Juridische overwegingen tipgeverszaak

Op 12 juli jl. is bekend gemaakt dat het OM Den Haag het onderzoek naar vermeende beïnvloeding van getuigen in de zogeheten tipgeverszaak heeft beëindigd. Het hof Arnhem-Leeuwarden deed hiervan aangifte op 11 november 2014, tegen het ministerie van Financiën. DeRijksrecherche heeft na de aangifte en onder het gezag van het OM een oriënterend feitenonderzoek uitgevoerd. Hieruit is niet gebleken dat medewerkers van de Belastingdienst in hun verklaringsvrijheid tegenover de rechter zouden zijn beïnvloed of dat er mogelijk sprake zou zijn van enig ander strafbaar feit. Dit heeft het OM gebaseerd op de volgende juridische overwegingen:

Artikel 285a Wetboek van Strafrecht bepaalt in lid 1:

Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het rechtsgoed dat in dit artikel wordt beschermd, de vrijheid van de getuige is om onbelemmerd te kunnen verklaren. In de wetsgeschiedenis wordt het woord “intimidatie” gebruikt. In de rechtspraak[1] is echter uitgemaakt dat voor beïnvloeding enige vorm van intimidatie niet noodzakelijk is: daarvoor is “in de tekst van de bepaling geen steun te vinden, terwijl strekking noch geschiedenis van die bepaling nopen tot een [dergelijke] uitleg.” Voldoende voor bewezenverklaring van artikel 285a is dat de uiting tot beïnvloeding kennelijk was bedoeld om de vrijheid van de getuige om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, zonder dat wordt verreist dat die kennelijke bedoeling tot daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid.

In de wetsgeschiedenis bij art. 285a wordt de mogelijkheid van een getuige met een geheimhoudingsplicht en een daaraan gekoppeld verschoningsrecht niet besproken. In de jurisprudentie is één voorbeeld bekend van een getuige met een (afgeleide) geheimhoudingsplicht[2]. In deze zaak verbood een notaris de boekhouder van zijn kantoor om naar een verhoor door de FIOD te gaan, op straffe van ontslag. De notaris werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 285a.

De norm zoals die in art. 285a is neergelegd, is erg ruim. Ieder overleg over een af te leggen getuigenverklaring zou naar de letter van de wet een overtreding daarvan kunnen zijn. Ook het Hof Amsterdam onderkent in een recent arrest deze – te – ruime uitleg van art. 285a:

“Ervan uitgaande dat in beginsel iedere vorm van (zaaksgebonden) contact een zekere beïnvloeding inhoudt, dient derhalve in concrete gevallen aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden vastgesteld of sprake is van een uiting die kennelijk bedoeld is om de verklaringsvrijheid van de getuige te beïnvloeden.”[3]

Die ruime norm klemt vooral in de situatie dat een getuige een geheimhoudingsplicht heeft (en een daarvan afgeleid verschoningsrecht). In een dergelijke situatie ligt het immers voor de hand dat een getuige het overleg zoekt met een collega, leidinggevende, gezaghebbend lid van zijn beroepsgroep of advocaat om te bespreken wat de implicaties zijn van de geheimhoudingsplicht voor de af te leggen getuigenverklaring. Sterker nog: het getuigt juist van professionaliteit om voorafgaand aan een verhoor te bespreken wat de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht/het verschoningsrecht is. Daarmee voorkomt de getuige immers enerzijds dat hij een te ruime uitleg geeft aan die geheimhoudingsplicht en daardoor wellicht vragen onbeantwoord laat die wel degelijk beantwoord zouden kunnen worden en anderzijds dat hij een te beperkte uitleg geeft aan die geheimhoudingsplicht en daardoor wellicht vragen beantwoordt die eigenlijk niet beantwoord hadden moeten worden. Een dergelijke situatie zou niet onder het bereik van artikel 285a moeten vallen. Er is derhalve behoefte aan een nader juridisch kader voor de toepassing van artikel 285a.

Een andere vraag is wanneer sprake is van opzet op beïnvloeding van de getuige. Dat opzet zal in het algemeen afgeleid kunnen worden uit de bewoordingen van degene die verdacht wordt van beïnvloeding. In de casus van de notaris, die hierboven reeds besproken werd, waren de bewoordingen van de verdachte: “Je zegt maar dat het gesprek niet doorgaat; anders neem ik maatregelen en krijg je ontslag.". Voor zover de verdachte zou stellen dat hij geen opzet had om de getuige te beïnvloeden, is uit deze tekst ten minste het voorwaardelijk opzet daarop af te leiden.

Zoals hiervoor uiteengezet, zal een getuige met een geheimhoudingsplicht ter voorbereiding op een verhoor door de rechter in veel gevallen behoefte hebben aan een vorm van overleg. Wanneer in een dergelijk overleg zakelijk[4] wordt besproken wat de implicaties zijn van de geheimhoudingsplicht voor het getuigenverhoor, kan niet worden aangenomen dat de opzet van de gesprekspartner van de getuige is gericht op het beïnvloeden van die getuige.

 

[1] HR 14 september 2010,  ECLI:NL:HR:2010:BM4212.

[2] HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7093.

[3] Hof Amsterdam 6 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1270.

[4] Vergelijk hiervoor ook de conclusie van de AG bij de HR bij het arrest van de Hoge Raad in de notariszaak (ECLI:NL:PHR:2005:AT7093):

“Blijkens de hierboven weergegeven bewijsoverweging heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat de in de bewezenverklaring genoemde persoon zich reeds bewust was van het van verzoeker afgeleide verschoningsrecht en verzoeker zich daarenboven heeft bediend van woorden met een verdergaande strekking dan een zakelijke instructie betreffende het verschoningsrecht, aangezien verzoeker een sanctie in het vooruitzicht heeft gesteld die zelfs bij veronachtzaming van het verschoningsrecht niet als een geëigende of passende sanctie zou zijn te beschouwen.”

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF