Ontvankelijkheid cassatieberoep: Verschrijving in schriftelijke volmacht van advocaat aan de griffiemedewerker om cassatieberoep in te stellen in de ontnemingszaak. Termijnverzuim verschoonbaar?

Parket bij de Hoge Raad 30 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:69

Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 27 mei 2015 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op €53.761 en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van €51.072.
 

Conclusie AG

Voorafgaand aan de bespreking van het middel dient de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde te worden gesteld.

De oproeping om op de nadere terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2015 te verschijnen is de betrokkene in persoon betekend op 7 april 2015. De betrokkene was op de voornoemde zitting aanwezig. Het voorafgaande betekent dat het cassatieberoep op grond van art. 432 Sv uiterlijk veertien dagen na de uitspraak van het hof op 27 mei 2015 diende te zijn ingesteld. Uit de akte cassatie, opgesteld door de griffier van het gerechtshof Den Haag, blijkt dat het cassatieberoep echter eerst op 16 maart 2016, dus geruime tijd na ommekomst van de genoemde termijn, is ingesteld.

In de schriftuur wordt betoogd dat de betrokkene in zijn cassatieberoep zal moeten worden ontvangen, omdat tijdig aan de griffie van het hof een bijzondere schriftelijke volmacht is verstrekt tot het instellen van cassatieberoep tegen de bestreden uitspraak en dat de omstandigheid dat daaraan geen gevolg is gegeven niet voor rekening van de betrokkene mag komen. De opsteller van de schriftuur voert daartoe aan dat hij op 3 juni 2015 twee faxberichten heeft gezonden aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag, inhoudende dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd om namens de betrokkene beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 mei 2015 in de strafzaak respectievelijk tegen het op diezelfde datum gewezen arrest van het voornoemde gerechtshof in de ontnemingszaak. Bij de faxberichten heeft de opsteller van de schriftuur een bijzondere schriftelijke volmacht verleend aan de griffiemedewerker voor het instellen van dat cassatieberoep. De opsteller van de schriftuur wijst erop dat in de strafzaak vervolgens op 3 juni 2015 beroep in cassatie is ingesteld, terwijl in de ontnemingszaak geen akte cassatie lijkt te zijn opgemaakt. De opsteller van de schriftuur merkt op dat hij abusievelijk in beide hiervoor bedoelde faxberichten het bij de strafzaak in hoger beroep behorende rolnummer heeft opgenomen, maar stelt zich daarbij op het standpunt dat indien de griffier op grond van die verschrijving geen gevolg meende te kunnen geven aan de bijzondere schriftelijke volmacht om (ook) in de ontnemingszaak beroep in cassatie in te (doen) stellen, het op de weg van de griffier had gelegen de opsteller van de schriftuur daarop te wijzen.

Het hof heeft op grond van art. 36e, eerste lid, Sr naast het arrest in de hoofdzaak bij een afzonderlijke uitspraak op de vordering tot ontneming beslist. Indien in die situatie een rechtsmiddel wordt ingesteld, zal duidelijk moeten zijn waartegen dat is gericht: tegen één van beide uitspraken of tegen beide uitspraken.1 Bij uitspraak van 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1964 heeft de Hoge Raad benadrukt dat tegen de uitspraak in de ontnemingszaak afzonderlijk het daartegen openstaande rechtsmiddel moet worden ingesteld. De vraag of in een voorkomend geval het hoger beroep zich al dan niet tot beide uitspraken uitstrekt, dient te worden beantwoord aan de hand van de daartoe opgemaakte appelakte(s). De enkele omstandigheid dat slechts één appelakte is opgemaakt is niet beslissend, in het bijzonder niet indien in die akte niet is gespecificeerd om welke uitspra(a)k(en) van de rechtbank het gaat en de hoofdzaak en de ontnemingszaak eenzelfde parketnummer dragen en op dezelfde dag tot een uitspraak van de rechtbank hebben geleid.

In de voorliggende zaak is de hoofdzaak gelijktijdig met de ontnemingszaak behandeld en is op dezelfde dag, op 27 mei 2015, uitspraak gedaan. De beide zaken hebben wel hetzelfde parketnummer (09-758556-11), maar een ander rolnummer (strafzaak: 22-002088-12 en ontnemingszaak: 22-002089-12). De opsteller van de schriftuur wijst er terecht op dat op 3 juni 2015 enkel in de strafzaak cassatieberoep is ingesteld. Voorts stelt de opsteller van de schriftuur dat hij de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag per fax heeft verzocht hem alsnog de akte cassatie in de ontnemingszaak te doen toekomen en dat hij, toen bleek dat geen gevolg was gegeven aan de hiervoor genoemde volmacht van 3 juni 2015 om beroep in cassatie te stellen, een nieuwe volmacht naar de griffier van het gerechtshof Den Haag heeft verzonden. De akte cassatie, opgesteld door de griffier van het gerechtshof Den Haag, houdt in dat in de ontnemingszaak op 16 maart 2016 cassatie is ingesteld.

Bij de stukken van het geding bevinden zich de faxberichten inhoudende dat de opsteller van de schriftuur op 3 juni 2015, bepaaldelijk gevolmachtigd om namens de betrokkene beroep in cassatie te stellen tegen de arresten van het gerechtshof Den Haag van 27 mei 2015 gewezen tegen de betrokkene in de straf- en ontnemingszaak, een bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend aan de griffiemedewerker voor het instellen van dat cassatieberoep.

De hiervoor genoemde faxberichten inhoudende de door de opsteller van de schriftuur aan de griffiemedewerker verstrekte schriftelijke volmachten tot het instellen van cassatieberoep, voldoen aan het vereiste dat zij een verklaring inhouden van de advocaat dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep. Ik deel het standpunt van de opsteller van de schriftuur dat de schriftelijke volmacht aan de griffier, ook met inachtneming van de verschrijving in het rolnummer, voldoende duidelijk inhield dat de volmacht was gericht op het doen instellen van cassatieberoep in de ontnemingszaak tegen de betrokkene. Daarbij neem ik in aanmerking dat het gaat om twee afzonderlijke volmachten, kort na elkaar verstuurd, dat daarop het juiste parketnummer is vermeld en dat op de desbetreffende volmacht in de aanhef twee maal is aangegeven dat het de ontnemingszaak betreft, terwijl ook in de hoofdtekst wordt verwezen naar de uitspraak in de ontnemingszaak. Dit brengt mee dat sprake is van een niet aan de verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim en dat de verdachte in zijn cassatieberoep wegens verschoonbaar termijnverzuim ontvankelijk is. Dit betekent dat de beide cassatiemiddelen voor bespreking in aanmerking komen.

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF