Vastgoedfraude Bouwfonds: twee faciliterende verdachten veroordeeld tot gevangenisstraf

Het gerechtshof Amsterdam heeft vandaag de twee verdachten R.G. W en C.H.M. M , projectontwikkelaars uit Capelle aan den IJssel, veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Het hof acht bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan –kortweg- het met hun bedrijf meermalen plegen van valsheid in geschrift en witwassen, en deelneming aan een criminele organisatie waarvan onder meer de directeur van Bouwfonds (Van V.) deel uitmaakte.

Aard van de fraude

In overeenkomsten die directeur Van V. namens Bouwfonds aanging met een vennootschap van de verdachten zijn de op grond van die overeenkomsten door Bouwfonds  aan de vennootschap van de verdachten te betalen geldbedragen dusdanig  verhoogd, dat onder de onderneming van de verdachten een aanzienlijke financiële ruimte – een geldpot –  ontstond. Dat geld is vervolgens door (ondermeer) facturen van derden-ondernemingen aan, en overeenkomsten met vennootschappen van de verdachten weer onttrokken aan die onderneming.  Daarnaast zijn valse overeenkomsten en brieven opgesteld, die de valse facturen een legitiem karakter moesten verschaffen. Het op deze wijze, ten nadele van Bouwfonds weggesluisde geld is (ondermeer) ten goede gekomen aan deze Van V. en anderen, die in die tijd al dan niet gedurende een bepaalde periode, in dienst waren van Bouwfonds.

Betrokkenheid verdachten bij de vastgoedfraude

Het hof acht niet bewezen (anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal) dat deze twee verdachten al in 1999 bij het sluiten van overeenkomsten tussen hun vennootschap en het Bouwfonds de intentie hadden mee te werken aan de fraude die als “het vastgoedfraudeschandaal”  bekend is geraakt. Zij zijn in zoverre misleid dat de methodiek en de omvang van de vastgoedfraude die door Van V. werd aangestuurd, voor hen werd verbloemd en verpakt in op het oog onschuldig ogende zakelijke transacties. In een later stadium, vanaf augustus 2000, hebben verdachten wel geweten dat door tussenkomst van hun vennootschap grote geldbedragen werden weggesluisd waardoor het Bouwfonds ernstig werd benadeeld.

Valsheid in geschrift

Vanaf de beginperiode hebben de verdachten op voorstel van Van V. en anderen overeenkomsten, facturen en brieven valselijk opgemaakt door deze bijvoorbeeld te antedateren of daarin intenties over bouwprojecten vast te leggen die geen relatie hadden met de werkelijkheid. Ook los van wetenschap van de vastgoedfraude is dit strafbaar frauduleus handelen dat het hof bewezen heeft verklaard. In augustus 2000 werd hen volgens het hof duidelijk dat dit alles tot doel had frauduleus geld bij het Bouwfonds weg te sluizen en dat ondermeer van V. zich hierdoor verrijkte.

Witwassen

De initiatiefnemers van de vastgoedfraude hebben gelden van het Bouwfonds weggesluisd naar het geldpotje in de vennootschap van de verdachte met de bedoeling dit voor eigen gewin aan te wenden. Dat geld was dus van misdrijf afkomstig. Dat betekent dat de handelingen die de verdachte vanaf het moment dat hij wist of moest weten dat Bouwfonds werd opgelicht, met betrekking tot dat geld heeft uitgevoerd met behulp van valse facturen, overeenkomsten en brieven witwassen opleveren.

Criminele organisatie

Het hof acht bewezen dat de verdachten van af augustus 2000 deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie waar ondermeer deze directeur van Bouwfonds deel uitmaakte. Deze organisatie was gericht op verduisteren in dienstbetrekking, valsheid in geschrift, witwassen en opzetheling.

Strafmaat

Meewerken –en wel gedurende 4,5 jaar- aan frauduleuze praktijken als gevolg waarvan Bouwfonds voor miljoenen euro’s is gedupeerd, is een zeer ernstig feit dat naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De verdachten hebben zodra zij van de malversaties op de hoogte waren, Bouwfonds of Justitie niet ingelicht. Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is geëist omdat het niet bewezen acht dat de verdachten met een vooropgezet plan aan de vastgoedfraude hebben meegewerkt. Zij zijn er op slinkse wijze ingetrokken door de initiefnemers daarvan en hebben zich niet onttrokken. De langdurige en intensieve publiciteit rond de vastgoedfraude die zich ook op de persoon van de verdachten richtte, is aanleiding tot enige matiging. Ten voordele van de verdachten heeft het hof (en de advocaat-generaal) laten meewegen dat zij na hun aanhouding in 2007 hebben meegewerkt aan het onderzoek waardoor het openbaar ministerie zicht heeft gekregen op de structuur van de fraude en de rol van personen daarbinnen. Het hof ziet hierin aanleiding de helft van de passend geachte 16 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF