Onderzoek aan in beslag genomen gegevensdragers: opslag, toegang en vernietiging gegevens niet centraal geregeld en slecht nageleefd

In het WODC-rapport 'Onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten' wordt verslag gedaan van van een inventariserend onderzoek naar een onderdeel van de huidige opsporingspraktijk omtrent de inbeslagneming. Het gaat daarbij vooral om het onderzoek dat na de inbeslagneming wordt gedaan aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken door opsporingsambtenaren. Het rapport staat in het teken van een eventuele nadere normering van dergelijk onderzoek in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. De centrale vraagstelling van het onderzoek is: “Wat is er bekend over de inbeslagneming van en het daaropvolgende onderzoek dat wordt gedaan aan elektronische gegevensdragers en in geautomatiseerde werken door opsporingsambtenaren?” Naar voren komt dat aanzienlijke aantallen gegevensdragers door de opsporingsambtenaren in beslag worden genomen. Ter plaatse wordt vaak een afweging gemaakt omtrent de in beslag te nemen gegevensdragers. Deze afweging wordt in de meeste gevallen, gelet op het feit dat in de meeste gevallen de inbeslagneming plaatsvindt tijdens een doorzoeking van een plaats door de officier van justitie of de rechter-commissaris gemaakt.

Gegevens worden geheel of deels gekopieerd voor verder onderzoek, tenzij de gegevens versleuteld zijn of de toegang tot die gegevens geblokkeerd is. De kopieën worden in bedrijfssystemen vastgelegd. Het beleid omtrent toegang tot die bedrijfssystemen verschilt regionaal. Er lijkt geen centrale regie te bestaan met betrekking tot de wijze waarop en het moment waarop gegevens vernietigd moeten worden dan wel ontoegankelijk moeten worden gemaakt. De Wpg stelt regels omtrent de bewaartermijnen en de vernietiging van die gegevens, maar de inhoud daarvan is niet breed bekend in de praktijk. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen bepalingen daaromtrent.

In de praktijk worden problemen ondervonden op het gebied van de inbeslagneming van elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken voor zover gegevens binnen de reikwijdte van het verschoningrecht vallen. De bestaande wet- en regelgeving lijkt daarover onvoldoende duidelijkheid te verschaffen aan de praktijk. Het filteren van gegevens waarover het professioneel verschoningsrecht zich uitstrekt, levert (nog) geen goed werkbaar resultaat voor het opsporingsonderzoek op.

Ten aanzien van het vergaren van gegevens die elders (in de cloud) zijn opgeslagen bevat de huidige wet geen specifieke bevoegdheid; ook beleidsregels ontbreken. Het vergaren van dergelijke gegevens vindt sporadisch plaats. Problemen hangen samen met vragen omtrent schendingen van de soevereiniteit van andere landen en de afwezigheid van een voldoende duidelijke wettelijke regeling op dit punt. Het uitgangspunt van beleid is, dat bij twijfel omtrent schendingen van soevereiniteit gegevens niet worden vastgelegd. Het is wenselijk de praktijk in dat kader duidelijkheid te verschaffen over de grenzen en mogelijkheden van grensoverschrijdend onderzoek.

Het komt voor dat opsporingsambtenaren onderzoek verrichten aan, voornamelijk, geautomatiseerde werken die niet formeel in beslag genomen zijn. Bij de opsporingsambtenaren blijkt geen duidelijk beeld te bestaan over de wettelijke bevoegdheden en de gevallen waarin gegevensdragers mogen worden onderzocht.

In het geval ‘illegale content’ op de gegevensdrager wordt aangetroffen, wordt de gegevensdrager als uitgangspunt niet meer teruggegeven. Het beleid hierover blijkt regionaal verschillend te zijn. De mogelijkheid dat op een beveiligingscamera beelden van de doorzoeking zijn geregistreerd, waarbij de betrokken opsporingsambtenaren herkenbaar in beeld zijn gebracht, wordt regelmatig genoemd als te wissen ‘content’. Bij de opsporingsinstanties leeft de vraag in hoeverre die beelden verwijderd mogen worden en wie daartoe bevoegd is. Het ontbreken van een concrete regeling daaromtrent wordt in de opsporing als problematisch ervaren en zou ten grondslag kunnen liggen aan het niet registreren van het, al dan niet gedeeltelijk, wissen van bestanden van een elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk.

Algemene conclusies

Het totaalbeeld dat uit het onderzoek ontstaat, is dat op het kwantitatieve vlak weinig cijfermateriaal beschikbaar is om al te sterke conclusies te kunnen trekken, behalve dat er sprake is van aanzienlijk aantallen in beslag genomen gegevensdragers. Uit de interviews komt naar voren dat relatief weinig tot geen intern beleid is geformuleerd ten aanzien van het onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken. Daar waar wel beleid bestaat, wordt dat niet in alle gevallen voldoende nageleefd of heeft het beleid onvoldoende draagvlak.

Een meer definitieve beantwoording van de vraag of de bepalingen inzake de inbeslagneming van voorwerpen, waaronder artikel 94 Sv mede in het licht van het bepaalde in artikel 8 EVRM, een voldoende voorzienbare grondslag vormen voor het door een opsporingsambtenaar vergaren van gegevens die zijn opgeslagen op een in beslag genomen smartphone, zal door de Hoge Raad (moeten) worden gegeven. In dat geval wordt de uitleg over de reikwijdte van een bevoegdheid, zoals die in de wet is opgenomen, die niet door de wetgever zelf nader wordt geduid, aan de rechtspraak overgelaten. Dat zou kunnen bijdragen aan een zwakkere democratische legitimering van de uitleg van de reikwijdte van een strafvorderlijke bevoegdheid, gelet op de technische voortschrijding. Waar procedurele voorzieningen nodig worden geacht, zal zulks de rechtsvormende taak van de Hoge Raad gemakkelijk te buiten gaan. Het lijkt wenselijk dat de wetgever zelfstandig een standpunt inneemt omtrent de reikwijdte van de bevoegdheid en desgewenst een nadere wettelijke regeling initieert.

Het is voor de praktijk van groot belang om op voormelde punten een (meer) eenduidige werkwijze voorgeschreven te krijgen. Op een aantal in het onderzoek gesignaleerde punten is de huidige wet- en regelgeving onvoldoende duidelijk en blijkt zij in de praktijk vragen op te roepen. Waar verheldering van regelgeving gewenst is, is van belang dat die verheldering op verschillende wijzen kan worden gerealiseerd. Wijziging van het Wetboek van Strafvordering zal niet op alle punten noodzakelijk zijn. Ook het hanteren van een meer eenduidig beleid waaraan de praktijk handvatten voor de dagelijkse uitvoering kan ontlenen, kan daar betekenisvol in zijn.

Voor meer informatie:

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF