Artikel 3 Politiewet geen basis voor peilbaken. Wetsschending met structureel karakter, maar geen bewijsuitsluiting.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10593

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 27 mei 2015 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Brinkerstraat, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Feitelijke grondslag

In het door de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 , beiden brigadier van politie, op 4 juni 2015 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het volgende gerelateerd:

Die dag (27 mei 2015; hof), omstreeks 17:30 uur, kregen wij melding van een technisch hulpmiddel, waardoor ons bekend was dat de personenauto van de verdachte, verdachte , in beweging was en waar deze zich bevond.

Dit technisch hulpmiddel was op 26 mei 2015 geplaatst naar aanleiding van waarnemingen door collega verbalisant 3 in verband met het ongeldig verklaard rijbewijs van de verdachte.

In het door de verbalisant verbalisant 3 , brigadier van politie, op 4 juni 2015 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is ondermeer het volgende gerelateerd:

Het is mij ambtshalve bekend dat de bewoner van de adres in plaats een ongeldig verklaard rijbewijs heeft en de beschikking heeft over een opvallende gele Fiat Bravo, voorzien van het kenteken kenteken.
De Fiat staat normaal gesproken geparkeerd achter zijn woning op de oprit. Ik zag dat de Fiat er op dat moment (26 mei 2015; hof) niet stond. Omdat ik het vermoeden had dat verdachte op dat moment weg was met de auto heb ik besloten om in de directe omgeving te posten en af te wachten of hij terug zou komen.
Na enige tijd zag ik dat een mij onbekend gebleven jongen naar de woning liep. Ik kreeg de indruk dat de jongen mij had gezien en mij in de gaten hield. Ik heb hem aangesproken. De jongen vertelde mij dat hij een vriend was van de zoon van verdachte en hij vroeg mij of ik zeker aan het posten was op de vader van zijn vriend. De jongen vertelde mij dat hij hem ging bellen om te zeggen dat de politie op hem zat te azen.
Hierdoor kreeg ik het vermoeden dat verdachte , ondanks zijn ongeldig verklaarde rijbewijs blijft rijden als bestuurder.

Het hof heeft de advocaat-generaal op voorhand gevraagd om ter zitting nader geïnformeerd te worden omtrent de vraag “of er en, zo ja door wie bevel of machtiging is gegeven voor gebruik van welk technisch hulpmiddel”, aangezien dit een en ander uit het dossier niet bleek.

Per e-mail van 23 december 2015 is hierop als volgt geantwoord door politiefunctionaris , kennelijk een politiefunctionaris:

Ik beantwoord onderstaande email even namens collega verbalisant 3 . Ik was verbonden aan het ‘project peilbaken’, destijds. Ik zeg destijds, omdat het project inmiddels in de koelkast is gezet.
Het peilbaken werd ingezet op basis van artikel 3 van de Politiewet. Het betrof een zender die middels een magneet onder een voertuig kon worden ‘geplakt’, waarna er een signaal binnenkwam als het voertuig een rond de zender ingesteld gebied verliet. Vervolgens, was de afspraak, werd het voertuig zo spoedig mogelijk gecontroleerd.
Het was eigenlijk niets meer of minder dan het afposten van een verdacht voertuig, voor korte tijd, echter nu kon dat plaats vinden met een technisch hulpmiddel. Het middel had dus de functie te signaleren, niet te observeren of te volgen.
Derhalve kon het zelfstandig ingezet worden, zonder bevel of machtiging. Althans dat was de consensus, nu zal gaan blijken of die visie gedeeld gaat worden.

Beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat de inzet van een dergelijk peilbaken niet gebaseerd kan worden op artikel 3 van de Politiewet 2012. In deze zaak is niet zozeer sprake van een “verdacht voertuig”, maar van een (bekende) verdachte persoon. Voor de stelselmatige observatie van een verdachte persoon, met gebruik van een technisch hulpmiddel, is op grond van artikel 126g, eerste en derde lid van het Wetboek van Strafvordering de machtiging van de officier van justitie vereist. Uit het dossier blijkt niet van zodanige machtiging; op grond van de inhoud van het e-mailbericht kan het er gevoeglijk voor worden gehouden dat die er ook inderdaad niet was.

Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een – onherstelbaar - vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof stelt vast dat de resultaten van het opsporingsonderzoek in deze zaak door het onbevoegd plaatsen van het peilbaken zijn verkregen. Of dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria, die door de Hoge Raad zijn neergelegd in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321).

Hetgeen in deze zaak is gebeurd lijkt aan te sluiten bij de in r.o. 2.4.6 door de Hoge Raad geschetste situatie: zoals uit de benaming “project peilbaken” en het woord “consensus” kan worden afgeleid was sprake van een wetsschending met een structureel karakter.

Echter, de opmerking dat “het project inmiddels in de koelkast is gezet” doet vermoeden dat niet gezegd kan worden dat de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat thans geen plaats is voor bewijsuitsluiting.

Daarbij moet er wel voor gewaakt worden, dat deze methode weer als buitenwettelijk “project” wordt ingezet.


Lees hier de volledige uitspraak. 
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF