Rb. acht bewezen dat verdachte zich vier maal heeft schuldig gemaakt aan oplichting

Rechtbank Oost-Brabant 29 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6389

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim anderhalve maand viermaal schuldig gemaakt aan oplichting. Hij heeft de slachtoffers geraffineerd voorgelogen om de aankoop van drugs te bekostigen.

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte. Het onder feit 5 en feit 8 ten laste gelegde acht de officier van justitie door middel van een schakelbewijsconstructie met voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht het onder feit 7 ten laste gelegde niet bewezen en vordert voor dat feit vrijspraak. Als gevolg van een foutieve nummering bevat de tenlastelegging geen feit 4. Er zijn zeven feiten tenlastegelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot vrijspraak van het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6, feit 7 en feit 8 ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat deze feiten gelet op de omstandigheden niet als oplichting gekwalificeerd kunnen worden.

Subsidiair heeft de raadsman bewezenverklaring van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6 bepleit en vrijspraak van feit 5, feit 7 en feit 8 omdat verdachte deze feiten niet bekent en schakelbewijs niet toepasbaar is omdat verdachte zegt dat er nog een persoon is op wie het signalement toepasbaar is en die zich van hetzelfde verhaal bediend zou kunnen hebben omdat hij weleens meeging met verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage A (pag. 14 tot en met 17) bij dit vonnis en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot de feiten waarop deze in het bijzonder betrekking hebben.

Nadere bewijsoverweging: is er sprake van oplichting?

De verdediging heeft aangevoerd dat deze feiten gelet op de omstandigheden niet als oplichting gekwalificeerd kunnen worden. Dit standpunt wordt door de verdediging als volgt onderbouwd. In alle gevallen ging het om een voor de aangevers volslagen onbekend persoon, die bij hen aan de deur kwam en de suggestie wekte dat hij geld nodig had en vervolgens van deze mensen geld heeft gekregen. De verdediging wijst in dit verband op de noot van naam bij de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2013 (NJ 2014/13) en stelt - zakelijk weergegeven - dat niet gezegd kan worden dat een dergelijke verhaal dermate vertrouwenwekkend is, dat het begrijpelijk is dat iemand, gelet op het gezonde wantrouwen dat men geacht wordt in het maatschappelijk verkeer aan de dag te leggen, daarin trapt en geld geeft.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat een aangever door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn verricht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Verdachte heeft diverse leugens verteld, telkens met de bedoeling om de aangevers te bewegen tot afgifte van geld. De rechtbank beziet deze leugens in hun onderlinge samenhang. Verdachte wekte bij de aangevers vertrouwen door zich voor te doen als iemand die bij hen in de buurt woonde, terwijl dit niet het geval was. Ook wekte hij vertrouwen door bij aangevers niet meteen aan te sturen op het geven van geld, maar eerst te vragen of de aangevers hem weg wilden brengen naar Engelen. De leugens hadden gemeen dat hij geld nodig had voor openbaar vervoer (om zijn huissleutel bij zijn moeder in Engelen te gaan halen), terwijl het geld in werkelijkheid bedoeld was en gebruikt werd voor het kopen van drugs. Met deze leugens heeft verdachte ingespeeld op het gevoel en de goedheid van de aangevers en hen bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Verdachte heeft zelf verklaard dat het gewoon een vieze smoes was, dat het niet waar was wat hij allemaal zei en dat het een babbeltruc was om mensen op te lichten.

De rechtbank is van oordeel dat de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid niet in de weg staat aan het oordeel dat het samenweefsel van verdichtsels van verdachte, geschikt was om de aangevers tot afgifte van geld te bewegen en dat uit de aangiften ook blijkt dat het dit samenweefsel van verdichtsels was, dat hen hiertoe bewoog.

Gelet op de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde oplichtingen heeft begaan zoals bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 5 en feit 8

De rechtbank stelt vast dat bij feit 5 en feit 8 sprake is geweest van een overeenkomstige werkwijze als bij de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde oplichtingen is gebruikt. Bij de simultane fotobewijsconfrontatie wees aangever slachtoffer 7 echter een ander dan verdachte als pleger van de oplichting aan en het door beide aangevers (van feit 5 en feit 8) genoemde signalement komt niet overeen met dat van verdachte. Bovendien heeft verdachte deze feiten in tegenstelling tot de feiten 1, 2, 3 en 6 ontkend en aangegeven dat deze feiten kunnen zijn gepleegd door één van zijn huisgenoten. Deze huisgenoot lijkt namelijk op hem en heeft de door verdachte gebruikte werkwijze van verdachte geleerd. Deze verklaring van verdachte wordt door de bewijsmiddelen niet weerlegd en is voorts niet onaannemelijk. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank uit de inhoud van het procesdossier niet de overtuiging bekomen dat verdachte degene is geweest die slachtoffer 4 en slachtoffer 7 heeft opgelicht.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van het onder feit 5 en feit 8 ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van feit 7

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in het procesdossier onvoldoende wettig bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte in de periode van 3 juli 2014 tot en met 6 juli 2014 in Oss slachtoffer 6 heeft opgelicht. Immers heeft verdachte dit feit ontkent en bevat het procesdossier enkel een aangifte van slachtoffer 6waaruit een andere modus operandi blijkt dan verdachte bekent te hebben gebruikt bij het plegen van de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde oplichtingen, zodat niet gesteld kan worden dat sprake is van een op essentiële punten overeenkomstige werkwijze.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van het onder feit 7 ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1, feit 2, feit 3 en feit 6: oplichting.

Strafoplegging

  • Feit 1, feit 2, feit 3, feit 6: Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
  • Feit 2: Maatregel van schadevergoeding van EUR 20,00 subsidiair 1 dag hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF