Kamervragen over aangifte medewerkers van het Ministerie van Financiën

Naar aanleiding van het bericht 'Gerechtshof eist vervolging ministerie van Financiën' zijn door Tweede Kamerleden Van Klaveren en Bontes (beiden Groep Bontes/Van Klaveren) kamervragen gesteld aan de minister van Financiën over de aangifte tegen het ministerie van Financiën. De minister heeft hier als volgt op gereageerd.

Bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden loopt een procedure in hoger beroep in een zaak van een zwartspaarder. Het gaat hier om de beslissing van de Rechtbank Gelderland om opgelegde navorderingsaanslagen IB en vermogensbelasting in stand te laten. Op 11 november 2014 is op grond van een daartoe strekkend verzoek van kant van de zwartspaarder, door de president van het gerechtshof strafrechtelijke aangifte gedaan. Het betreft hier de verdenking van het misdrijf van het beïnvloeden van getuigen gepleegd door (medewerkers en/of hulppersonen van) het Ministerie van Financiën.

De aangifte is door de Directeur-Generaal Belastingdienst aanleiding geweest om ook zijn visie in een brief neer te leggen en onder de aandacht te brengen bij het arrondissementsparket.

Het gaat in deze zaak niet om het niet de waarheid spreken, maar om de vraag of een beroep op de fiscale geheimhoudingsplicht moet worden gedaan. In de berichtgeving wordt gerefereerd aan een uitspraak van de Landsadvocaat. Deze doelde met deze opmerking op de beleidslijn om de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk geheim te houden. De beleidslijn houdt in dat de Belastingdienst zich ten doel stelt de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken. Deze beleidslijn is bij alle bij dit dossier betrokken medewerkers van de Belastingdienst bekend en dus ook bij de getuigen. Het lag volstrekt voor de hand dat de getuigen zich op hun verschoningsrecht zouden beroepen. De getuige heeft deze beleidslijn benoemd als instructie.

Op de vraag welke percentages en totale bedragen de anonieme tipgever tot nu toe heeft ontvangen en wat de exacte afspraak is die hierover blijkbaar is gemaakt, antwoordt de minister als volgt.

In een brief aan de Kamer van 2 februari 2010 zijn de contouren geschetst van de wijze waarop sinds 1985 is omgegaan met situaties waarin burgers tegen betaling informatie aan de Belastingdienst beschikbaar willen stellen. In deze brief beziet de staatssecretaris vervolgens of deze contouren, mede in het licht van de overeenkomst met de tipgever, nog bijstelling of aanvulling behoeven. De staatssecretaris komt tot de conclusie dat dit niet nodig is. De hieronder geschetste hoofdlijnen bieden zodoende nog steeds een toereikend kader om in alle gevallen een zorgvuldige en evenwichtige individuele afweging te kunnen maken.

Het handelen van de Belastingdienst en de FIOD wordt bepaald en beperkt door het hierna genoemd kader, welke voortvloeit uit de reeds bestaande tipgeldregeling van 1985:

Het moet gaan om een aanzienlijk fiscaal belang;

  • de Belastingdienst moet zich ervan vergewissen dat het gaat om betrouwbare informatie;
  • in alle gevallen moet een inschatting worden gemaakt van mogelijke aan de tip verbonden risico’s voor de tipgever en de betrokken ambtenaren;
  • tipgeld wordt pas uitbetaald als en naar gelang de extra opbrengst in de schatkist is gevloeid;
  • concessies in de heffing-, invordering- en boetesfeer worden niet gedaan;
  • in geen enkel geval wordt strafrechtelijke immuniteit verleend;
  • met betrekking tot het uitloven van tipgelden wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd.

Als een tip binnenkomt, wordt een afweging gemaakt op basis van de bovenstaande criteria en wordt de beslissing over het al dan niet maken van afspraken met een tipgever uiteindelijk door de staatssecretaris genomen of, namens hem, door de Directeur-generaal Belastingdienst. De exacte afspraak (waaronder de percentages) die met deze tipgever over zijn vergoeding zijn gemaakt valt onder de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en kan ik niet openbaar maken.

Tot slot wordt gevraagd waarom door het ministerie geen gehoor wordt gegeven aan de uitspraak van de rechtbank dat de 'anonieme tipgever' bekend moet worden gemaakt.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moeten alle op de zaak betrekking hebbende stukken, dus ook het contract met de tipgever, door de inspecteur aan de rechter worden overgelegd. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft in de zaak van deze zwartspaarder bepaald dat een versie met de naam van de tipgever moet worden verstrekt aan de rechtbank. De Awb biedt dan ruimte aan de inspecteur om desondanks een geanonimiseerde versie te verstrekken. De "sanctie" die hierop staat is dat de rechter dan met de aanslag mag doen wat hij geraden acht. Hij kan bijvoorbeeld de aanslag vernietigen.

De "sanctie" is uitdrukkelijk niet dat de geheimhoudingsplicht dan ter zake van de inhoud van de stukken vervalt of dat de informatie daarin openbaar wordt. De Rechtbank Arnhem heeft dan ook beslist om aan de weigering van de inspecteur om een versie van het contract met de naam van de tipgever te overleggen geen gevolgen te verbinden. De Rechtbank komt tot deze conclusie omdat het verdere bewijs voldoende was om de belastingaanslagen in stand te laten. De inspecteur is hiermee met zijn handelen binnen de beleidslijn gebleven om de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden.

Print Friendly and PDF