Afgeleid verschoningsrecht stichting, geen zwaarwegend belang

Rechtbank Almelo 24 april 2013, LJN BZ9109

Feiten en omstandigheden 

Op 20 februari 2013 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de gevangenhouding van verdachte bevolen voor de periode van 90 dagen gelet op de verdenking van poging tot doodslag.

Op 28 februari 2013 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland machtiging verleend tot vordering verstrekking gevoelige gegevens van verdachte bij de Geestelijke Gezondheidsdienst Dimence. In die beschikking van de rechter-commissaris is opgenomen dat het gaat om alle medische gegevens over de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 februari 2013 met betrekking tot verdachte waarover klaagster zou beschikken.

Op 1 maart 2013 heeft de officier van justitie van klaagster de verstrekking van gevoelige gegevens gevorderd waarover klaagster zou beschikken met betrekking tot verdachte. Klaagster heeft aan de vordering voldaan onder de voorwaarde dat de verzegelde enveloppe met de gevoelige gegevens ongeopend dient te blijven en door de rechter-commissaris wordt bewaard in afwachting van de rechterlijke beslissing op het ingediende klaagschrift. Klaagster heeft onder meer gesteld dat de gevorderde gegevens zonder meer gevoelige gegevens zijn, namelijk gegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 21Wbp.

Klaagster verzet zicht tegen de inbeslagname en kennisneming van deze gegevens en stelt zich op het standpunt dat alle gevorderde gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim en doet om die reden een beroep op het (afgeleid) verschoningsrecht. Het standpunt van de officier van justitie is dat gelet op het dringende onderzoeksbelang het strafvorderlijk belang dient te prevaleren boven het algemeen belang dat wordt beschermd door het medisch beroepsgeheim en het daaraan gekoppelde afgeleid verschoningsrecht.

Beoordeling rechtbank

Klaagster is in beginsel verschoningsgerechtigd. Indien door of namens een verschoningsgerechtigde geen toestemming wordt verleend tot verstrekking van geschriften tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, is een inbreuk op dit verschoningsrecht van de geheimhouder volgens vaste jurisprudentie slechts toegelaten in 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' (vgl. HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 490 en HR 30 november 1999, NJ 2011, 438). Slechts in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden dient het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, te prevaleren boven het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Ingevolge art. 98, eerste lid, Sv worden bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv, zonder hun toestemming, brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan de geheimhouder toekomende bevoegdheid tot verschoning.

De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon (vgl. HR 29 maart 1994, NJ 1994, 537). Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het verschoningsrecht is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht (vgl. HR 30 november 1999, NJ 2002, 438). De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Daarbij geldt voorts dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen zwaarwegend belang ten grondslag ligt aan de vordering van de officier van justitie. Ter zitting heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd dat het medisch dossier voor de waarheidsvinding niet relevant is. Kennelijk wil het PBC in het kader van de observatie en beoordeling van de geestesgesteldheid van verdachte de beschikking krijgen over het medisch dossier. Verdachte zelf wil geen toestemming geven tot verstrekking van de gevraagde gegevens. De rechtbank is van oordeel dat de van klaagster gevorderde gegevens onder het bereik van het medisch beroepsgeheim vallen. Het medisch beroepsgeheim omvat immers alle gegevens die een zorgverlener in de uitoefening van zijn beroep over de patiënt te weten komt. Het is aan klaagster om te beoordelen of de gevorderde gegevens object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken. Namens klaagster is met een beroep op het verschoningsrecht gemotiveerd uiteengezet dat zij de gevorderde gegevens niet wenst te verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de officier van justitie geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die kunnen worden aangemerkt als volgens vaste jurisprudentie ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ op basis waarvan een inbreuk op het verschoningsrecht zou mogen worden toegelaten. Het klaagschrift dient om die reden dan ook gegrond verklaard te worden.

Nog daargelaten hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het bereik en de toepasselijkheid van het verschoningsrecht in de onderhavige zaak, is de rechtbank primair van oordeel dat de in titel IVA van het Wetboek van Strafvordering omschreven bijzondere opsporingsbevoegdheden niet bedoeld zijn voor het verkrijgen van gegevens zoals in de onderhavige zaak aan klaagster zijn verzocht. Het opmaken van een pro-justitiarapportage door gedragsdeskundigen betreft naar het oordeel van de rechtbank geen opsporing of opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. Ook om die reden moet het klaagschrift gegrond worden verklaard.

Conclusie 

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF