Column: Forumshoppen bij (ne) bis in idem

Door Anke Feenstra en Dorien Roerinkbeiden werkzaam bij Hertoghs advocaten-belastingkundigen

Recent wees het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) een interessant arrest met betrekking tot het ne bis in idem beginsel in een fiscale kwestie.[1] In de onderhavige casus zou de Zweedse Visser Akerberg Fransson onjuiste inlichtingen hebben verstrekt met betrekking tot de inkomstenbelasting en de BTW over belastingjaren 2004 en 2005. Voor deze schending van zijn fiscale informatieverplichtingen zijn hem in mei 2007 administratieve boetes opgelegd. Eind 2010 zijn de administratieve boeten vast komen te staan. Op 9 juni 2009 moet de heer Fransson verschijnen voor de hoogste Zweedse rechter om zich verantwoorden voor ernstige belastingfraude. Interessant wordt het wanneer blijkt dat de feiten waarop de strafrechtelijke verdenking berust identiek zijn aan de feiten waarvoor de heer Fransson reeds in 2007 is beboet.

De Zweedse rechter worstelt dan ook met de vraag of de strafrechtelijke vervolging van de heer Fransson niet ontvankelijk moet worden verklaard wegens strijd met het ne bis in idem beginsel. Meer specifiek vraagt de Zweedse rechter zich af of door een strafrechtelijke vervolging het verbod van dubbele bestraffing zoals opgenomen in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 50 van het Handvest van de Europese Unie (hierna: Handvest). De Zweedse rechter stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

De cumulatie van administratieve en strafrechtelijke sancties is niet ongebruikelijk binnen de rechtsorden van de diverse lidstaten. Vooral op het gebied van belastingen is een dubbel sanctiearsenaal zeer gebruikelijk. Of en de wijze waarop cumulatie van administratieve en strafrechtelijke sancties kan plaatsvinden vertoont grote verschillen per lidstaat, evenals mogelijke regelingen om een dubbele sanctie te mitigeren. Waar in Nederland een keuze gemaakt dient te worden tussen de administratieve route en de strafrechtelijke route (zie art. 5:44 Awb en art. 243 WvSv), kent de Zweedse belastingwet een bepaling waarin een beoordeling plaatsvindt of het nog redelijk is de administratieve boete volledig te innen wanneer sprake is van een strafrechtelijke sanctie.

In het licht van de bovenstaande praktijk hebben dan ook niet alle lidstaten art. 4 van het Zevende Protocol bekrachtigd en weer andere lidstaten hebben voorbehouden gemaakt. Tussen de lidstaten bestaat dus geen consensus over hoe om te gaan met de cumulatie van administratieve en strafrechtelijke sancties. Terecht schrijft Advocaat-Generaal Cruz Villalón in zijn conclusie dat deze constellatie, in het licht van de opdracht van art. 52 lid 3 Handvest om dat Handvest uit te leggen in het licht van het EVRM, de nodige (interpretatieve) problemen met zich meebrengt.[2] In de woorden van de Advocaat-Generaal: “de onderhavige zaak doet een niet eerder behandelde vraag rijzen die bepalend is voor zowel de draagwijdte van het gebod van artikel 52  lid 3 van het Handvest als de verklaring van de EVRM-rechten tot algemene beginselen van het Unierecht”.[3]

De Advocaat-Generaal Cruz Villalón pleit in het licht van het bovenstaande voor een autonome uitleg van art. 50 van het Handvest. Het Hof van Justitie lijkt het standpunt van de Advocaat-Generaal te volgen. Het Hof van Justitie bepaalt in de zaak van de heer Fransson dat art. 50 van het Handvest niet in de weg staat aan om voor dezelfde feiten een combinatie van administratieve en strafrechtelijke sancties op te leggen. Had het Hof aansluiting gezocht bij het EVRM dan had het acht moeten slaan op jurisprudentie waarin duidelijk naar voren komt dat de Zweedse fiscale sancties worden gekwalificeerd als een ‘criminal charge’. In dit verband kan gewezen worden op het arrest Västberga Taxi Actiebolag en Vulic tegen Zweden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).[4] Op grond van deze jurisprudentie van het EHRM had het Hof van Justitie tot de conclusie moeten komen dat sprake was van strijd met het ne bis in idem beginsel.

Het EVRM biedt, in het licht van het arrest Akerberg Fransson, een veel ruimere bescherming waar het gaat om dubbele vervolging en de rechten van een verdachte van een ‘criminal charge’ dan het Handvest. In het kader van de rechtsbescherming op dit punt loont het voor de dubbel gestrafte belastingplichtige dus eerder de moeite om zijn zaak voor te leggen aan het EHRM dan een beroep in te stellen bij Hof van Justitie.

De Nederlandse wetgeving over de samenloop tussen strafrecht en fiscale beboeting zal in principe tot een EVRM-proof resultaat leiden, gezien de verankering van het una via beginsel in zowel de Awb als het WvSv. Er is nog wel discussie gaande over de vraag of een vergrijpboete kan worden opgelegd na een eerder opgelegde verzuimboete. Die mogelijkheid is per 1 januari 2012 opgenomen in artikel 67q AWR.



[1] Hof van Justitie 26 februari 2013, C-617/10. [2] Conclusie van Advocaat-Generaal P. Cruz Villalón, 12 juni 2012, V-N 2012/32.7. [3] Conclusie van Advocaat-Generaal P. Cruz Villalón, 12 juni 2012, V-N 2012/32.7. [4] Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic vs. Zweden, 23 juli 2002, 36985/97, BNB 2003/2.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF