Column: ‘Gaat het wel goed met u..?’

Door Ruben Kellermann (Kellermann Advocatuur)

Op 31 oktober 2013 oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat het een principiële vraag betreft of artikel 44 lid 2 Wet op de rechtsbijstand - de wetsbepaling inzake de nihilstelling van de eigen bijdrage indien er geen straf of maatregel is opgelegd - van toepassing is op ontnemingsprocedures ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Het betrof een geval waarbij de ontnemingsvordering door de Politierechter in zijn geheel was afgewezen maar rechtzoekende voor de strafzaak wel was veroordeeld. Het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand (“de Raad”) bestaat eruit dat verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2010:BN3726 en om die reden de nihilstelling van de eigen bijdrage niet toegepast wordt op ontnemingsprocedures. De Rechtbank Amsterdam oordeelde hierover dat deze uitspraak van de Raad van State niet vanzelfsprekend van toepassing is op ontnemingsprocedures. In voornoemde uitspraak werd een nihilstelling eigen bijdrage niet analoog toegepast nu een gegrond verklaard beklag niet gelijk kan worden gesteld met een vrijspraak in een strafzaak.

De eigen bijdrage betrof in de onderhavige ontnemingszaak EUR 76. De Raad weigerde in eerste instantie op basis van het beleid de eigen bijdrage op nihil te stellen in het kader van de vaststelling vergoeding. Na enige inspanningen van de raadsman en een ingediend bezwaarschrift werd de eigen bijdrage in strijd met het staande beleid desondanks op nihil gesteld waarbij een kostenvergoeding van 0,25 punt (EUR 109,25) was toegekend. Met betrekking tot deze bezwaarprocedure was door de raadsman een aanvraag toevoeging ingediend.

Deze aanvraag toevoeging werd door de Raad afgewezen. De raadsman maakte tegen deze afwijzing bezwaar. Dit ingediende bezwaarschrift werd ongegrond verklaard. De raadsman stelde hiertegen principieel beroep in.

Het geschil in de procedure betrof daarmee of een toevoeging verstrekt diende te worden voor de bezwaarprocedure in het kader van de vaststelling vergoeding en daarmee gepaard gaande nihilstelling eigen bijdrage. Overigens werd voor de beroepprocedure eveneens een toevoeging aangevraagd. Deze werd door de Raad verleend.

Op 25 december 2012 diende gemachtigde aldus een beroepschrift in waarbij werd gesteld dat sprake is van een zwaarwegend, principieel en algemeen belang. De gemachtigde stelde onder meer dat de nihilstelling van de eigen bijdrage een symbolische (her)bevestiging is voor het feit dat de strafrechter geen maatregel heeft opgelegd. Voorts was zonder de inspanningen van de raadsman nimmer een nihilstelling gerealiseerd. Bovendien zou dit voor anderen in dezelfde situatie van belang zijn.

Door indiening van voorgaand beroepschrift werd door de Raad telefonisch contact opgenomen met de raadsman met de vraag: “Gaat het wel goed met u..?” en of er verder geen dieperliggende klachten of problemen waren al dan niet met de Raad. Mogelijk stuitte het ingediende beroepschrift op onbegrip bij de Raad.

De Raad stelde gedurende de procedure dat het een probleem betrof waar geen advocaat voor nodig was en dat er niet voldoende zwaarwegend belang zou zijn nu de financiële drempel van EUR 500 niet was gehaald ex artikel 23 lid 2 aanhef onder b Wet op de rechtsbijstand jo artikel 4 lid 2 Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Daarbij was ook niet voldaan aan de vier criteria van de hardheidsclausule / zwaarwegende omstandigheden van de werkinstructie. Eiser had ook hulp kunnen vragen bij het Juridisch Loket.

Deze argumenten mochten geenszins baten nu de Rechtbank Amsterdam gemachtigde van eiser volledig in het gelijk stelde. Daarbij werd beslist dat de Raad alsnog een toevoeging diende te verstrekken voor de bezwaarprocedure in het kader van de vaststelling vergoeding.

Het aardige van de uitspraak is dat de Rechtbank ook nadrukkelijk heeft bepaald dat de nihilstelling van de eigen bijdrage bij een afwijzing van een ontnemingsvordering inderdaad een principiële kwestie betreft. Voorts wordt daarbij bepaald dat aangezien verweerder (de Raad) zelf partij was zij zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat er geen zwaarwegende omstandigheden zouden zijn om een toevoeging te weigeren.

Mocht in een voorkomend geval de Raad de eigen bijdrage zodoende niet op nihil stellen dan is er met deze uitspraak voor advocaten en rechtzoekenden nieuwe munitie om het huidige beleid te bestrijden. Zelfs indien er sprake is van een financieel belang dat lager is dan EUR 500. En ook indien de Raad de zaak wil afdoen met (een fooi van) 0,25 punt.

Tot slot kan ik u meedelen dat het antwoord op de vraag: “Gaat het wel goed met u..?” gelukkig nog immer bevestigend luidt.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF