Bromfiets weggemaakt door hem uit het zicht te plaatsen?

Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:214

De verdachte is bij arrest van 29 augustus 2016 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
 

Middel

Het middel klaagt dat art. 350 Sr is geschonden, doordat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening”, althans dat de bewezenverklaring van dat onderdeel van de tenlastelegging ontoereikend en/of onvoldoende is gemotiveerd.
 

Conclusie AG

Het bestreden arrest bevat de navolgende bewijsoverweging:

“De raadsman heeft ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde betoogd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen. Voorts heeft de verdachte de bromfiets volgens de raadsman niet weggemaakt als bedoeld in artikel 350 Sr, aangezien het wegmaken een min of meer blijvende toestand vereist van het weg zijn van een voorwerp. Nu de bromfiets om de hoek was geplaatst door de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 4] die bromfiets eenvoudig heeft gevonden (aangezien hij deze nadien nogmaals heeft verplaatst), is daarvan geen sprake en dient te verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte samen met twee andere mannen naar aanleiding van een dispuut over een gestolen portemonnee [betrokkene 1] van een Esso pompstation te Landgraaf hebben verjaagd. Verdachte heeft vervolgens de bromfiets waarmee [betrokkene 1] naar het pompstation was gekomen verplaatst en in de directe nabijheid van het bij het tankstation gelegen terras gezet. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 1] de bromfiets niet zonder zijn aanwijzing zou kunnen terug vinden.

Het hof stelt voorop dat wegmaken in de zin van artikel 350 Sr niet vereist dat het goed voorgoed verloren gaat, bijna zeker niet meer terecht komt of niet meer bestaat. Voldoende is dat een handeling naar algemeen spraakgebruik is te kwalificeren als wegmaken.

In de onderhavige zaak heeft verdachte de bromfiets van [betrokkene 1] op een voor [betrokkene 1] onbekende plaats gezet. [betrokkene 1] zou zijn bromfiets niet terug kunnen vinden zonder hulp van de verdachte. Daarmee acht het hof, anders dan de raadsman, bewezen dat de verdachte de betreffende bromfiets heeft weggemaakt. Dat medeverdachte [betrokkene 4] de bromfiets makkelijk kon vinden, aangezien hij die bromfiets nadien nogmaals heeft verplaatst, doet aan het voorgaande niet af. Te meer niet omdat verdachte tegen medeverdachte [betrokkene 4] heeft verteld waar hij de bromfiets had neergezet (dossierpagina 58).”

Het subsidiair tenlastegelegde feit en de bewezenverklaring berusten op art. 350 lid 1 Sr. Dit artikellid luidt:

“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Art. 350 lid 1 Sr beschermt het ongestoorde gebruik en genot van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort. Het artikellid stelt verschillende gedragingen strafbaar waardoor de bruikbaarheid van het goed wordt verminderd of (al dan niet tijdelijk) geheel verdwijnt.1 Wat houdt het bestanddeel “wegmaken” in art. 350 lid 1 Sr in? Volgens de Hoge Raad is onder het in art. 200 Sr (dat ziet op het wegmaken van bewijsstukken) bedoelde “wegmaken” ook “wegnemen” begrepen, en is voor wegnemen “uitteraard niet noodig, dat het goed heerloos of zoek zij gemaakt”2. De Hoge Raad baseert dit oordeel op de wetsgeschiedenis van art. 361 Sr, het met art. 200 Sr corresponderende ambtsdelict. Met Fokkens meen ik dat deze uitleg ook van toepassing is op het wegmaken zoals bedoeld in art. 350 Sr en dat onder “wegmaken” derhalve kan worden verstaan “buiten bereik van de eigenaar brengen”.3 Uit HR 31 mei 1960, NJ 1960/488 blijkt dat bijvoorbeeld het wegnemen - uit een fietsenhok - en op een voor de eigenaar op een onbekende plaats – te weten het vliegveld Leeuwarden - achterlaten van een fiets onder wegmaken in de zin van art. 350 Sr valt. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest voorts dat het standpunt dat slechts dan van wegmaken als bedoeld in art. 350 Sr sprake is, indien men het betrokken goed voor de eigenaar voorgoed verloren doet gaan, dit goed bijna zeker niet meer terecht komt, niet meer bestaat of niet meer op te leveren is, onjuist is.

Gelet op het voorgaande heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte, door de bromfiets van [betrokkene 1] op een voor [betrokkene 1] onbekende plaats neer te zetten terwijl [betrokkene 1] zijn bromfiets niet terug zou kunnen vinden zonder hulp van de verdachte, de betreffende bromfiets heeft “weggemaakt” in de zin van art. 350 Sr toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.

Het middel klaagt voorts dat het bewezenverklaarde opzet op het wegmaken ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel betoogt dat aan de hand van het handelen van de verdachte niet kan worden afgeleid dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [betrokkene 1] de bromfiets niet zou kunnen terugvinden, nu de bromfiets in eerste instantie gewoon zichtbaar was en een ander dan de verdachte de bromfiets vervolgens (nogmaals) heeft verplaatst.

De gebezigde bewijsmiddelen houden als verklaringen van de verdachte onder meer in: “Het was mijn bedoeling om de bromfiets terug te geven aan [betrokkene 1] als deze terug kwam, nadat ik hem eerst gevraagd zou hebben wat er aan de hand was geweest”, “Ik besef dat ik de bromfiets uit de macht van de jongen genomen heb. Ik had niet aan de jongen gevraagd of ik de bromfiets mocht wegzetten” en “Het is juist dat de jongen van mij nog een aanwijzing nodig had om te weten waar ik zijn bromfiets had neergezet.” Uit deze verklaringen heeft het hof zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte met (vol) opzet de bromfiets van [betrokkene 1] heeft weggemaakt. Het middel faalt ook in zoverre.

Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering worden afgedaan.

 


Lees hier de volledige conclusie.
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF