht is geweest, nu het niet anders kan zijn dat verdachte en bestuurder wisten dat hun transacties tot doel hadden de werkelijkheid te verhullen. Door zo te handelen wordt op andere dan zakelijke gronden voorbijgegaan aan de concurrentie belangen van andere consultancy bedrijven en wordt bestuurder een voorkeursbehandeling gegeven.

Feit 5

Ten aanzien van het aanvaarden van giften

Blijkens de eerste door verdachte ingezonden factuur heeft hij met betrekking tot de eerste opdracht werkzaamheden verricht in juli en augustus 2009. verdachte heeft hiervoor een rapport van 15 bladzijden geleverd. Dit rapport is samengesteld uit passages die afkomstig zijn van een kort daarvoor door BV 11 BV aan de gemeente afgeleverd 31 pagina’s tellend rapport genaamd: “Integraal beheerkwaliteitplan”. De rechtbank stelt vast dat de tekst van het rapport van verdachte nagenoeg geheel afkomstig is van het door BV 11 BV opgestelde rapport. verdachte heeft BV 7 een prijs in rekening gebracht van € 23.841,65 die gebaseerd is op 206 uren aan werkzaamheden. Bij de doorzoeking bij BV 7 is het rapport van verdachte niet aangetroffen. Met betrekking tot de vraag aan medeverdachte 1 wat de aanleiding was voor de opdracht en waarvoor het rapport gebruikt is, is geen concreet antwoord gekomen. De rechtbank concludeert uit al het voorgaande dat hier materieel sprake is van een gift en dat het rapport dat verdachte heeft opgesteld uitsluitend de functie had om de werkelijkheid te verhullen. Gelet op de aanvang van de werkzaamheden, juli 2009, en dat medeverdachte 1 voor die datum verdachte niet eerder ontmoet had, kan het niet anders dan dat die opdrachten rechtstreeks zijn voortgevloeid uit afspraken die zijn gemaakt tijdens de gezamenlijke lunch op 11 juni 2009.

De betaling van € 28.675,43 van BV 7 op rekening van BV 4 is gebaseerd op een mondelinge opdracht zonder afspraken over prijs en datum levering van de tegenprestatie. verdachte heeft hiervoor geen fysiek product afgeleverd en omschrijft, net als medeverdachte 1, zijn tegenprestatie als het geven van adviezen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte, zoals hij heeft verklaard 183 uren bezig is geweest met onderzoek en advisering ten behoeve van BV 7 terwijl dat geen enkel bewijs van inspanning van de zijde van verdachte of enig ander resultaat heeft opgeleverd en de rechtbank ziet de betaling dan ook als een gift.

Op 17 december 2009 wordt op de rekening van BV 4 € 53.864,43 bijgeschreven van de rekening van BV 7 ter betaling van de factuur van 7 december 2009 met omschrijving “Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland”. Volgens medeverdachte 1 is hier niks van terecht gekomen en heeft hij dit bedrag ten onrechte betaald. medeverdachte 1 verklaarde dat BV 4 personeel aan BV 7 ter beschikking zou stellen dat BV 7 nodig had om de opdracht van De Waterwolf met betrekking tot de uitvoering van het verhardingsmaatregelenpakket uit te voeren. De opdracht daartoe is echter pas op 16 december 2009 aan BV 7 verstrekt. Het is onbegrijpelijk dat medeverdachte 1 € 53.864,43 betaalt aan BV 4 voor de inhuur van personeel via BV 4 voor werkzaamheden waarvoor medeverdachte 1 nog geen opdracht heeft ontvangen. In het licht van alle voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat ook hier materieel sprake is van een gift en dient hetgeen door medeverdachte 1 en verdachte wordt verklaard eveneens ter verhulling van de werkelijke aard van de betaling.

Ten aanzien van het bewogen worden iets te doen of na te laten

Blijkens het onderzoek van Ernst & Young heeft BV 7 in 2009 totaal € 495.000 aan facturen verzonden aan De Waterwolf, waarvan voor ongeveer € 340.000 in de laatste twee maanden. Daarnaast is BV 7 op 16 december 2009 door De Waterwolf een opdracht gegund ter grootte van € 533.200. Gelet op de verklaringen van getuige 21 en getuige 20 wist De Waterwolf dat de opdrachten van de gemeente Haarlemmermeer met betrekking tot de openbare ruimte bij haar terecht zouden komen. BV 7 wist op haar beurt dat De Waterwolf de werkzaamheden naar haar zou doorzetten. De giften van BV 7 aan BV 4 hebben naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel gehad dan te bewerkstelligen dat BV 7 de opdrachten, die de gemeente Haarlemmermeer aan De Waterwolf verstrekte, geheel of gedeeltelijk mocht uitvoeren. Aldus heeft verdachte in strijd met zijn plicht als ambtenaar gehandeld, welke plicht onder meer inhoudt dat de ambtenaar integer handelt, neutraal te werk gaat en aan anderen geen persoonlijke voorkeurspositie toekent en nog minder, dat hij zich laat betalen om aan een ander een opdracht te gunnen of te laten gunnen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift;
  • Feit 3: medeplegen van valsheid in geschrift;
  • Feit 4: als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 5: als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 6: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Zeer ernstig acht de rechtbank de vaststelling dat verdachte op grote schaal en gedurende geruime tijd zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke corruptie en daar anderen bij betrokken heeft.

De rechtbank moet voorts vaststellen dat de eerder door de rechtbank ’s-Hertogenbosch opgelegde gevangenisstraf voor ambtelijke corruptie verdachte er niet van heeft weerhouden zich op dezelfde wijze te misdragen. Verdachte heeft alle ten laste gelegde feiten die zien op de ambtelijke corruptie ontkend, vaak tegen beter weten in. Dit rechtvaardigt de conclusie dat verdachte niet de ernst en laakbaarheid inziet van zijn gedrag.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF