Conclusie AG over belang van verdachte bij klacht dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn is overschreden

Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:626 De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 20 september 2011 het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2009 vernietigd ter zake van het onder 2.3 aan verdachte tenlastegelegde en de strafoplegging, en heeft de zaak in zoverre teruggewezen.

De verdachte is vervolgens bij het thans bestreden arrest van 28 februari 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en tot taakstraf voor de duur van 216 uur.

Middel

In het tweede middel wordt geklaagd dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Volgens vaste rechtspraak heeft de verdachte bij een dergelijk middel onvoldoende belang, als dit het enige middel is of als de andere middelen met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 80a RO.

Conclusie AG

6.1 In het middel wordt op deze rechtspraak ingegaan en wordt in de eerste plaats de stelling betrokken dat aan de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij zelf de hand heeft gehad in de schending van de redelijke termijn, nu deze schending niet te wijten is aan de proceshouding van de verdachte, maar aan de late inzending van het dossier door het hof. De raadsman is immers pas in staat te bezien of het indienen van middelen zinvol is, nadat deze stukken hem zijn toegezonden. De schending van de redelijke termijn is veroorzaakt doordat tussen het instellen van het cassatieberoep op 5 maart 2014 en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad op 22 juli 2015 meer dan acht maanden is verlopen en daaraan moeten volgens de steller van het middel gelet op het structurele karakter van dergelijke schendingen consequenties worden verbonden.

6.2. In het overzichtsarrest over de toepassing van art. 80a RO van 10 september 2012 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.2.4. Aandacht verdient in dit verband het in de memorie van toelichting op p. 19 genoemde voorbeeld dat een cassatieberoep voortaan met art. 80a RO kan worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven [onderstreping AG], is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

6.3. Kennelijk doelt de steller van het middel op de door mij onderstreepte passage van de hierboven aangehaalde overweging van de Hoge Raad en bedoelt hij te betogen dat pas op het moment dat de verdachte de beschikking krijgt over het uitgewerkte arrest en de uitgewerkte processen-verbaal van het hof die aan de Hoge Raad worden toegezonden, beoordeeld kan worden of er cassatieklachten zijn. De tijd die intussen verstreken is, kan niet aan de proceshouding van de verdachte worden geweten. Daarom heeft de verdachte, althans zo begrijp ik de klacht, zelfstandig belang bij het middel voor zover de redelijke termijn is geschonden door de periode die tussen de uitspraak van het hof en het moment dat het hof de stukken aan de Hoge Raad inzendt, ligt en de daardoor ontstane vertraging in de behandeling van de zaak door de Hoge Raad. Met andere woorden: is deze periode te lang, zoals in casu langer dan 8 maanden, dan kan niet gesteld worden dat klager geen belang heeft bij een vaststelling dat de redelijke termijn in zijn zaak is geschonden en zou het cassatieberoep niet op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. Dit geldt volgens de steller van het middel temeer, nu naast de schending van de redelijke termijn, nog een andere klacht naar voren is gebracht over de inhoud van het arrest van het hof.

6.4. Ik kan deze redenering volgen voor zover daarin betoogd wordt dat voor de beoordeling of er cassatieklachten kunnen worden ingebracht tegen een arrest van een hof, van dit arrest een uitgewerkte versie beschikbaar moet zijn, zeker als het gaat om de bewijsmotivering zoals in de onderhavige zaak. De periode die gemoeid is met de inzending van een uitgewerkt arrest naar de Hoge Raad kan wat dat betreft moeilijk op het conto van de verdachte worden geschoven in die zin, dat de verdachte terwijl deze kennelijk geen cassatieklachten heeft, er zelf voor heeft gekozen door het instellen van cassatie langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te leven.

6.5. De vraag is echter of een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM zou moeten leiden. Want dat is in feite hetgeen in het middel wordt betoogd. Ik meen van niet en wel op twee gronden.

6.6. In de eerste plaats is het ook vaste rechtspraak dat een overschrijding van de inzendtermijn kan worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening van het cassatieberoep. Daaruit kan worden afgeleid dat een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf nog geen schending van de redelijke termijn hoeft op te leveren als wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie niet kan worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Het ligt naar mijn mening op de weg van de raadsman in cassatie zijn cliënt te adviseren het cassatieberoep in te trekken als hij – na ontvangst van de stukken – moet concluderen dat er geen middelen kunnen worden geformuleerd die enige kans van slagen hebben. Ook het intrekken van het cassatieberoep maakt een einde aan de onzekerheid van de verdachte over de afloop van de vervolging en bekort daarmee de termijn van de totale duur van de behandeling in cassatie. Wil de verdachte desalniettemin het cassatieberoep voortzetten, dan wordt hem die mogelijkheid niet ontnomen. Blijkt het cassatieberoep inderdaad evident kansloos, dan is de duur die met de vaststelling hiervan gemoeid voor de rekening van de verdachte, zou ik zeggen. Dan doet zich de situatie voor dat de verdachte tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven.

6.7. Het tweede argument dat een overschrijding van de inzendtermijn nog niet tot een schending van art. 6 EVRM hoeft te leiden kan worden gevonden in de zaak Çelik tegen Nederland. In deze zaak werd bij het EHRM geklaagd over het feit dat een cassatieberoep wegens schending van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van de stukken door het hof door de Hoge Raad niet ontvankelijk was verklaard op grond van art. 80a RO. In cassatie was uitsluitend een middel ingediend dat betrekking had op de schending van de redelijke termijn en werd niet (inhoudelijk) geklaagd over het arrest van het hof. Het EHRM oordeelde in deze zaak dat de klager door deze gang van zaken geen wezenlijk nadeel in de zin van art. 35 lid 3 onder b EVRM had geleden.

6.8. Art. 35 lid 3 onder b EVRM luidt:

“Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van artikel 34, niet ontvankelijk, wanneer het van oordeel is dat:

a[…]

  1. de verzoeker geen wezenlijk nadeel heeft geleden, tenzij de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens noopt tot onderzoek van het verzoekschrift naar de gegrondheid ervan en mits op deze grond geen zaken worden afgewezen die niet naar behoren zijn behandeld door een nationaal gerecht.”

c.[…]”

6.9. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat ook als een verdachte geen wezenlijk nadeel heeft geleden in de tegen hem aanhangige nationale procedure, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel een klacht over een beweerde schending van het EVRM ontvankelijk zal zijn, als blijkt dat een dergelijke klacht niet voldoende inhoudelijk is behandeld door een nationale rechter.

6.10. In de Çelik-zaak overweegt het EHRM echter ten overvloede:

“40. As a more general point, the Court would add that, when examining whether the “significant disadvantage” admissibility criterion has been satisfied in cases where the applicant alleges a violation of the Convention by the last-instance judicial authority of the domestic legal system, it may dispense with the requirement laid down in Article 35 § 3 (b) of the Convention whereby no case may be rejected on that ground unless it has been “duly considered by a domestic tribunal”. To construe the contrary would prevent the Court from rejecting any claim, however insignificant, relating to alleged violations imputable to a final national instance. Such an approach would be neither appropriate nor consistent with the object and purpose of Article 35 § 3 (b) of the Convention (see Galović v. Croatia (dec.), no. 54388/09, § 77, 5 March 2013).”

6.11. Uit deze overweging blijkt dat de uitzondering die in art. 35 lid 3 onder b EVRM wordt geformuleerd – namelijk dat een klacht ondanks het ontbreken van een wezenlijk nadeel toch ontvankelijk moet worden verklaard als deze niet afdoende inhoudelijk is beoordeeld door een nationale rechter – niet hoeft te worden toegepast als de beweerde schending is ontstaan bij de hoogste rechterlijke instantie, in casu in de cassatieprocedure. Daarmee heeft het EHRM de 80a-afdoening door de Hoge Raad impliciet gesauveerd als het gaat om de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase in een zaak waarin het cassatieberoep inhoudelijk evident kansloos is.

7. Het standpunt is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

Meer weten over art. 80a en art. 81 RO? Kom dan in november 2016 naar de Cursus Cassatie in Strafzaken of de Verdiepingscursus Cassatie in Strafzaken.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF