Rechtbank Den Haag vernietigt arbitrale vonnissen over miljardenclaim tegen Rusland in Yukos-zaak

De rechtbank Den Haag vernietigt in totaal zes arbitrale vonnissen (drie tussenvonnissen en drie eindvonnissen) van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag. In deze zes vonnissen is Rusland destijds veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen van in totaal ongeveer 50 miljard Amerikaanse dollars aan Yukos Universal Limited, Hulley Enterprises Limited en Veteran Petroleum Limited. Deze partijen waren aandeelhouder van de gefailleerde Russische oliemaatschappij Yukos. De vernietiging van deze vonnissen door de rechtbank betekent dat Rusland geen schadevergoeding meer hoeft te betalen aan deze partijen.

Het ging hier om internationale investeringsarbitrages bij het Permanent Hof van Arbitrage op basis van het Verdrag inzake het Energiehandvest (de Energy Charter Treaty, afgekort ECT). Doordat de arbitrages in Den Haag zijn gevoerd, is de Haagse rechtbank bevoegd om te oordelen over de gevraagde vernietiging van de arbitrale vonnissen.

Toelichting oordeel: Permanent Hof van Arbitrage niet bevoegd

De rechtbank heeft de vonnissen van de internationale arbiters vernietigd op de grond dat zij niet bevoegd waren om in deze zaken als arbiters op te treden. Het ging hier om internationale investeringsarbitrages op basis van de ECT). Hierbij was een gegeven dat Rusland de ECT wel heeft ondertekend, maar niet heeft bekrachtigd.

Het Russische parlement heeft het wetsvoorstel dat voorzag in de bekrachtiging van de ECT, niet aanvaard. Tegen deze achtergrond spelen vier bepalingen van de ECT een belangrijke rol.

• Artikel 26 geeft een regeling voor geschillen tussen een buitenlandse investeerder en een staat die partij is bij het verdrag. • Artikel 39 houdt in dat het verdrag dient te worden bekrachtigd door de partijen die het verdrag hebben ondertekend. • Artikel 44 stelt de inwerkingtreding van het verdrag afhankelijk van de bekrachtiging door een bepaald aantal staten. • Artikel 45 bepaalt – in de Nederlandse vertaling – dat elke ondertekenende partij ermee instemt het verdrag “voorlopig toe te passen” in afwachting van de inwerkingtreding voor deze partij, “voor zover deze voorlopige toepassing niet strijdig is met haar constitutie, wetten of voorschriften”.

De rechtbank oordeelt dat de formulering van artikel 45 het nodig maakt om voor elk afzonderlijk artikel van de ECT te onderzoeken of de daarmee gegeven regeling al dan niet in strijd is met de Grondwet of andere regelgeving van de bewuste staat. Deze uitleg van artikel 45 wijkt af van die van de arbiters.

Mogelijkheid arbitrage in strijd met Russisch recht

De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de mogelijkheid van arbitrage op grond van artikel 26 ECT voor de geschillen waarover het in deze zaken gaat, in strijd is met het geschreven Russische recht. De investeerders hebben zich in de arbitrale procedures gekeerd tegen de gevolgen van met name belastingmaatregelen van de Russische staat tegen Yukos. Volgens de investeerders hebben deze maatregelen in feite tot een onteigening van hun aandelen zonder schadevergoeding geleid.

De rechtbank is van oordeel dat dit een geschil is waarin publiekrechtelijk handelen moet worden getoetst. Haar onderzoek naar de Russische wetgeving heeft geleid tot de bevinding dat voor onderwerping van de Russische staat aan arbitrage over dergelijke geschillen een wettelijke regeling nodig is, met instemming (bekrachtiging) door het Russische parlement. Zo’n wettelijke regeling is er echter niet; niet in algemene zin en ook niet in dit geval, gegeven het ontbreken van bekrachtiging van de ECT door de wetgevende macht.

Dit betekent dat de arbitrale clausule van artikel 26 ECT niet bij wijze van voorlopige toepassing van het verdrag gelding kan hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kon deze zaak niet aan de arbiters worden voorgelegd. De arbiters hebben zich dus ten onrechte bevoegd verklaard.

 

Lees de volledige uitspraak:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF