Conclusie A-G Vellinga over overschrijding redelijke termijn. Moet er een wettelijke regeling komen, en zijn de uitgangspunten van de HR aan herziening toe?

Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:170

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren wegens:

  • feit 1: poging tot oplichting
  • feit 2 primair: medeplegen van moord
  • feit 7, 12, 16 en 17 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
  • feit 8 en 11: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
  • feit 9: oplichting
  • feit: 13, 14 en 15 primair: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het hof heeft het beroep op strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep als volgt verworpen:

“In afwijking van het betoog van de raadsman is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, dat daaraan de door de raadsman genoemde consequentie dient te worden verbonden.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Als aanvang van de redelijke termijn geldt het moment waarop de inleidende dagvaarding aan de verdachte wordt betekend dan wel het moment waarop de verdachte in verzekering wordt gesteld. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de verdachte op 27 maart 2013 in verzekering is gesteld. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft plaatsgehad op de terechtzittingen van 13 mei 2014 en 14 mei 2014, waarna op 28 mei 2014 vonnis is gewezen.

De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft derhalve binnen twee jaren na aanvang van genoemde redelijke termijn plaatsgevonden.

Namens de verdachte is op 2 juni 2014 hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 juni 2014 bij de griffie van dit gerechtshof ingekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van zes maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2015 heeft een zogenaamde regiebehandeling plaatsgehad, waarna ter terechtzitting van 14 april 2015 de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris in verband met het doen horen van een groot aantal door de verdediging opgegeven getuigen.

Op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 juni 2016, 29 juni 2016, 1 juli 2016 en 7 juli 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgehad, waarna op 21 juli 2016 arrest wordt gewezen.

Het hof constateert dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep. Nu het een zeer geringe overschrijding van genoemde redelijke termijn betreft, zal het hof volstaan met de constatering ervan.”
 

Middel

Het zesde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.
 

Conclusie

24. De verdachte, die preventief gedetineerd is, heeft op 25 juli 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 augustus 2017 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden met ruim zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat sinds het instellen van het beroep in cassatie meer dan zestien maanden zijn verstreken. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

25. Het middel is terecht voorgesteld.

26. Ingevolge HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2., wordt in geval in laatste instantie een gevangenisstraf is opgelegd het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf verminderd met 5% bij overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder, met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden. Dat laatste is reeds door overschrijding van de inzendingstermijn het geval. In het onderhavige geval zou dat een vermindering betekenen van twee jaar, ware het niet dat de vermindering in elk geval nooit meer dan zes maanden bedraagt. Dat betekent dat de Hoge Raad zelf de vermindering kan bepalen op zes maanden. Ook al zou de redelijke termijn in hoger beroep zijn overschreden dan kan dit immers gelet op de ten hoogste in rekening te brengen vermindering niet tot een hogere aftrek leiden dan de reeds wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie toe te kennen vermindering van de opgelegde straf met zes maanden.

27. In mijn conclusie bij HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361, NJ 2015, 133, m.nt. P.A.M. Mevis gaf ik de Hoge Raad onder meer in overweging de tot dan toe gehanteerde omvang van de vermindering van straffen ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn te matigen. Hij overwoog daarover:

“3.3. Genoemd arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 bevat enkele verfijningen en aanscherpingen van de vuistregels zoals die in HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721 zijn uiteengezet voor gewone strafzaken en in HR 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001/307 voor ontnemingszaken. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen leidde tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn brengt mee dat die vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, in beginsel een zekere duurzaamheid moeten hebben. Daarbij komt dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen, ziet de Hoge Raad op dit moment geen aanleiding deze aan te passen.”

28. De fiscale kamer van de Hoge Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben zich in geval een fiscale boete c.q. een bestuurlijke boete in het geding is, aangesloten bij de compensatie die de Hoge Raad biedt in strafzaken waarin een geldboete is opgelegd.

29. Sinds het wijzen van voornoemd arrest van de Hoge Raad van 19 april 2011 heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die mijns inziens meebrengen dat opnieuw onder ogen moet worden gezien of de door de Hoge Raad gehanteerde mate van strafvermindering ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn naar beneden dient te worden bijgesteld dan wel dat daarin op andere wijze dient te worden voorzien. Ik doel op de volgende ontwikkelingen.

30. In zijn arrest merkt de Hoge Raad op dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever. Borgers en Kooijmans schrijven dat - voor zover hen bekend - de aandacht van de wetgever zich beperkt tot schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke zaken. Zij suggereren dat de Hoge Raad mogelijk het oog heeft op het voorontwerp schadecompensatie strafvorderlijk optreden (2007), doch tekenen daarbij aan dat dat voorontwerp niet lijkt te zien op overschrijding van de redelijke termijn. Dat voorontwerp heeft het niet tot een voorstel van wet gebracht en dat ligt ook niet in het voornemen van de minister. In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt evenmin voorzien in toekenning van schadevergoeding dan wel anderszins wegens overschrijding van de redelijke termijn. De conclusie van een en ander moet zijn dat niet blijkt dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de actieve aandacht heeft van de wetgever.

31. In zijn arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 bepaalde de belastingkamer van de Hoge Raad - na uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Wattel - dat in geval in een belastinggeschil - voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat - de redelijke termijn is overschreden, als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Bij zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 gaf de Hoge Raad een overzicht en nadere specificatie van verschillende aspecten van het recht op een dergelijke vergoeding.

32. In zijn uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, AB 2014, 115 m.nt. T. Barkhuysen, overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder meer:

“4.1. (...) De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200704652/1) evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt er toe dat een geschil binnen een redelijke termijn wordt beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Riccardi Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, www.echr.coe.int) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

4.2. Tot op heden heeft de Afdeling in niet-punitieve zaken waarin de vraag aan de orde was of de redelijke termijn was overschreden, steeds als uitgangspunt gehanteerd dat in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1; www.raadvanstate.nl). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven hanteert hetzelfde uitgangspunt (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juni 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ2560). De aldus door de Afdeling en het College van Beroep voor het bedrijfsleven gehanteerde termijnen verschillen van de termijnen die de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad als uitgangspunt hanteren bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. De Centrale Raad van Beroep hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen, waarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6202). De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen ten hoogste twee jaar mag duren en ook de behandeling van het hoger beroep niet meer dan twee jaar in beslag mag nemen, en dat in gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter als regel geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen (bijvoorbeeld de uitspraken van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666).

4.3. Gelet op het maatschappelijke belang van een spoedige beslechting van geschillen, alsmede het belang van rechtseenheid, ziet de Afdeling aanleiding om aan te sluiten bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad ten aanzien van de als redelijk aan te merken behandelduren in niet-punitieve zaken. Daarmee wordt tevens aangesloten bij de door alle hoogste bestuursrechters gehanteerde termijn in punitieve zaken en de door de strafrechter gehanteerde termijnen. De Afdeling is thans dan ook van oordeel dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarfase, als bedoeld in Hoofdstuk 7 van de Awb, inbegrepen. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.

(...)

4.5 (...) Het vorenstaande betekent dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan drie jaar mogen duren en dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekendgemaakt zijn gemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren.

(...)

5. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en behoeft hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling zelf op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn beslissen. Uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de Afdeling op de voet van artikel 8:73 van de Awb de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 per persoon aan [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] als vergoeding voor de door hen als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase geleden immateriële schade. Voor de door [appellanten] als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in beroep geleden immateriële schade zal de Afdeling de minister van Veiligheid Justitie met toepassing van artikel 8:73 van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 per persoon aan [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E].”

33. Ook de civiele rechter heeft zich inmiddels uitgelaten over schadevergoeding ter zake van overschrijding van de redelijke termijn. In zijn arrest van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014, 525 m.nt. P.C.E. van Wijmen en W.D.H. Asser overwoog de Hoge Raad voor zover hier van belang:

“3.13 De hoogste Nederlandse bestuursrechters hebben een stelsel ontwikkeld dat de mogelijkheid biedt om de Staat in bestuursrechtelijke procedures te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe wordt, nadat een beroep op een zodanige overschrijding is gedaan, de Minister van Veiligheid en Justitie in het geding opgeroepen. Dit stelsel is in bestuursrechtelijke geschillen inmiddels vergaand geüniformeerd (vgl. laatstelijk ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Nu aangenomen moet worden dat niet binnen afzienbare tijd wetgevingsinitiatieven voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures zijn te verwachten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nrs. 4.39 en 4.40), rijst de vraag of een gelijksoortige voorziening dient te worden opengesteld binnen procedures voor de burgerlijke rechter – waaronder de onderhavige procedure –, in de plaats van of naast de reeds thans bestaande mogelijkheid om in een afzonderlijke procedure tegen de Staat schadevergoeding uit onrechtmatige daad te vorderen.

3.14 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nationale recht in verband met art. 13 EVRM moet voorzien in een effectieve mogelijkheid voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. onder meer EHRM 26 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, NJ 2001/594 (Kudla tegen Polen) en EHRM 8 juni 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5760 (Sürmeli tegen Duitsland)). Een op grond van onrechtmatige daad in te stellen afzonderlijke procedure tegen de Staat kan een voldoende effectief rechtsmiddel bieden tot verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud tegen Frankrijk) en EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw tegen België).

In bestuursrechtelijke procedures bestaan goede redenen om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn te laten plaatsvinden binnen de lopende procedure, met name de reden dat de bestuursrechter zelf beter toegerust is om de redelijkheid van de lengte van die procedure, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, te beoordelen dan de civiele rechter die dit zou moeten doen in een afzonderlijke procedure tegen de Staat. Indien de gestelde termijnoverschrijding echter plaatsvindt in een civiele procedure, is voor een beoordeling daarvan door de civiele rechter niet nodig dat deze in de lopende procedure plaatsvindt.

Het betrekken van de Staat in een lopende civiele procedure is bovendien bezwaarlijk in te passen in het Nederlandse burgerlijk procesrecht. Weliswaar zou art. 118 Rv naar de letter daarvoor een grondslag kunnen bieden, maar die bepaling is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 en HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de derde als partij in het geding te betrekken. In het algemeen is het betrekken van de Staat in een lopend civiel geding met als enig doel een vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter voor te leggen, een niet-noodzakelijke belemmering voor een voortvarende verdere afhandeling van het geding.

Ten slotte is in dit verband van belang dat in de ons omringende landen de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures, plaatsvindt in een afzonderlijke procedure, hetzij op grond van een specifieke wet (Duitsland), hetzij op grond van algemene acties, zoals die uit onrechtmatige daad (België, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk).

3.15 Gelet op het vorenstaande moet in geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure, een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen de Staat. (...).

3.16.1 In aansluiting op het bovenstaande wordt in het algemeen nog het volgende opgemerkt.

3.16.2 Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak, is niet vereist dat die zaak zelf onder het bereik van art. 6 EVRM valt. Het aan art. 6 EVRM ten grondslag liggende rechtsbeginsel geldt immers eveneens, ook afgezien van die bepaling, binnen de nationale rechtsorde, en noopt ertoe dat geschillen voor de burgerlijke rechter binnen een redelijke termijn worden beslecht (vgl. onder meer HR (derde kamer) 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234 (rov. 3.3.2) inzake belastinggeschillen en ABRvS 17 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2283 inzake verblijfsrechtelijke procedures). Bij de beoordeling van een aanspraak wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft de burgerlijke rechter dus niet te onderzoeken of de procedure waarin de redelijke termijn is overschreden, betrekking had op rechten die vallen binnen de reikwijdte van art. 6 EVRM.

3.16.3 Nu de partijen in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden in de regel reeds griffierecht hebben betaald, kan van hen, op gelijke voet met de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken, geen griffierecht worden geheven in de hiervoor in 3.15 bedoelde afzonderlijke procedure tegen de Staat, mede gelet op het feit dat het gaat om een aantasting van een door het EVRM beschermde aanspraak waartegen op grond van art. 13 EVRM een ‘effective remedy’ dient te bestaan. Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen geldende regels. Gelet op de hierna te vermelden hoogte van de vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn, kan worden aangenomen dat de vordering in vrijwel alle gevallen het bedrag genoemd in art. 93, aanhef en onder a, Rv niet zal overschrijden. In die gevallen dient de vordering door de kantonrechter te worden behandeld en is ingevolge art. 79 lid 1 Rv rechtsbijstand niet verplicht.

Voor de hoogte van de toe te kennen vergoedingen voor immateriële schade kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingen die de bestuursrechters plegen toe te kennen (€ 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn, naar boven afgerond). In gevallen van geringe overschrijding kan echter worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden.

3.16.4 Over de vraag of in een concreet geval sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting kunnen de volgende algemene opmerkingen worden gemaakt.

Uit hetgeen hiervoor in 3.16.2 is overwogen volgt dat bij de beoordeling van geschillen over overschrijding van de redelijke termijn, de jurisprudentie van het EHRM over art. 6 EVRM tot richtsnoer kan dienen. Het EHRM oordeelt naar aanleiding van de omstandigheden van het concrete geval, hetgeen betekent dat mede rekening wordt gehouden met de aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en met het (procedeer)gedrag van partijen. Gelet wordt op de totale duur van berechting, maar ook onaanvaardbaar lange perioden van tussentijdse inactiviteit kunnen overschrijding van de redelijke termijn meebrengen. Kwesties die verband houden met de organisatie van de rechterlijke macht (zoals achterstanden bij het desbetreffende gerecht of ziekte van behandelende rechters) staan niet aan aansprakelijkheid in de weg. Deze en andere door het EHRM gegeven uitgangspunten zijn ook voor de nationale beoordeling richtsnoer. (Zie voor een beknopt en recent (2013) overzicht van de EHRM-rechtspraak op dit punt, in de Engelse taal: www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_6_ENG.pdf (p. 50-55)). Procedures voor de Nederlandse burgerlijke rechter lopen zodanig uiteen in aard, ingewikkeldheid en procesvoering, dat de zaaksgerichte benadering van het EHRM niet kan worden geconcretiseerd in algemene richttermijnen voor een redelijke duur van die procedures.

Van een partij die een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn mag worden verwacht dat zij voldoende inzicht heeft in de aard, de ingewikkeldheid en het procesverloop van de desbetreffende zaak om haar eis naar behoren te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Er is dan ook geen aanleiding voor een afwijking van de in het algemeen geldende regels van stelplicht en bewijslast. Wel kan een zeer lange feitelijke duur van de procedure aanleiding vormen om overschrijding van de redelijke termijn voorshands bewezen te achten, behoudens door de Staat te leveren tegenbewijs.

3.16.5 Omdat bij de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn de duur van de gehele procedure mede van belang is, kan pas over een vordering wegens een zodanige overschrijding worden geoordeeld wanneer die duur van de gehele procedure kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de behandelende rechter in voorkomend geval de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn zal moeten aanhouden totdat de einduitspraak in het oorspronkelijke geschil in kracht van gewijsde is gegaan of die zaak is geroyeerd.”

34. Inmiddels is in Duitsland het Gesetz über den Rechtsschutz bei überlangen Gerichtsverfahren und strafrechtlichen Ermittlungsverfahren van 24 november 2011 tot stand gekomen en in werking getreden op 3 december 2011. Ingevolge deze wet luiden § 198 en 199 van het Gerichtsverfassungsgesetz (GVG):

Ҥ 198

(1) Wer infolge unangemessener Dauer eines Gerichtsverfahrens als Verfahrensbeteiligter einen Nachteil erleidet, wird angemessen entschädigt. Die Angemessenheit der Verfahrensdauer richtet sich nach den Umständen des Einzelfalles, insbesondere nach der Schwierigkeit und Bedeutung des Verfahrens und nach dem Verhalten der Verfahrensbeteiligten und Dritter.

(2) Ein Nachteil, der nicht Vermögensnachteil ist, wird vermutet, wenn ein Gerichtsverfahren unangemessen lange gedauert hat. Hierfür kann Entschädigung nur beansprucht werden, soweit nicht nach den Umständen des Einzelfalles Wiedergutmachung auf andere Weise gemäß Absatz 4 ausreichend ist. Die Entschädigung gemäß Satz 2 beträgt 1 200 Euro für jedes Jahr der Verzögerung. Ist der Betrag gemäß Satz 3 nach den Umständen des Einzelfalles unbillig, kann das Gericht einen höheren oder niedrigeren Betrag festsetzen.

(3) Entschädigung erhält ein Verfahrensbeteiligter nur, wenn er bei dem mit der Sache befassten Gericht die Dauer des Verfahrens gerügt hat (Verzögerungsrüge). Die Verzögerungsrüge kann erst erhoben werden, wenn Anlass zur Besorgnis besteht, dass das Verfahren nicht in einer angemessenen Zeit abgeschlossen wird; eine Wiederholung der Verzögerungsrüge ist frühestens nach sechs Monaten möglich, außer wenn ausnahmsweise eine kürzere Frist geboten ist. Kommt es für die Verfahrensförderung auf Umstände an, die noch nicht in das Verfahren eingeführt worden sind, muss die Rüge hierauf hinweisen. Anderenfalls werden sie von dem Gericht, das über die Entschädigung zu entscheiden hat (Entschädigungsgericht), bei der Bestimmung der angemessenen Verfahrensdauer nicht berücksichtigt. Verzögert sich das Verfahren bei einem anderen Gericht weiter, bedarf es einer erneuten Verzögerungsrüge.

(4) Wiedergutmachung auf andere Weise ist insbesondere möglich durch die Feststellung des Entschädigungsgerichts, dass die Verfahrensdauer unangemessen war. Die Feststellung setzt keinen Antrag voraus. Sie kann in schwerwiegenden Fällen neben der Entschädigung ausgesprochen werden; ebenso kann sie ausgesprochen werden, wenn eine oder mehrere Voraussetzungen des Absatzes 3 nicht erfüllt sind.

(5) Eine Klage zur Durchsetzung eines Anspruchs nach Absatz 1 kann frühestens sechs Monate nach Erhebung der Verzögerungsrüge erhoben werden. Die Klage muss spätestens sechs Monate nach Eintritt der Rechtskraft der Entscheidung, die das Verfahren beendet, oder einer anderen Erledigung des Verfahrens erhoben werden. Bis zur rechtskräftigen Entscheidung über die Klage ist der Anspruch nicht übertragbar.

(6) Im Sinne dieser Vorschrift ist

1. ein Gerichtsverfahren jedes Verfahren von der Einleitung bis zum rechtskräftigen Abschluss einschließlich eines Verfahrens auf Gewährung vorläufigen Rechtsschutzes und zur Bewilligung von Prozess- oder Verfahrenskostenhilfe; ausgenommen ist das Insolvenzverfahren nach dessen Eröffnung; im eröffneten Insolvenzverfahren gilt die Herbeiführung einer Entscheidung als Gerichtsverfahren;

2. ein Verfahrensbeteiligter jede Partei und jeder Beteiligte eines Gerichtsverfahrens mit Ausnahme der Verfassungsorgane, der Träger öffentlicher Verwaltung und sonstiger öffentlicher Stellen, soweit diese nicht in Wahrnehmung eines Selbstverwaltungsrechts an einem Verfahren beteiligt sind.

§ 199

(1) Für das Strafverfahren einschließlich des Verfahrens auf Vorbereitung der öffentlichen Klage ist § 198 nach Maßgabe der Absätze 2 bis 4 anzuwenden.

(2) Während des Verfahrens auf Vorbereitung der öffentlichen Klage tritt die Staatsanwaltschaft und in Fällen des § 386 Absatz 2 der Abgabenordnung die Finanzbehörde an die Stelle des Gerichts; für das Verfahren nach Erhebung der öffentlichen Klage gilt § 198 Absatz 3 Satz 5 entsprechend.

(3) Hat ein Strafgericht oder die Staatsanwaltschaft die unangemessene Dauer des Verfahrens zugunsten des Beschuldigten berücksichtigt, ist dies eine ausreichende Wiedergutmachung auf andere Weise gemäß § 198 Absatz 2 Satz 2; insoweit findet § 198 Absatz 4 keine Anwendung. Begehrt der Beschuldigte eines Strafverfahrens Entschädigung wegen überlanger Verfahrensdauer, ist das Entschädigungsgericht hinsichtlich der Beurteilung der Angemessenheit der Verfahrensdauer an eine Entscheidung des Strafgerichts gebunden.

(4) Ein Privatkläger ist nicht Verfahrensbeteiligter im Sinne von § 198 Absatz 6 Nummer 2.”

Zonder compensatie door strafvermindering uit te sluiten voorzien deze bepalingen in een vergoeding van door termijnoverschrijding geleden immateriële schade naar de maatstaf van € 1.200,- per jaar vertraging.

35. Een van de kenmerken van de hiervoor aangehaalde beslissingen is dat de fiscale en de civiele kamer van de Hoge Raad alsmede de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als uitgangspunt nemen een bedrag van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Daarmee verschilt de werkwijze van deze hoogste rechters van die van de strafkamer van de Hoge Raad in die zin dat in strafzaken de compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn wordt gerelateerd aan de hoogte van de opgelegde straf, dus aan het belang dat in het geding is. Dat geldt ook voor de rechtspraak over overschrijding van de redelijke termijn bij fiscale en bestuurlijke boetes, die immers aansluit op die van de strafkamer van de Hoge Raad.

36. Dit verschil in benadering doet de vraag rijzen of het uit een oogpunt van rechtseenheid gewenst is dat ook in strafzaken c.a. de hoogte van de geboden compensatie wordt losgekoppeld van het in de zaak spelende belang. Dat lijkt mij niet. De in strafzaken spelende belangen kunnen zo sterk verschillen - van een geldboete van € 3,-- (art.23 lid 2 Sr) tot een gevangenisstraf van dertig jaar of levenslang (art. 289 Sr), dat niet valt vol te houden dat eenzelfde overschrijding van de redelijke termijn in alle zaken tot een niet substantieel verschillende immateriële schade bij de verdachte leidt. De relatering van de compensatie van overschrijding van de redelijke termijn aan de opgelegde straf, zoals de Hoge Raad in strafzaken voorstaat, komt daaraan tegemoet. Dat strookt ook met de rechtspraak van het EHRM dat bij de bepaling van de mate van compensatie de ernst van het feit waar de verdachte voor wordt vervolgd in aanmerking dient te worden genomen.

37. Uit een oogpunt van rechtseenheid rijst ook de vraag hoe de hoogte van de in punitieve zaken geboden compensatie zich verhoudt tot die, gehanteerd door genoemde andere rechters in niet-punitieve zaken. In geval van vergoeding van immateriële schade uit ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis wordt in de rechtspraak een tarief gehanteerd van € 80 of € 105 per dag. Die schade is uiteraard vele malen groter dan immateriële schade, geleden doordat men te lang op een rechterlijke uitspraak moest wachten. Maar als de laatste schade wordt gesteld op € 10,-- per dag, ruim 10% van de immateriële schade die gemiddeld wordt geleden door ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis, dan betekent dit in het onderhavige geval dat de verdachte een compensatie krijgt van omgerekend € 1800, een aanzienlijk hoger bedrag dan hem zou zijn toegekend naar de maatstaf in niet-punitieve zaken, te weten - uitgaande van een termijnoverschrijding van iets meer dan een half jaar (zoals in casu de overschrijding van de inzendingstermijn) - € 1000,--. Zo gezien lijkt de in punitieve zaken geboden compensatie aan de royale kant.

38. Dat laatste kan niet worden gezegd van de compensatie indien een lage straf is opgelegd. Dan brengt de procentueel bepaalde compensatie mee dat deze omgerekend naar de hiervoor gehanteerde maatstaf niet toekomt aan een bedrag van € 500,-- per half jaar termijnoverschrijding. Zo wordt bij een opgelegde geldboete van € 2000,-- voor overschrijding van de redelijke termijn tot een half jaar een compensatie geboden van 5%, d.i. € 100,--. Bij een vrijheidsstraf van tien weken bedraagt de geboden compensatie bij een termijnoverschrijding tot een half jaar vier dagen. Dat komt volgens de hiervoor gehanteerde maatstaf neer op een bedrag van € 40,--. Een en ander zou er op wijzen dat de door mij gehanteerde omrekeningsmaatstaf te laag is. Zo op het eerste gezicht lijkt immateriële schade, geleden door het te lang moeten wachten op een uitspraak in een zaak waarin een vrijheidsstraf van tien weken wordt of is opgelegd zeker niet lager te zijn dan die waarin een geldboete van € 2000 is opgelegd. In zijn algemeenheid gesproken is de dreiging die van een vrijheidsstraf van enige duur uitgaat toch groter dan die van een aanzienlijke geldboete.

39. Het voorgaande laat zien dat de compensatie geboden voor overschrijding van de redelijke termijn in punitieve zaken uit een oogpunt van rechtseenheid niet in de pas lijkt te lopen met de hoogte van de vergoeding van door onredelijke vertraging in een proces geleden immateriële schade, geboden in niet-punitieve zaken.

40. Voorts leidt - zoals ik heb uiteengezet in mijn conclusie bij HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361 - de door de Hoge Raad in strafzaken geboden compensatie soms tot niet goed te verklaren ongerijmdheden. Ik noem:

  • de door de Hoge Raad in zijn regeling ingebouwde begrenzing van de compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn op zes maanden gevangenisstraf betekent dat overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden zowel ten aanzien van een verdachte die vijf jaar als ten aanzien van een verdachte die tien jaar gevangenisstraf is opgelegd zes maanden bedraagt; dit valt niet te rijmen met een systeem waarin de compensatie wordt gerelateerd aan het belang van de zaak;
     
  • deze begrenzing brengt ook mee, dat een termijnoverschrijding van zeven maanden bij een opgelegde straf van 62 maanden tot een strafvermindering van zes maanden leidt, een termijnoverschrijding van 12 maanden tot eveneens een strafvermindering van zes maanden; in het laatste geval lijkt de verdachte geacht te worden even veel immateriële schade door termijnoverschrijding te hebben geleden als in het eerste geval, hoewel hij na het verstrijken van een redelijke termijn voor afdoening van de zaak bijna twee maal zo lang heeft moeten wachten als in het eerste geval;
     
  • het geval kan zich enerzijds voordoen dat de inzendingstermijn met twee maanden wordt overschreden maar de zaak toch nog binnen twee jaar wordt afgedaan, en anderzijds dat de inzendingstermijn wel in acht wordt genomen maar de zaak pas na twee jaar en twee maanden wordt afgedaan; hoewel de verdachte in het eerste geval minder lang op de uitspraak heeft behoeven te wachten en dus minder immateriële schade moet hebben ondervonden dan de verdachte in het tweede geval, die immers daadwerkelijk twee maanden langer op de uitspraak heeft moeten wachten, bedraagt de compensatie voor de overschrijding van de inzendingstermijn volgens de regels van de Hoge Raad dezelfde als die voor overschrijding van de termijn van afdoening;
     
  • een verdachte, in wiens zaak de inzendingstermijn met enkele maanden wordt overschreden en die daarover klaagt ontvangt strafvermindering ook al wordt de zaak binnen de redelijke termijn van twee jaar c.q. zestien maanden afgedaan, een verdachte in wiens zaak dat niet het geval is maar wiens zaak op dezelfde (of langere, doch niet onredelijke) termijn wordt afgedaan niet;

41. Aan de door de Hoge Raad in strafzaken gekozen aanpak kleven meer bezwaren. Ik noem:

  • geen compensatie in geval van levenslange gevangenisstraf, terbeschikkingstelling of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
  • wel compensatie voor de verdachte, niet voor de benadeelde partij die evenzeer door eenzelfde overschrijding van de redelijke termijn is geraakt.

42. Wat betreft het ontbreken van compensatie voor de benadeelde partij verdient opmerking dat HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736 de benadeelde partij inmiddels de mogelijkheid biedt bij afzonderlijke procedure een vordering tot vergoeding van schade, geleden door overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van haar vordering tot schadevergoeding, in te dienen. Een dergelijke vordering zal, gezien het in civilibus gehanteerde bedrag van € 500 per half jaar vertraging in de regel zo laag zijn dat deze kan worden ingediend bij de kantonrechter (art. 93 Rv) en geen procesvertegenwoordiging vereist is (art. 79 lid 1 Rv). Niettemin moet wel een afzonderlijke procedure worden gevolgd, is griffierecht verschuldigd  en loopt de benadeelde partij het risico van veroordeling in de proceskosten. Daarbij dient te worden bedacht - zoals Asser schrijft-:

“De partij die schadevergoeding vordert wegens overschrijding van de redelijke termijn krijgt de volle last van de informatieplicht, stelplicht en bewijslast over de omstandigheden die meebrengen dat sprake is van schending van art. 6 EVRM. Als troost voor deze partij wordt ten gunste van haar een rechterlijk vermoeden bij ‘een zeer lange feitelijke duur van de procedure’ mogelijk geacht. Een beetje schrale troost. Er gaapt in de rechtsbescherming hier wel een groot gat ten opzichte van het onweerlegbare vermoeden van immateriële schade en de eenvoudige en bepaald niet hoge forfaitaire schadeberekening, als de schending van art. 6 EVRM eenmaal vaststaat (...).”

Dat maakt het instellen van een dergelijke vordering niet aantrekkelijker. Bovendien strookt het niet met het streven van de wetgever de benadeelde partij door voeging in het strafproces een - niet aan griffierecht onderhevige - eenvoudige weg te bieden voor het indienen van haar vordering:

“Het slachtoffer kan op deze wijze zonder noemenswaardige kosten zijn vordering verhalen. De gang naar de civiele rechter blijft hem dan bespaard en hij verkrijgt een volledige titel om bij toewijzing tot executie volgens de regels van het burgerlijk recht over te gaan.”

aldus de memorie van toelichting bij de Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, nr. 1 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces.

43. Doordat HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736 ook de verdachte de mogelijkheid biedt bij de civiele rechter een vordering tot vergoeding van schade, geleden door overschrijding van de redelijke termijn in de strafprocedure, in te dienen, is het thans niet meer noodzakelijk dat de Hoge Raad voorziet in compensatie in de vorm van strafvermindering. Blijven natuurlijk de hiervoor aan het indienen van een dergelijke vordering verbonden bezwaren. Met dien verstande dat de benadeelde partij en de verdachte dan dezelfde hindernissen ondervinden om hun uit overschrijding van de redelijke termijn voortvloeiende immateriële schade vergoed te krijgen.

44. Op 1 juli 2012 is art. 80a RO in werking getreden. Deze bepaling maakt het mogelijk het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Bij zijn arresten van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, BX0132, BX0146 en BX7004 heeft de Hoge Raad in navolging van de memorie van toelichting bepaald dat een cassatieberoep met art. 80a RO kan worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

”In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

45. Van klachten die tot toepassing van art. 80a RO leiden kan veelal worden gezegd dat deze, gelet op de in art. 80a RO gehanteerde criteria van ‘klaarblijkelijk ongegrond’ of ‘klaarblijkelijk onvoldoende de belang’, een (zeer) geringe kans op succes hebben. In niet punitieve zaken ziet de fiscale kamer van de Hoge Raad daarin geen beletsel de door de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade te doen vergoeden:

“3.9.4.Evenmin bestaat grond om een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van een proces af te wijzen vanwege de omstandigheid dat sprake is van een (zeer) geringe kans op succes van de belanghebbende in de desbetreffende procedure (zie het arrest BNB 2014/200).”

46. In het hiervoor aangehaalde, op de uitleg van art. 80a RO betrekking hebbende arrest overweegt de Hoge Raad dat de verdachte er zelf voor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Dat moge zo zijn, voor de benadeelde partij geldt dit niet. De immateriële schade die zij leidt door overschrijding van de redelijke termijn in cassatie kan aan haar allesbehalve worden geweten. Zij lijdt wel immateriële schade doch in vergoeding is - afgezien van een het indienen van een zelfstandige vordering bij de kantonrechter - niet voorzien. Dat wringt temeer wanneer wordt bedacht dat in een dergelijk geval de klachten van de verdachte klaarblijkelijk ongegrond zijn dan wel dat de verdachte bij zijn klachten onvoldoende belang heeft.

47. Borgers en Kooijmans wijzen er in een reactie op door mij bij conclusie voorgestelde wijzigingen in de door de Hoge Raad geboden voorziening voor compensatie van overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken op dat het bieden van compensatie binnen het bestek van de strafzaak lastige vragen oproept omtrent de maatstaven voor een billijke compensatie door middel van strafvermindering. Ook is het niet mogelijk in alle gevallen waarin compensatie op zichzelf wel geboden is, deze te verschaffen aan de personen die daarop aanspraak maken. Naar de opvatting van deze schrijvers dienen dergelijke wijzigingen in de rechtspraak over compensatie van overschrijding van de redelijke termijn niet door de rechter maar door de wetgever te worden doorgevoerd. Komt het tot overschrijding van die termijn, dan achten zij strafvermindering gelet op de daaraan klevende bezwaren niet een voor de hand liggende keuze maar eerder één van de te bieden mogelijkheden om de schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken te compenseren. Zij achten het het overwegen waard om compensatie bij overschrijding van de redelijke termijn niet alleen in de strafprocedure maar ook daarbuiten mogelijk te maken.

48. Het bieden van compensatie ter zake van overschrijding van de redelijke termijn in de strafprocedure door het toekennen van een geldbedrag als vergoeding van daardoor geleden immateriële schade is een mogelijkheid om aan de hiervoor geschetste bezwaren van de huidige wijze van compensatie in belangrijke mate tegemoet komen. Nu de wetgever niet voornemens is in de strafprocedure te voorzien in vergoeding van die van schade in de vorm van het toekennen van een bedrag aan geld dan wel anderszins, verdient het aanbeveling dat de Hoge Raad, zoals hij in HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770, NJ 2014, 268 m.nt. T.M. Schalken ten aanzien van het recht op verhoorsbijstand heeft gedaan, aan de wetgever te kennen geeft dat er op afzienbare termijn een dergelijke voorziening dient te worden geschapen. De thans in gang zijnde modernisering van het Wetboek van Strafvordering biedt voor het scheppen van een dergelijke voorziening - naar Duits voorbeeld? - een uitgelezen gelegenheid. Zoals Mevis schrijft blijft het strafrecht met het ontbreken van een schadevergoedingsregeling opvallend achter bij andere rechtsgebieden.

49. Hoe nijpend de noodzaak voor het treffen van een wettelijke regeling is, komt in de onderhavige zaak ongemeen scherp naar voren. Louter de overschrijding van de inzendingstermijn in cassatie levert de verdachte reeds een vermindering van straf op van zes maanden. Daar staat tegenover dat de benadeelde partij [betrokkene 1] , de dochter van de vermoorde [betrokkene 3] , geen enkele compensatie wordt geboden terwijl de afdoening van haar vordering ook door overschrijding van de inzendingstermijn is vertraagd en vertraging in de afdoening niet alleen voor de verdachte maar ook voor haar veel spanning en frustratie, voortvloeiend uit onzekerheid over de afloop van de strafzaak, moet meebrengen.

50. Voor het bestaande recht betekent de in civilibus geschapen mogelijkheid vergoeding van door overschrijding van de redelijke termijn geleden schade te vorderen, dat de Hoge Raad er in geval van levenslange gevangenisstraf, terbeschikkingstelling of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders goed aan doet niet meer te overwegen dat de termijnoverschrijding door de enkele constatering daarvan is vereffend. Vergoeding van die schade kan immers bij de civiele rechter worden gevorderd. Juist die omstandigheid brengt mee dat die constatering achterwege moet blijven, omdat daardoor het indienen van een vordering in civilibus wordt doorkruist. Die constatering betekent immers dat is vastgesteld dat daarmee de schade is vergoed.

51. Voorts zou ik - in afwachting van activiteiten van de wetgever - willen voorstaan de scherpste kanten van de huidige door de Hoge Raad geschapen regeling ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn te verzachten. Dan denk ik er in de eerste plaats aan de overschrijding van de inzendingstermijn gecompenseerd te achten door de enkele constatering daarvan. Als het al zo is dat - in de rechtspraak van de Hoge Raad - overschrijding van de redelijke termijn in geval van levenslange gevangenisstraf, terbeschikkingstelling of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gecompenseerd kan worden door de enkele constatering daarvan, dan valt toch moeilijk vol te houden dat louter overschrijding van de inzendingstermijn niet ook door die enkele vaststelling kan worden vereffend. De immateriële schade van een levenslang gestrafte - en naar mag worden aangenomen voorlopig gehechte - verdachte die langer dan zestien maanden op een uitspraak van de rechter moet wachten, zal toch wezenlijk groter zijn dan die van een tot een tijdelijke vrijheidsstraf of geldboete veroordeelde verdachte die binnen een termijn van twee jaar dan wel - indien hij voorlopig gehecht is - binnen zestien maanden een uitspraak van de rechter krijgt ook al is de inzendingstermijn overschreden. In dit verband wijs ik op hetgeen het EHRM overwoog in zijn Decision van 15 oktober 2013, Appl. No. 29388/11 (Borges de Brito v. the Netherlands), par. 22:

“Nor is it axiomatic that a violation of the “reasonable time” requirement contained in Article 6 § 1 entitles its victim to compensation for non-pecuniary damage suffered as a result (see, as examples involving such violations found by the Court itself, Girolami v. Italy, 19 February 1991, § 19, Series A no. 196‑E; Abdoella v. the Netherlands, 25 November 1992, § 28, Series A no. 248‑A; and Bunkate v. the Netherlands, 26 May 1993, § 25, Series A no. 248‑B; as an example involving such a violation found by a domestic court, Wiredu v. the Netherlands (dec.), no. 47595/08, § 27, 10 September 2013). It should be remembered in this connection that the “effectiveness” of a “remedy” within the meaning of Article 13 does not depend on the certainty of a favourable outcome for the applicant (see, among many other authorities, Kudła v. Poland [GC], cited above, § 152; and Sürmeli v. Germany [GC], no. 75529/01, § 98, ECHR 2006‑VII).”

52. Bij het voorgaande dient nog te worden bedacht dat het bij compensatie van de inzendingstermijn gaat om vergoeding van geleden immateriële schade, niet om een middel om rechters in het gareel van de redelijke termijn te houden. Daarvoor zijn andere middelen.

53. Verder zou ik de maximale compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn willen beperken tot de helft van de overschrijding daarvan. De immateriële schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn kan moeilijk gelijk worden gesteld aan de immateriële schade, te lijden door het ondergaan van evenzovele dagen vrijheidsstraf. Hat mag dan zo zijn dat langer wachten dan redelijk is betekent dat het zwaard van Damocles langer dan redelijk is boven het hoofd van de verdachte hangt, de door louter dit wachten geleden immateriële schade valt bij benadering niet gelijk te stellen aan immateriële schade voortvloeiend uit het daadwerkelijk ondergaan van een vrijheidsstraf.

54. De Hoge Raad overweegt in zijn hiervoor aangehaalde arrest van 2011 dat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen, en dat “de Hoge Raad op dit moment geen aanleiding [ziet] deze aan te passen”. Inmiddels zijn we bijna zeven jaar verder en heeft de wetgever - anders dan de Hoge Raad verwachtte c.q. veronderstelde - de afgelopen jaren stilgezeten. Is dan nu niet het moment gekomen om de scherpste kanten van de huidige vuistregels er af te slijpen? Mevis schrijft het zo:

“Maar de Hoge Raad overweegt ook dat die regels ‘in beginsel’ een zekere duurzaamheid moeten hebben, reden waarom hij ‘op dit moment’ geen aanleiding ziet die aan te passen. Daarin ligt besloten dat veranderingen, binnen ‘een langer durende rechtsontwikkeling’ mogelijk zijn. Wie zijn klassiekers kent, weet daarvan mee te praten. In HR 23 september 1980, NJ 1981/116, m.nt. Van Veen overwoog de Hoge Raad immers nog dat in geval van overschrijding van de redelijke termijn de (verdere) vervolging zo zeer in strijd was met fundamentele beginselen van goede procesorde dat niet-ontvankelijkheid van het OM deswege het enige, onvermijdelijke rechtsgevolg was.”

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

Print Friendly and PDF