Eerste Kamer negatief over voorstel instelling Europees Openbaar Ministerie

De meerderheid van de Eerste Kamer heeft tijdens de plenaire vergadering van 15 oktober 2013 geoordeeld dat het verordeningsvoorstel tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie van de Raad (COM (2013) 534) in strijd is met het beginsel van subsidiariteit. Dit beginsel houdt in dat een besluit alleen op Europees niveau genomen mag worden, als dat niet net zo goed (of beter) op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau kan gebeuren. Voor- en tegenstanders van het subsidiariteitsbezwaar legden voorafgaand aan de stemming stemverklaringen af. Het bezwaar werd gesteund door de fracties van VVD, PVV, SP, CU, 50PLUS, OSF en PvdD.

In een brief aan de Europese Commissie onderschrijven diverse fracties het  belang van een effectieve bestrijding van fraude met EU-middelen. De fracties benadrukken echter dat het strafrecht primair een nationale bevoegdheid is en dat opsporing en vervolging van deze delicten daarom primair een taak is van de nationale autoriteiten.

De Europese Commissie heeft volgens de Kamer onvoldoende de meerwaarde onderbouwd van een nieuwe Europese bevoegdheid op het gebied van strafrechtelijke opsporing en vervolging. Fraude - zo wordt gesteld in de brief - vindt in de regel plaats op nationaal of op lokaal niveau  en een adequate bestrijding daarvan is daarom afhankelijk van daadkrachtig optreden op dat niveau.

Financiële belangen van de Unie

De Eerste Kamer volgt hiermee de argumentatie voor het subsidiariteitsbezwaar van de Tweede Kamer, maar voegt wel een aanvullend argument  toe. De bezwaar makende Eerste Kamerfracties stellen dat het zeer moeilijk is om in de praktijk af te wegen welke strafbare feiten de financiële belangen van de Unie schaden en welke niet. Doordat strafbare feiten, met name in complexe zaken, doorgaans een samenstel van wetsovertredingen zijn, voorziet de meerderheid van de Eerste Kamer grote afstemmingsproblemen en ingewikkelde prioriteringsvraagstukken.

Vergaande bevoegdheden

Verder stellen de Eerste Kamerfracties dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) te vergaande bevoegdheden krijgt. Als mogelijke risico's van het toekennen van exclusieve bevoegdheden aan het EOM worden genoemd: het tegenwerken van de vervolging op nationaal niveau door de onduidelijke strekking van de definitie van de "financiële belangen van de Unie", Europese onderzoeken die ten koste gaan van de nationale prioriteiten en van de nationale afweging bij het inzetten van de meest effectieve opsporingsmiddelen tegen fraude. Ook kunnen er conflicten ontstaan in de verhouding tussen het EOM en de nationale autoriteiten.

Een optimale inzet van de bestaande nationale en Europese mechanismen zou voldoende mogelijkheden moeten bieden voor het effectief bestrijden van fraude met EU-gelden. Hierbij zou het optimaliseren van Eurojust en OLAF voor een effectieve bestrijding van EU-fraude en verdergaande samenwerking tussen de opsporings- en vervolgingsinstanties van de nationale lidstaten een centrale rol moeten spelen.

Print Friendly and PDF