Moet een kredietinstelling de uit hoofde van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme vereiste informatie verstrekken aan de financiële‑inlichtingeneenheid van de lidstaat waar zij haar diensten verricht of aan die van de lidstaat waar zij gevestigd is?

Conclusie van AG Y. Bot d.d. 4 oktober 2012 in de zaak C‑212/11 Jykse Bank Gibraltar  Aan het Hof van Justitie is de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Kan een lidstaat op grond van artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60 (...) eisen dat de informatie die moet worden verstrekt door de kredietinstellingen die op zijn grondgebied actief zijn zonder er een vaste inrichting te hebben, dwingend en rechtstreeks wordt verstrekt aan zijn eigen autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld, of moet in plaats daarvan het informatieverzoek worden ingediend bij de financiële‑inlichtingeneenheid van de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangezochte kredietinstelling zich bevindt?”

Deze vraag is gerezen in een geding tussen, oorspronkelijk, de Servicio Ejecutivo de la Comisión de Prevención del Blanqueo de Capitales e infracciones Monetarias (de Spaanse financiële‑inlichtingeneenheid), en Jyske Bank Gibraltar Ltd, een kredietinstelling die haar activiteiten uitoefent in Spanje in het kader van het vrij verkeer van diensten, maar in Gibraltar gevestigd is.

De Spaanse Ministerraad heeft Jyske een geldboete van 1.700.000 euro opgelegd, omdat zij heeft geweigerd de door de Servicio Ejecutivo gevraagde informatie met betrekking tot bepaalde verdachte financiële transacties te verstrekken. Voor de nationale autoriteiten heeft Jyske betoogd, een dergelijke informatieverplichting enkel ten opzichte van de financiële‑inlichtingeneenheid van het gebied van vestiging te hebben, te weten Gibraltar, zulks overeenkomstig artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60.

In de onderhavige zaak wenst het Tribunal Supremo (Spanje), voor welke rechterlijke instantie Jyske de haar opgelegde boete betwist, van het Hof te vernemen of de nationale regeling in overeenstemming is met het Unierecht, voor zover de Spaanse bepalingen voorschrijven dat kredietinstellingen die op Spaans grondgebied actief zijn in het kader van het vrije verkeer van diensten de voor de bestrijding van de financiële criminaliteit vereiste informatie rechtstreeks aan de nationale financiële‑inlichtingendienst moeten verstrekken.

AG Bot: Artikel 22, lid 2, van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat die kredietinstellingen verplicht de uit hoofde van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme vereiste informatie rechtstreeks aan de financiële‑inlichtingeneenheid van die lidstaat te verstrekken, wanneer deze kredietinstellingen hun activiteiten op het nationale grondgebied uitoefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.

In elk geval moet artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet verzet tegen een dergelijke regeling indien deze gerechtvaardigd wordt door een dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken, niet verder gaat dan hetgeen nodig om dit doel te bereiken en op niet‑discriminerende wijze wordt toegepast.

Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of, rekening houdend met het navolgende, aan deze voorwaarden is voldaan:

  • Gelet op de risico’s van de financiële criminaliteit voor de integriteit van de financiële markt mag een lidstaat, ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, informatie over verdachte financiële transacties eisen van kredietinstellingen die op het nationale grondgebied hun diensten verrichten.
  • Een dergelijke regeling is geschikt om dit doel te bereiken, wanneer zij de lidstaat in staat stelt doeltreffend toezicht uit te oefenen op verdachte financiële transacties door kredietinstellingen die hun diensten op het nationale grondgebied verrichten, de uitvoering van deze transacties daadwerkelijk op te schorten en, in voorkomend geval, de verantwoordelijken te vervolgen en te bestraffen.
  • De oplegging van deze verplichting aan kredietinstellingen die hun activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten uitoefenen, kan een evenredige maatregel ter bereiking van dit doel zijn bij gebreke van een doeltreffend mechanisme ter verzekering van een volledige samenwerking tussen de financiële‑inlichtingeneenheden, zoals ten tijde van de feiten van het hoofdgeding het geval was.
  • Een dergelijke regeling is als zodanig niet discriminerend.

 

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF