Promotie: Meer Europese aandacht nodig voor de mogelijkheden van de verdediging in het strafproces om in het buitenland bewijs te (laten) verzamelen

Het huidige systeem van internationale samenwerking in strafzaken binnen de EU richt zich uitsluitend op de samenwerking tussen autoriteiten en derhalve op het strafrechtelijk onderzoek en vervolging van grensoverschrijdende criminaliteit. Het biedt de verdediging daarom niet de mogelijkheid om buitenlandse autoriteiten rechtstreeks om hulp te verzoeken. Als de verdediging door middel van wederzijdse rechtshulp bewijs wil (laten) verzamelen, dan zal het een bevoegde nationale autoriteit moeten verzoeken om een rechtshulpverzoek uit te vaardigen.

Deze positie van de verdachte en zijn/haar raadsman wordt bekritiseerd, omdat wederzijdse rechtshulp ook van belang kan zijn voor het voorbereiden van een effectieve verdediging; vooral als de raadsman verantwoordelijk is voor het verzamelen van ontlastend bewijsmateriaal.

In dit onderzoek van Marloes van Wijk wordt daarom de vraag gesteld of het beginsel van ‘equality of arms’ vereist dat de positie van de verdediging in de procedure van grensoverschrijdende bewijsvergaring in de EU veranderd moet worden.

Allereerst volgt uit de analyse van het beginsel van ‘equality of arms’, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 47 van het EU Handvest, dat dit beginsel zeer algemene eisen stelt die voornamelijk gericht zijn op het getuigenverhoor. Het geeft verder veel vrijheid aan de nationale rechtssystemen om de rol van de verdediging in bewijsvergaring te reguleren. Hetzelfde geldt voor de Europese verdragen aangaande wederzijdse rechtshulp en ook de recente EU Richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken: zij bieden een kader voor de samenwerking tussen voornamelijk justitiële autoriteiten en laten het aan de EU lidstaten over welke mogelijkheden de verdediging wordt geboden om bewijs in een andere EU lidstaat te (laten) verzamelen.

Mede daarom is een rechtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd om te begrijpen hoe in de voornamelijk inquisitoire dan wel accusatoire rechtssystemen van respectievelijk Nederland, Engeland en Wales, en Italië grensoverschrijdende bewijsvergaring is gereguleerd en met name de positie van de verdediging in dit proces. Hieruit volgt dat deze drie nationale rechtssystemen aan de vereisten van het beginsel van ‘equality of arms’, zoals het op dit moment in de EU wordt uitgelegd, voldoen. De rechtsvergelijking toont echter ook aan dat de verdediging in deze systemen desalniettemin met uitdagingen te maken kan krijgen als het bewijs in een andere EU lidstaat wil verzamelen. Deze uitdagingen zijn vooral gerelateerd aan het feit dat de verdediging afhankelijk is van de autoriteiten om een rechtshulpverzoek uit te vaardigen. Zij betekenen niet per se een schending van het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM en van artikel 47 van het EU Handvest, maar het is denkbaar dat in bepaalde situaties deze uitdagingen wel degelijk de voorbereiding van een effectieve verdediging onmogelijk kunnen maken. Het recht op een eerlijk proces zou daarom beter beschermd kunnen worden in het huidige systeem van internationale samenwerking binnen de EU.

De conclusie geeft twee aanbevelingen, die mede gebaseerd zijn op een analyse van het rechtssysteem van het Internationaal Strafhof die naast het rechtsvergelijkend onderzoek is uitgevoerd. De eerste aanbeveling betreft een nieuwe en duidelijkere definitie van het beginsel van ‘equality of arms’. De rechtsvergelijking heeft aangetoond dat het beginsel tenminste de eis kan stellen dat de verdediging de mogelijkheid moet hebben om een autoriteit te verzoeken om een rechtshulpverzoek uit te vaardigen. Ten tweede wordt voorgesteld om een EU richtlijn aan te nemen opdat de rechten van de verdediging in het kader van bewijsvergaring op EU niveau worden verduidelijkt en vastgelegd door onder andere te bepalen hoe de verdediging een autoriteit kan verzoeken om een rechtshulpverzoek uit te vaardigen en ook hoe de raadsman tijdens de uitvoering van een onderzoek aanwezig kan zijn en een actieve rol kan aannemen.

Van Wijk promoveerde op 17 maart 2017 aan de Universiteit Utrecht. Promotoren waren prof. dr. Katalin Ligeti (Université du Luxembourg) en prof. mr. Stijn Franken (Universiteit Utrecht).

M.C. van Wijk, Cross-border evidence gathering: equality of arms within the EU? Publicatie wordt verwacht in juli 2017 bij Boom juridisch (Pompe Reeks).

Bron: UU

 

Print Friendly and PDF