Conclusie AG over bewezenverklaring van (poging) tot oplichting (art. 326 Sr) van uitkeringsinstanties door het verhullen van dood moeder

Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:473

In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte het lichaam van haar overleden moeder uit de woning heeft meegenomen, in Tsjechië heeft begraven en daarmee het overlijden van haar moeder heeft verhuld. Tevens heeft zij voor de huisarts, de thuiszorg, de gemeentelijk lijkschouwer, de gemeente en de uitkeringsinstanties het overlijden van haar moeder verzwegen en derhalve geen melding gemaakt van het overlijden. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door een schriftelijke uitlating tegenover personen (niet zijnde medewerkers van de uitkeringsinstanties) de schijn heeft opgewekt dat haar moeder nog leefde, dat zij met haar moeder onderweg was en dat zij niet bekend was met het overlijden van haar moeder.
 

Eerste middel

Het middel klaagt dat (i) geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu het vervoeren van het lijk van verdachtes moeder en de overige bewezenverklaarde omstandigheden geen gesproken en/of geschreven uitingen opleveren, (ii) er geen sprake is van listige kunstgrepen, aangezien het vervoeren van het lijk en daardoor het verhullen van het overlijden van verdachtes moeder onvoldoende is voor het aannemen van een situatie die meer behelst dan een enkele misleidende handeling en (iii) dat er ten onrechte met betrekking tot het bewegen als bedoeld in art. 326 Sr causaal verband is aangenomen.

Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving van art. 326 Sr opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Er kunnen zich gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat er meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebruikt. In een dergelijk geval kan dat gedrag als het bezigen van meer dan een oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard. De rechter hoeft dan niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen, omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is. Het is niet nodig dat de oplichtingsmiddelen worden aangewend jegens hem van wie de afgifte van het goed wordt verwacht. De oplichtingsmiddelen kunnen ook gebruikt worden tegen een derde, mits de bedoeling om afgifte te verkrijgen vaststaat nu het bedrieglijke middel zijn uitwerking dan niet heeft gemist en degene die afgifte doet ook daartoe is bewogen.

De eerste vraag die het middel opwerpt is of uit de door de verdachte verrichte gedragingen kan worden afgeleid dat de aangever door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Bij het gebruik van het oplichtingsmiddel een samenweefsel van verdichtsels, gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Er moet derhalve meer zijn dan één enkele leugen. Meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens, maar ook een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden volstaan voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels. Uit de rechtspraak valt af te leiden dat ook zwijgen (bijvoorbeeld indien ter voorkoming van misleiding spreken juist een plicht is) kan bijdragen aan het aannemen van een samenweefsel aan verdichtsels.

In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte het lichaam van haar overleden moeder uit de woning heeft meegenomen, in Tsjechië heeft begraven en daarmee het overlijden van haar moeder heeft verhuld. Tevens heeft zij voor de huisarts, de thuiszorg, de gemeentelijk lijkschouwer, de gemeente en de uitkeringsinstanties het overlijden van haar moeder verzwegen en derhalve geen melding gemaakt van het overlijden. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door een schriftelijke uitlating tegenover personen (niet zijnde medewerkers van de uitkeringsinstanties) de schijn heeft opgewekt dat haar moeder nog leefde, dat zij met haar moeder onderweg was en dat zij niet bekend was met het overlijden van haar moeder.

De vraag is of de bewijsmiddelen voldoende inhouden om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels. Het hof heeft niet onbegrijpelijk uit het gevonden briefje afgeleid dat de verdachte daarmee de schijn heeft willen wekken dat haar moeder nog leefde. Er is derhalve sprake van een geschreven uiting die bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft kunnen roepen. Hoewel er geen sprake is van een andere gesproken of geschreven leugenachtige uiting, kan het oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” mijns inziens wel uit de bewijsmiddelen volgen. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat verdachte heeft gezwegen over de dood van haar moeder (en het lichaam van haar moeder heeft verborgen), terwijl spreken ter voorkoming van misleiding juist een plicht was. Ook noem ik in dit kader het meenemen van de medische apparatuur van verdachtes moeder, teneinde de situatie te laten overkomen alsof haar moeder nog in leven was. Het hof heeft het “samenweefsel van verdichtsels” zoals opgenomen in de tenlastelegging derhalve uit de gebezigde bewijsmiddelen af kunnen leiden. In zoverre faalt het middel.

In de tweede deelklacht wordt de vraag aan de orde gesteld of er sprake is van listige kunstgrepen in de zin van art. 326 Sr. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin (als bij een samenweefsel van verdichtsels) in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. In de literatuur wordt aangenomen dat een enkele kunstgreep kan volstaan, mits deze van voldoende gewicht is en daarnaast sprake is van andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot de misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden.

In de onderhavige zaak is het verhullen van het overlijden van verdachtes overleden moeder, door onder meer haar lichaam te begraven in Tsjechië, de zwaarstwegende bedrieglijke feitelijke handeling van de verdachte. Uit de aard van deze handeling, waaraan immers normaliter een niet geringe emotionele weerstand in de weg zal staan, blijkt het aanmerkelijke gewicht van deze kunstgreep. De vraag is of er daarnaast andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden zijn die tot de misleiding van het beoogde slachtoffer hebben kunnen leiden. Mijns inziens blijken deze andere omstandigheden uit de bewijsmiddelen. Daarbij noem ik in het bijzonder ook hier het door de verdachte achtergelaten briefje waarin de verdachte de indruk wekt dat haar moeder nog leefde en het feit dat de verdachte de medische apparatuur, de sondevoeding en de medicatie van haar moeder heeft meegenomen, waarmee zij eveneens de indruk heeft gewekt dat haar moeder nog in leven was. Door deze handelingen te verrichten heeft de verdachte met name bij de thuiszorginstantie de indruk gewekt dat haar moeder nog in leven was. Op deze wijze heeft zij er voor gezorgd dat ook de betrokken zorginstanties geen melding zouden doen van het overlijden van verdachtes moeder, waardoor werd voorkomen dat de uitkeringsinstanties zouden stoppen met het uitkeren van AOW en het pensioen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt derhalve dat er sprake is van meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Het hof heeft aldus kunnen vaststellen dat er sprake is van listige kunstgrepen. Het middel faalt dus in zoverre ook.

De vraag die tot slot beantwoord dient te worden is of er sprake is van een causaal verband (tot uitdrukking gebracht in het bestanddeel ‘beweegt’). Hiervan is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het oordeel van het hof dat met (onder andere) het verhullen van het overlijden van verdachtes moeder de Sociale Verzekeringsbank is bewogen tot afgifte van de geldbedragen en is gepoogd het KLM-Pensioenfonds te bewegen tot afgifte van een geldbedrag is mijns inziens juist en blijkt voldoende uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof. Door het handelen van de verdachte – met name het verhullen van het overlijden van haar moeder en het niet voldoen aan de plicht dit te melden – verkeerde zowel de Sociale Verzekeringsbank als het KLM-Pensioenfonds in een onjuiste voorstelling van zaken. Deze onjuiste voorstelling van zaken heeft er voor gezorgd dat de Sociale Verzekeringsbank is overgegaan tot afgifte (uitkering) van de geldbedragen. Er is aldus sprake van een causaal verband tussen het aanwenden van het oplichtingsmiddel en de gedraging van de bedrogene (hier de Sociale Verzekeringsbank). Het feit dat er uit de bewijsmiddelen niet blijkt van een inhoudelijke connectie tussen personen niet zijnde medewerkers van de Sociale Verzekeringsbank of het KLM-Pensioenfonds en deze beide instanties doet daar niet aan af, nu het de plicht van verdachte was om melding te maken van het overlijden van haar moeder. Door die melding niet te doen heeft de verdachte voor de betrokken instanties een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen. Dat het KLM-Pensioenfonds uiteindelijk niet heeft uitgekeerd is irrelevant, nu in dit kader slechts een poging tot oplichting bewezen is verklaard. In zoverre faalt het middel.

Het eerste middel faalt in alle onderdelen.
 

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat hetgeen onder 4 (poging tot oplichting) bewezen is verklaard, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit met name niet kan volgen dat de verdachte gedragingen heeft verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf van oplichting van het KLM-Pensioenfonds.

Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang, het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

(…)

Daarnaast overweegt het hof dat, blijkens de namens het pensioenfonds gedane aangifte, het recht op pensioen bij dit pensioenfonds doorloopt tot het einde van de maand waarin iemand is overleden. In casu zou het recht derhalve op 1 juni 2014 zijn geëindigd. Niet door enig handelen van de verdachte, maar door tussenkomst van het openbaar ministerie, is het pensioenfonds na deze datum niet meer tot uitkering overgegaan.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde oplichting en de onder feit 4 ten laste gelegde poging tot oplichting heeft begaan.”

Voor een poging tot oplichting is beslissend of de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het in de tenlastelegging genoemde misdrijf. Hierbij kunnen ook objectieve omstandigheden een rol spelen.

Het tweede middel roept de vraag op of onder de omstandigheden in deze zaak gesproken kan worden van een begin van uitvoering van de oplichting. Het oordeel van het hof dat er sprake is van een poging tot oplichting vind ik niet onbegrijpelijk, ook omdat in de onderhavige zaak een duidelijk begin was gemaakt met de vervulling van bestanddelen van het delict, te weten oplichtingsmiddelen als opgenomen in art. 326 Sr. De gedragingen van de verdachte – waaronder met name het vervoeren en verhullen van het lijk, het niet melden van het overlijden van verdachtes moeder en de mededeling van verdachte aan haar dochter dat ze met haar moeder weg zou gaan en dat het pensioen van haar moeder doorbetaald zou worden – zijn naar uiterlijke verschijningsvorm (wanneer een objectieve derde bij wijzen van spreken mee had kunnen kijken en luisteren) gericht op de voltooiing van de oplichting van het KLM-Pensioenfonds. Dat er sprake is van een poging tot oplichting volgt mijns inziens daarmee rechtstreeks uit de gebezigde bewijsmiddelen.

De steller van het middel merkt tot slot nog op dat de bewezenverklaring van feit 4 een partieel absoluut ondeugdelijke poging inhoudt, nu het KLM-Pensioenfonds al op 18 juni 2014 door de politie in kennis is gesteld over de vermissing. Deze klacht miskent (nog daargelaten de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging, welke vraag ik ontkennend zou beantwoorden) dat een bewezenverklaring als de onderhavige – een periode van 13 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 – niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de haar verweten handeling heeft verricht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de aan de verdachte verweten poging tot oplichting heeft plaatsgevonden in het tijdvak van 13 mei 2014 tot 18 juni 2014.

Het tweede middel faalt.

Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF