Belastingrechter: pre-weegdocument van de FIOD is een op de zaak betrekking hebbend stuk, geen gewichtige reden voor geheimhouding

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4838

Nadat BV A de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen BTW niet betaalde, heeft de ontvanger X en Y aansprakelijk gesteld, omdat zij de feitelijke beleidsbepalers van BV A waren. Beiden zijn in beroep gegaan. Hof Arnhem-Leeuwarden handhaafde in navolging van Rechtbank Arnhem de aansprakelijkstelling.

X en Y ging in cassatie en stelden dat de ontvanger niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd. Het ging volgens X om door de FIOD opgemaakte processen-verbaal en daaraan ten grondslag liggende stukken. De Hoge Raad besliste dat die bescheiden van enig belang konden zijn (geweest) voor de besluitvorming in de zaak. Het Hof had daarom moeten toezien op overlegging van die bescheiden of moeten onderzoeken of sprake was van een uitzonderingssituatie op grond waarvan de ontvanger was bevrijd van zijn verplichting. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Den Bosch. De ontvanger verstrekte alsnog enkele stukken, maar beriep zich voor een aantal andere stukken op geheimhouding omdat het volgens hem interne stukken waren die normaal gesproken niet werden overlegd. Het betrof onder meer een zogenoemd pre-weegdocument van de FIOD en het OM, dat was gebruikt voor de aanmelding c.q. voordracht van deze zaak voor een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. 

De geheimhoudingskamer van Hof Den Bosch besliste als volgt.

Algemeen juridisch kader

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Ontvanger op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Ontvanger dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205).

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer (van het Hof) die in de hoofdzaak beslist kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Ontvanger worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Ontvanger om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat de variant ‘beperkte kennisneming’ alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.)

Uit de door belanghebbende ingediende stukken maakt de geheimhoudingskamer op dat belanghebbende deze toestemming niet wil geven, hetgeen impliceert dat het verzoek van de Ontvanger in dit geval opgevat dient te worden als een verzoek om geheimhouding en niet als een verzoek om beperkte kennisneming.

Beslissend bij de vraag of de Ontvanger zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de Ontvanger voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

De geheimhoudingskamer wijst er voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde stukken voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de belastingrechter (in de hoofdzaak) toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

De verwoorde belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

Beoordeling van het verzoek

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad, voor zover te dezen van belang, het volgende overwogen:

‘2.2.1. De middelen 1, 2, 5 en 8 behelzen onder meer de klacht dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 8:42, lid 1, van de Awb op hem rustende verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De middelen wijzen onder meer op door de FIOD opgemaakte processen-verbaal, daaraan ten grondslag liggende stukken, en verslagen van bij derden ingestelde onderzoeken.

2.2.2. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor het Hof voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de hiervoor in 2.2.1 genoemde bescheiden van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in de onderhavige zaak. Het Hof had derhalve moeten toezien op overlegging van die bescheiden dan wel moeten oordelen dat zich één van de uitzonderingssituaties voordoet als genoemd in onderdeel 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de Ontvanger van zijn hiervoor in 2.2.1 bedoelde verplichting is bevrijd.

Aangezien in 's Hofs uitspraak een oordeel hieromtrent ontbreekt, is de uitspraak op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De middelen 1, 2, 5 en 8 slagen derhalve in zoverre.’.

Op de zaak betrekking hebbende stukken, artikel 8:42 van de Awb

In de onderhavige procedure heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd gesteld dat de stukken G1 tot en met G5 van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in de onderhavige zaak. De Ontvanger heeft dit - op zich - niet bestreden en heeft de stukken G1 tot en met G5 - zo begrijpt de geheimhoudingskamer - juist overgelegd naar aanleiding van belanghebbendes verzoek om (alle) op de zaak betrekking hebbende stukken te ontvangen, welk verzoek geconcretiseerd is in belanghebbendes brieven van 2 en 17 mei 2017. Aldus is tussen partijen niet in geschil dat de stukken G1 tot en met G5 tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, welk standpunt de geheimhoudingskamer onderschrijft. Het voorgaande brengt met zich dat de stukken in beginsel ongeschoond door de Ontvanger aan belanghebbende dienen te worden geopenbaard.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Ontvanger weigert de stukken (ongeschoond) in het geding te brengen.

Door de Ontvanger aangevoerde redenen voor geheimhouding

De Ontvanger heeft als reden voor geheimhouding aangevoerd dat het hier interne stukken betreft die normaal gesproken niet worden overgelegd (aan het Hof en aan belanghebbende). De geheimhoudingskamer is van oordeel dat deze door de Ontvanger voor geheimhouding aangevoerde reden geen gewichtige reden (artikel 8:29 van de Awb) vormt als bedoeld onder 3.6. Indien de Ontvanger bedoeld zou hebben dat de aan de stukken gegeven kwalificatie ‘intern’ eraan in de weg zou staan de stukken aan belanghebbende te openbaren overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de Ontvanger aan het uit het artikel 8:42 van de Awb voortvloeiende recht van belanghebbende op kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm geen afbreuk kan doen door stukken van het etiket ‘intern’ te (laten) voorzien.

Andere redenen voor geheimhouding heeft de Ontvanger niet aangevoerd.

De Ontvanger heeft in zijn brief van 9 november 2016 aangegeven dat indien zijn beroep op geheimhouding niet slaagt, de stukken G1 tot en met G5 alsnog ongeschoond kunnen worden overgelegd aan belanghebbende. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat het in 3.12 en 3.13 overwogene voor de Ontvanger de verplichting meebrengt de stukken G1 tot en met G5 aan het Hof en belanghebbende over te leggen zal de geheimhoudingskamer deze stukken ter beschikking stellen aan de hoofdkamer tezamen met het procesdossier.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF