Conclusie AG over 'gevaarlijk dier' in de zin van artikel 425 Sr

Parket bij de Hoge Raad 30 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:106

De verdachte is bij arrest van 26 april 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, meermalen gepleegd (feit 1) en opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen (feit 2) veroordeeld. Het hof heeft bepaald dat ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Ter zake het onder 2 bewezen verklaarde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en verbeurdverklaring van drie honden. Voorts is een vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Middel

Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1. De verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend dat geen sprake is van een gevaarlijk dier, zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en ontoereikend gemotiveerd zijn.

Conclusie AG

10. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep blijkens zijn pleitnotities het volgende aangevoerd:

‘Door de rechtbank is als feit 1 de overtreding bewezenverklaard dat verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.

Gesteld wordt hierbij dat onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan blijken dat sprake is van een gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 aan hef onder 2 Sr. Het betreft een bepaling die is opgenomen in de strafwet in 1886. De wetgever heeft daarbij gedoeld op gevaarlijke dieren die een gevaar voor mensen kunnen opleveren.

In een recent arrest van de Hoge Raad ( ECLI:NL:HR:2015:3579 stelt de Hoge Raad onder 2.5 van het arrest nog dat het Hof voldoende heeft gemotiveerd dat de hond gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art 425 aanhef en onder 2 Sr en dat dit niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Dat is ook logisch, want er zijn namelijk heel veel dieren die onder hoede staan van mensen die andere beesten zelfs opeten, bijvoorbeeld een kat. Als die kat een vogel in de tuin van de buren opeet, is dat natuurlijk gedrag en is een (BFK: geen) sprake van een gevaarlijk dier in de zin van art 425 Sr.

Ik verzoek U verdachte vrij te spreken van dit feit.’

11. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman in aanvulling daarop gesteld:

‘De zaak van de Hoge Raad waarnaar ik verwijs ten aanzien van feit 1 ging over een aanval van een hond op een andere hond. Het kan niet de bedoeling van artikel 425 aanhef onder 2 van het Wetboek van Strafrecht zijn dat dit artikel ziet op gevaar voor dieren. Het artikel ziet op gevaar voor mensen. Uit het rapport blijkt niet dat de hond gevaarlijk is voor mensen. Dat gevaar heeft zich ook niet gerealiseerd.’

12. Het hof heeft in het arrest naar aanleiding van dit verweer overwogen:

‘De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen - bepleit dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende kan blijken dat een hond een gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht is, nu de wetgever met de term 'gevaarlijk dier' heeft gedoeld op gevaarlijke dieren die een gevaar voor mensen kunnen opleveren, zodat vrijspraak van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde dient te volgen.

Het hof overweegt dat tot een 'gevaarlijk dier' ook een voor andere dieren gevaarlijk exemplaar van een al dan niet gevaarlijke soort dient te worden gerekend. Nu uit het risico-assessment van de drie betreffende honden opgemaakt door dr. M.B.H. Schilder, gedragsdeskundige verbonden aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht d.d. 4 juli 2014 blijkt dat de drie honden gevaarlijk voor andere honden kunnen zijn, kan ieder van die honden naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt dan ook verworpen.’

13. De strafbaarstelling van art. 425 onder 2ᵒ Sr is sinds het in werking treden van het Wetboek van Strafrecht inhoudelijk onveranderd gebleven. In de memorie van toelichting is destijds bij deze strafbaarstelling opgemerkt: ‘Terwijl in no. 1 alle dieren bedoeld zijn, die op menschen kunnen worden aangehitst, is no. 2 beperkt tot die dieren, die gevaarlijk zijn. Gevaarlijk is elk dier, waarvan schade voor lijf of goed te duchten is. Daarbij maakt het geen verschil, of deze eigenschappen aan alle exemplaren van die soort of alleen aan het corpus delicti eigen was, en evenmin of men met eene voortdurende eigenschap of met eene ziekte te doen heeft. Ook kwaadaardige of dolle honden zijn dus in de bepaling begrepen.’ Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat de wetgever niet, zoals de raadsman in hoger beroep heeft betoogd, slechts heeft gedoeld op ‘gevaarlijke dieren die een gevaar voor mensen kunnen opleveren’. In de memorie van toelichting wordt ook gesproken over gevaar voor ‘goed’. Ook een dier kon in de opvatting van de wetgever een ‘goed’ zijn, zo kan bijvoorbeeld uit de verhouding tussen de artikelen 310 en 311 Sr worden afgeleid.

14. Ook uit de rechtspraak betreffende art. 425 Sr kan worden afgeleid dat het niet alleen om gevaren voor mensen gaat. In HR 10 maart 1992, NJ 1992/571 ging het om een pitbullterriër die bij de voetbalvereniging HFC één of meer ballen stuk zou hebben gebeten. De rechtbank sprak de verdachte vrij ‘aangezien van enig geconcretiseerd gevaar voor mens of dier geen sprake is’. De Hoge Raad meende dat de rechtbank de grondslag van de tenlastelegging had verlaten aangezien ‘ook een hond die zich niet op de door de rechtbank bedoelde wijze heeft gedragen, maar waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, als gevaarlijk in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt’. Het gaat derhalve om gevaren welke deze strafbepaling ‘in het algemeen heeft willen voorkomen’; dat behoeven niet enkel gevaren voor mensen te zijn.

15. Deze omschrijving komt ook voor in het door het middel aangehaalde HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579, NJ 2016/43. Daarin ging het om een Amerikaanse Staffordshire die een chihuahua had doodgebeten. Het hof had vastgesteld dat er een aanmerkelijk risico was dat de betreffende hond ‘zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 van het wetboek moet worden aangemerkt’. De Hoge Raad overwoog vervolgens dat het oordeel van het hof ‘dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2ᵒ, Sr is’ niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Deze overweging kan voedsel geven aan de gedachte dat deze strafbepaling slechts van toepassing is als vaststaat dat een dier gevaarlijk is voor mensen. De bredere formulering van het hof (gevaarlijk voor personen en/of andere dieren) werd door de Hoge Raad zonder duidelijke aanleiding beperkt tot personen. Tegelijk geven de bewijsmiddelen waar het hof zijn oordeel volgens de Hoge Raad op kon baseren geen aanleiding tot deze inperking. In die bewijsmiddelen wordt slechts gesproken over eerdere conflictsituaties met andere honden.

16. Dat de Hoge Raad in het arrest uit 2015 slechts spreekt over gevaar voor personen zou zijn verklaring kunnen vinden in HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3642, NJ 2010/378. In dat arrest was sprake van een hond die (samen met een andere hond) twee personen had aangevallen en respectievelijk in een schoen en (meermalen) in een onderbeen had gebeten. Ten aanzien van de hond die in de tenlastelegging werd genoemd overwoog het hof dat zij ‘gevaarlijk voor personen kan zijn en derhalve als gevaarlijk in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt’. De Hoge Raad stelde vervolgens vast dat het oordeel van het hof ‘dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2ᵒ, Sr is’ geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd was. Mogelijk heeft de Hoge Raad tegen de achtergrond van deze overweging ook in het arrest uit 2015 een overweging geformuleerd die slechts aan gevaar voor personen refereert. Als dat het geval is, en daar ga ik van uit, vormt die rechtsoverweging geen aanleiding om aan te nemen dat Uw Raad van oordeel is dat de gevaren die art. 425 Sr heeft willen voorkomen heden ten dage enkel gevaren voor personen zijn.

17. Mij komt het voor dat de gevaren die tot toepassing van art. 425 Sr aanleiding kunnen geven (in lijn met de wetsgeschiedenis) gevaren voor persoon of goed, een ander dier daarbij inbegrepen, kunnen zijn. Daarbij gaat het niet om de kat die een vogel vangt en -naar het mij voorkomt- ook niet om de kat die een goudvis uit de kom van de buren haalt. Dat is, zo kan met de raadsman worden vastgesteld, natuurlijk gedrag en maakt de kat nog niet tot een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2ᵒ, Sr. Ook de jachthond die een konijn doodt, wordt daarmee niet tot een gevaarlijk dier. De gevaren die art. 425 Sr wil keren zijn de gevaren voor persoon of goed die wij als onaanvaardbaar beschouwen. Tot die gevaren behoort naar het mij voorkomt wel het doodbijten van schapen en lammeren en ook het levensgevaarlijk verwonden of doden van een hond door een (andere) hond.

18. Ik keer terug naar het middel. Het hof overweegt dat tot een ‘gevaarlijk dier’ ook een voor andere dieren gevaarlijk exemplaar van een al dan niet gevaarlijke soort dient te worden gerekend. Vervolgens stelt het hof vast dat uit het risico-assessment van de drie honden dat is opgemaakt door een aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht verbonden gedragsdeskundige blijkt dat de drie honden gevaarlijk voor andere honden kunnen zijn. Daarmee heeft het hof meer vastgesteld dan enkel een gevaar voor andere dieren; het gaat om een gevaar voor andere honden. Passages uit dat risico-assessment, dat ruim een half jaar voor de ten laste gelegde feiten naar aanleiding van een eerder incident is opgemaakt, zijn als bewijsmiddelen 7, 8 en 9 in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen opgenomen (zie voor een integrale weergave van deze bewijsmiddelen hierna). Uit deze bewijsmiddelen wordt duidelijk dat de risico-inschatting bij alle drie honden ‘matig tot hoog naar (sommige) honden’ is. Helemaal eenduidig is de rapportage niet. Enerzijds wordt bij alle drie honden gesteld dat de kans op bijtincidenten ‘reëel, maar klein’ is. Anderzijds wordt aangegeven dat incidenten kunnen optreden ‘bij onvoldoende controle, hoge opwinding’. Bij twee honden wordt daaraan nog toegevoegd: ‘mogelijk wat agressiever als de maatjes erbij zijn’. Ten slotte formuleert het risico-assessment bij elk van de drie honden een aantal voorwaarden waaronder de honden terug zouden kunnen (naar de eigenaar). De eerste voorwaarde is dat de eigenaar niet meer dan twee honden tegelijk moet uitlaten; de tweede voorwaarde is een aanlijngebod, ook in losloopgebieden. Naar het mij voorkomt heeft het hof uit (de bewijsmiddelen betreffende) het risico-assessment kunnen afleiden dat de drie honden -al voor het ten laste gelegde feit- gevaarlijke dieren waren.

19. Het tweede middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF