Asbest: verwijzing in certificatieschema naar norm NEN2990:2012

Op 10 oktober 2013 is het besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met kenmerk 2013-0000134066, in de Staatscourant gepubliceerd. Hiermee wordt de Arbeidsomstandighedenregeling gewijzigd in verband met het actualiseren van de NEN 2990 voor het meetvoorschrift van de eindbeoordeling bij asbestverwijdering. Met de wijziging is een verwijzing naar de norm NEN2990:2005 geactualiseerd naar NEN2990:2012. De wijziging wordt op 1 november 2013 van kracht.

In de NEN 2990 versie 2012 zijn een aantal normelementen opgenomen die specifiek betrekking hebben op de nieuwe asbestgrenswaarden en de meetmethoden hiervoor. Het betreft in het bijzonder de zogenoemde hoog risico saneringen en de bijbehorende onderzoeken middels Elektronenmicroscopie (SEM) van kleefmonsters en luchtmonsters. Deze normelementen treden pas in werking zodra de nieuwe asbestgrenswaarden van kracht zijn. Om dit onderscheid te maken zijn deze normelementen in de NEN2990:2012 aangegeven met een *.

Vanaf 1 november 2013 is de NEN 2990:2012 de verplichte norm om mee te werken, maar de normelementen met betrekking tot Hoog-Risicosaneringen voor wat betreft metingen middels Elektronenmicroscopie treden pas op een later moment in werking.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Recht op vertaling en vertolking in strafprocedures

Per 1 oktober is de Wet van 28 februari 2013 tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures in werking getreden.

Deze wet strekt tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). Ingevolge artikel 9 van de richtlijn rust op de lidstaten de verplichting de richtlijn vóór 27 oktober 2013 in nationale regelgeving om te zetten.

De onderhavige richtlijn bevat minimumregels met betrekking tot vertolking en vertaling in strafprocedures. Vertolking en vertaling dragen eraan bij dat een verdachte die de taal waarin de procedure wordt gevoerd niet of onvoldoende beheerst, effectief kan deelnemen aan zijn strafproces, dat wil zeggen dat hij kan begrijpen van welk feit hij wordt verdacht en dat hij in staat wordt gesteld zich daartegen te verdedigen. De richtlijn vormt onderdeel van een pakket van maatregelen die beogen binnen de Europese Unie een gelijkwaardig minimumniveau van rechtsbescherming van verdachten te realiseren. Het verzekeren van een dergelijke minimumniveau in alle lidstaten van de EU kan bijdragen aan het versterken van het voor een goede strafrechtelijke samenwerking benodigde onderlinge vertrouwen in de rechtspleging van de lidstaten. De maatregelen zijn aangekondigd in een door de Raad op 30 november 2009 vastgestelde resolutie inzake een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (PbEU C 295) die op haar beurt onderdeel vormt van het op 4 mei 2010 gepubliceerde Programma van Stockholm – Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (PbEU C 115).

Nederland voldeed grotendeels al aan hetgeen de richtlijn voorschrijft. De Nederlandse praktijk is in overeenstemming met de bepalingen uit de richtlijn die betrekking hebben op bijstand van een tolk, de kwaliteit van tolken en vertalers, de vertrouwelijkheid die tolken en vertalers bij hun werkzaamheden in acht moeten nemen, de registratie van tolken en vertalers en de kosten. Op enkele punten is deze praktijk echter niet in wetgeving geformaliseerd. Nu het recht op vertolking in alle fasen van de strafprocedure, met inbegrip van het opsporingsonderzoek, als een van de kernelementen van de richtlijn moet worden aangemerkt, werd het geboden geacht in het Wetboek van Strafvordering enkele algemene bepalingen op te nemen.

Print Friendly and PDF ^

Fraudeaanpak, handhaving & naleving: Kamerbrief over intensivering toezicht in het sociale zekerheidsdomein

Minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma (beide SZW) hebben de Tweede Kamer vorige week geïnformeerd over de voorstellen voor de intensivering van het toezicht door UWV en SVB en geven inzicht in de mogelijkheden hiertoe bij de Inspectie SZW.

Inleiding

Per 1 januari 2013 is de Fraudewet van kracht. Daarmee is in gang gezet dat onrechtmatig verkregen voordeel en boetes altijd moeten worden (terug)betaald. Bovendien zijn de boetes verhoogd.

Het bestrijden van fraude en het niet naleven van regels berust op opsporing, strikte handhaving, preventie en fraudebewustzijn.

De maatregelen op het terrein van opsporing en strikte handhaving zijn gericht op het intensiveren van de handhaving door de inzet van meer mensen bij UWV, de SVB en Inspectie SZW, het koppelen van gegevens, het beter samenwerken in de keten en het verhogen van de (gepercipieerde) pakkans. Dit leidt tot een snellere en efficiënte aanpak van fraude.

De maatregelen op het terrein van preventie van fraude en misbruik zijn gericht op het vereenvoudigen en begrijpelijk maken van de regels, het voorlichten over de plicht van uitkeringsgerechtigden om zich in te spannen om werk te vinden en te houden en een cultuuromslag bij professionals, waardoor fraude en misbruik sneller worden herkend en voorkomen.

Intensiveren van de handhaving

Naast preventieve maatregelen is het beleid erop gericht gepleegde fraude en het niet naleven van regels te onderkennen, te corrigeren en te sanctioneren. Een inventarisatie in de afgelopen maanden heeft duidelijk gemaakt dat intensivering mogelijk is. Een intensivering die zichzelf terugverdient in lagere uitkeringslasten. De capaciteit bij UWV, de SVB en Inspectie SZW wordt de komende vier jaar uitgebreid met jaarlijks 260 fte. Deze 260 fte gaan zich richten op het handhaven van de regelgeving.

Efficiënte handhaving

Intensiveren van de handhaving zal niet alleen plaatsvinden door extra budget maar ook door de bestaande handhavingcapaciteit slimmer en effectiever in te zetten. Dit gebeurt door het scherp bepalen van de prioriteiten en het doorontwikkelen van risicoanalyses en profielen. De Inspectie SZW werkt risicogericht en zet haar mensen en middelen in waar dat het meeste effect sorteert. Ook SVB, UWV en gemeenten streven naar een risicogerichte controle en handhaving. De SVB heeft daarvoor het nieuwe Multiregelingensysteem (MRS) in ontwikkeling. Hierbij wordt via risicokenmerken en risicoprofielen steeds gerichter en volgens vaste uitvoeringsprotocollen gecontroleerd. UWV hanteert risicoprofielen in de elektronische dienstverlening, bij telefonische controles of voor het selecteren van mogelijke fraudezaken. Uitkeringsgerechtigden met een verhoogd risico op overtreding ontvangen doelgerichte (digitale) voorlichting en eventuele controlevragen om gewenst gedrag te stimuleren. Hierbij wordt potentiële fraude sneller opgespoord. Risicoprofielen worden niet alleen opgesteld voor uitkeringssituaties, maar ook voor specifieke fenomenen zoals faillissement- of jobcoachfraude. In ontwikkeling zijn profielen voor het onderkennen van medische fraude. Al deze risicoprofielen worden de komende jaren vergeleken en gedeeld tussen de verschillende partijen in de handhavingketen. Zo wordt een steeds preciezer beeld gekregen van (potentiële) fraudeurs.

Andere activiteiten die leiden tot efficiëntere handhaving:

Het wetsvoorstel Fraudeaanpak door bestandskoppelingen, dat op 1 oktober jl. door de Eerste Kamer is aangenomen, legt de wettelijke basis voor het instrument Systeem Risico Inventarisatie (SyRI). Hiermee kunnen, in het kader van integraal overheidsoptreden in een samenwerkingsverband, bestanden van gemeenten, UWV, SVB, Inspectie SZW en Belastingdienst worden gekoppeld ten behoeve van de bestrijding van fraude op het terrein van de sociale zekerheid en de inkomensafhankelijke regelingen, de belasting- en premieheffing en de arbeidswetten. Zo kan op basis van risicoanalyses worden bepaald bij welke personen of bedrijven het grootste risico op regelovertreding aanwezig is.

Met internetonderzoek, bijvoorbeeld het gebruik van openbare bronnen zoals Facebook, valt bij de uitvoering van de WWB veel te winnen.

De digitalisering van de klantprocessen van UWV voltrekt zich in hoog tempo. Hoewel door gebruikmaking van de polisadministratie misbruik wordt teruggedrongen, kan niet worden uitgesloten dat de digitalisering leidt tot nieuwe - vooralsnog onbekende - vormen van misbruik. UWV zet in op risico- inventarisatie van misbruikrisico’s bij e-dienstverlening. Voor de inzet van risicoprofielen in de e-dienstverlening voert UWV in 2014 een aantal tests uit zoals het testen van fraudepreventie met herinneringsberichten aan de doelgroep uitzendkrachten en het testen van digitale voorlichting over rechten en plichten met daaraan gekoppeld testvragen aan de doelgroep startende ondernemers.

Ook is een wetsvoorstel Maatregelen WWB in voorbereiding dat onder meer beoogt de naleving van de arbeids- en re-integratieplicht te verbeteren. Het niet nakomen van de veplichting algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden zal leiden tot een uniforme maatregel van drie maanden stoppen van de uitkering. Dezelfde maatregel zal ook gaan gelden ingeval sprake is van zeer ernstige misdragingen tegen de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is voorzien per 1 juli 2014.

Verhogen pakkans

Het verder verhogen van de pakkans begint met inzicht in de (gepercipieerde) pakkans van bestaande regelingen. In opdracht van het ministerie is recent een onderzoek uitgevoerd naar kennis van verplichtingen bij uitkeringsgerechtigden en de manier waarop zij de pakkans inschatten bij een overtreding. Uit dit onderzoek blijkt dat uitkeringsgerechtigden over het algemeen goed bekend zijn met hun verplichtingen. De inschatting van de pakkans bij een overtreding van die verplichtingen verschilt per wet. De pakkans bij witte fraude wordt hoger ingeschat dan de pakkans bij zwarte fraude.

Delen van gegevens

Een belangrijke manier om fraude te voorkomen, ontdekken en sanctioneren is het delen van gegevens die de overheid of andere organisaties met een publieke taak al beschikbaar hebben. Het is daarom volgens Minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma zaak de mogelijkheden van bestandskoppeling optimaal te benutten. Uitgangspunt is dat burgers bij de aanvraag van een uitkering een juiste en volledige opgave doen van gegevens die nodig zijn om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen vaststellen. Als burgers hieraan niet voldoen, ontvangen zij onterecht een (te hoge) uitkering.

In dit kader worden de volgende activiteiten uitgevoerd:

  • In het wetsvoorstel Fraudeaanpak door bestandskoppelingen wordt een wettelijke basis gelegd voor een aantal nieuwe bestandskoppelingen. Zo wordt onder meer geregeld dat het ministerie van Buitenlandse Zaken gegevens over gedetineerden in het buitenland mag verstrekken aan uitvoerders in de sociale zekerheid. Daarnaast wordt geregeld dat informatie over gastouders gekoppeld kan worden aan bijstandsgegevens. Er is bij bestandskoppelingen vaak meer mogelijk dan men denkt. Er is echter ook onbekendheid bij de uitvoering over wat wel en niet mag, waardoor de mogelijkheden die er zijn onvoldoende worden benut. Daarom wordt een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden van bestandskoppelingen in relatie tot de privacyregels. Dit wordt in interdepartementaal verband opgepakt. De nieuwe Europese richtlijnen op dit vlak, die op dit moment worden voorbereid, worden daarbij betrokken.
  • Is er sprake van een vermoeden van fraude, dan moeten gemeenten kunnen beoordelen of er aanleiding is de uitkering te korten of stop te zetten. Aandachtspunt hierbij is de hoeveelheid gegevens die gemeenten krijgen, waardoor ze soms door de bomen het bos niet meer zien. Het Inlichtingen bureau (IB) ontwikkelt daarom “slimme samenloopsignalen”, waarbij gemeenten alleen voor hen relevante informatie krijgen.

Aanpak malafide uitzendbureaus

Begin 2012 is het programma Aanpak Malafide Uitzendbureaus gestart. De Inspectie SZW zal in dat kader natuurlijke persoon/feitelijk leidinggevende (financieel) gaan aanpakken. Door deze personen naast de rechtsvorm te beboeten, kan de fraudeur een boete niet meer ontlopen door het bedrijf failliet te laten gaan, aldus Asscher en Klijnsma. De eerste boeterapporten tegen feitelijk leidinggevenden zijn inmiddels opgemaakt.

Tevens wordt bezien hoe aan het openbaar maken van inspectiegegevens (naming en shaming) uitwerking zou kunnen worden gegeven met het doel om derden (publiek) te informeren en te waarschuwen voor bepaalde bedrijven en/of ondernemers. Binnen SZW wordt voor het openbaar maken van inspectiegegevens nog een kader uitgewerkt.

Verbeteren van de nationale samenwerking

Centraal bij het terugdringen van fraude en het verhogen van de pakkans staat samenwerking in de keten. Een voorbeeld van een succesvol samenwerkingsverband zijn de interventieteams. Hierin werken Belastingdienst, Inspectie SZW, UWV, VNG, Divosa, SVB, politie en Openbaar Ministerie samen met als doel belasting- en premiefraude, uitkeringsfraude en illegale tewerkstelling aan te pakken. In het kader van het verbeteren van de effectiviteit van de samenwerking in dit samenwerkingsverband wordt ingezet op thema-gerichte samenwerking, bijvoorbeeld rond de thema’s: (notoire) overtreders en schijnconstructies. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de kennis en expertise van de Inspectie SZW en het Fraude expertisecentrum. Een tweede voorbeeld is de samenwerking in de Manifestgroep. In dit samenwerkingsverband wordt op nationaal niveau vooral kennis en ervaringen gedeeld op het gebied van de fraudebestrijding.

Centraal in de aanpak staat het aanpakken van schijnzelfstandigheid, het tegengaan van ontduiking van minimumloon, het aanpakken van ontwijking van premieafdracht en het tegengaan van ontduiking van cao’s. Ook is er binnen het Actieplan bestrijden van schijnconstructies een werkgroep opgezet tussen de bovengenoemde partijen om over en weer informatie uit te wisselen die noodzakelijk is voor een effectieve handhaving. Dit najaar ontvangt uw Kamer informatie over de voortgang.

Verbeteren van de internationale samenwerking

Een extra dimensie bij het verhogen van de pakkans is de internationale component. Er zijn enkele honderdduizenden werknemers, zelfstandigen en ondernemers uit andere Europese lidstaten en derdelanden in Nederland actief. Omgekeerd vestigen steeds meer Nederlanders zich met behoud van uitkering, al dan niet tijdelijk, in het buitenland. Ook verstrekken SVB, UWV en Belastingdienst uitkeringen en toeslagen in het buitenland. Daarnaast is een aantal EU-burgers in enige vorm als grensarbeider actief. Een effectieve controle op de rechtmatigheid van de premie- en belastingafdracht, de uitkeringsverstrekking, alsmede de handhaving van de arbeidsvoorwaarden van deze verschillende groepen personen, is alleen goed mogelijk met goede contacten met de autoriteiten van andere landen. Dit vereist een goede inbedding van de internationale component in de praktijk van de handhaving.

Op Europees niveau wordt de versterking van de handhavingmogelijkheden bij de detacheringrichtlijn voorbereid. Daarmee worden de mogelijkheden voor de autoriteiten en controlediensten van de lidstaten verbeterd om samen te werken bij het handhaven van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van gedetacheerde werknemers.

In het regeerakkoord is afgesproken dat het project EU-arbeidsmigratie met kracht wordt uitgevoerd. In dit project, onder regie van de minister van SZW, werken Rijk en gemeenten samen om de als gevolg van de uitbreiding van de EU toegenomen arbeidsmigratie uit EU-landen in goede banen te leiden. Dit project heeft geleid tot een veelvoud aan maatregelen op het terrein van voorlichting, registratie, huisvesting, werk en handhaving, sociale voorzieningen, integratie en terugkeer.

Ten behoeve van een effectievere samenwerking bij de aanpak van grensoverschrijdende illegale praktijken zijn de laatste jaren ook bilateraal enkele belangrijke stappen gezet. Zo zijn tussen Nederland en een aantal andere EU- lidstaten, van waaruit veel personen in Nederland werkzaam zijn, nadere afspraken gemaakt over gegevensuitwisseling en samenwerking bij de bestrijding van misbruik in arbeidssituaties. Deze afspraken zijn vastgelegd in bilaterale overeenkomsten, met name in Memoranda of Understanding (MoU), onder andere met Roemenië, Bulgarije, Polen, Tsjechië, Hongarije en Portugal. Nederland streeft ernaar een soortgelijk MoU te sluiten met Kroatië. Met deze MoU’s worden de bestaande verdrag- en Europeesrechtelijke verplichtingen nader ingevuld en geëxpliciteerd. De MoU’s met Bulgarije en Roemenië zijn recent samen met de Belastingdienst en de SVB gepreciseerd op mogelijke ongewenste praktijken als gevolg van de toepassing van het vrij verkeer voor werknemers uit deze landen. Deze bepalingen( oid ) treden in werking vanaf 2014. Een vergelijkbare nadere afspraak met Polen is in voorbereiding.

Ook zijn handhavingverdragen met Duitsland en België gesloten. Het verdrag met België maakt het mogelijk om voortaan gegevens uit te wisselen voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand (waaronder ook begrepen de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)), elektronische bestandsvergelijkingen te maken en elektronische bulkgegevens uit te wisselen. Gestreefd wordt het verdrag nog dit jaar voor goedkeuring aan het parlement aan te bieden. Het doel van het verdrag met Duitsland is om de betrokken instanties meer helderheid te verschaffen over de kaders van samenwerking bij fraudebestrijding en een platform te scheppen waarbinnen die samenwerking verder vormgegeven en geïntensiveerd kan worden. Beoogde inwerkingtreding van het verdrag is eind 2013.

Voorkomen van fraude

De bedoeling is de komende periode in te zetten op instrumenten die het voorkomen van fraude en het bevorderen van de naleving van regels tot doel hebben.

Delen van gegevens

Delen van gegevens tussen uitvoeringsorganisaties en koppelen van bestanden heeft ook een belangrijke preventieve functie. Al vóór de toekenning van een uitkering kan worden gesignaleerd of gegevens niet kloppen en kan een overtreding worden voorkomen. Bijkomend effect is dat op deze wijze wordt voorkomen dat de schuld door terugvorderingen en boetes zo hoog oploopt dat burgers moeite hebben deze terug te betalen. De hiervoor beschreven maatregelen uit het wetsvoorstel Fraudeaanpak door bestandskoppelingen dienen in belangrijke mate ditzelfde doel. Ook het intensiever gebruik en de verdere verbetering van basisregistraties dragen bij aan het kunnen voorkomen, ontdekken en sanctioneren van fraude.

Heldere regels

Naleving van regels verbetert naar de mate waarin ze bekend, begrijpelijk en inzichtelijk zijn. Begrijpelijke voorlichting draagt eraan bij dat burgers, werkgevers en werknemers zich aan de wet houden.

In aanvulling op huidige activiteiten, wordt het volgende opgepakt:

  • Er wordt een verkenning uitgevoerd naar regels die kunnen leiden tot misverstanden. Het kan hier gaan om wet- en regelgeving van de centrale of decentrale overheid of om beleidsregels van de uitvoering. De te verwachten uitkomst is een overzicht van regels die door vereenvoudiging beter nageleefd kunnen worden of waarover beter voorgelicht kan worden.
  • Samen met UWV, SVB en gemeenten wordt de bestaande voorlichting tegen het licht gehouden en wordt gekeken waar deze begrijpelijker, inzichtelijker en eenvoudiger kan.
  • Gemeenten geven aan dat zij inkomsten uit arbeid automatisch willen verrekenen met de uitkering. Uitkeringsgerechtigden hoeven hun inkomsten hierdoor niet meer (maandelijks) op te geven. Deze mogelijkheid wordt het komende jaar verkend.
  • De campagne Voorkom problemen. Weet hoe het zit wordt verbreed. Er zal ook worden voorgelicht over het naleven van de arbeids- en re- integratieverplichtingen (de zogenaamde inspanningsplicht: de plicht om je in te spannen om werk te vinden, te aanvaarden en te behouden).
  • In het Actieplan bestrijding schijnconstructies is een aantal acties opgenomen op het terrein van voorlichting, zoals het verbeteren van de voorlichting over het rechtsvermoeden van het bestaan van de arbeidsovereenkomst en de omvang daarvan en het in het kader van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, het beter informeren van werknemers over de mogelijkheden om te weinig betaald loon en rente over te laat betaald loon te vorderen. Ook wordt de huidige wet- en regelgeving bekeken en zo nodig aangepast om schijnconstructies tegen te gaan.
  • Er wordt ingezet op het verduidelijken van de relatie tussen de werkgever en de werknemer als er ook andere relaties zijn zoals opdrachtgever en opdrachtnemer bijvoorbeeld bij zzp’ers, onderaannemers en flexwerkers. In de bouw is bijvoorbeeld sprake van onderaanneming, waarbij er onduidelijkheid kan ontstaan over verantwoordelijkheden, waardoor veilig en gezond werken op de werkplek onder druk kan komen te staan.
  • Werkgevers en werknemers worden ondersteund bij het ontwikkelen van instrumenten voor zelfregulering.
  • Minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma denken na over het doorberekenen van gemaakte handhavingkosten. Het kabinet is bezig een standpunt te formuleren ten aanzien van het meebetalen aan toezicht.

Cultuur

Handhaving staat of valt met vakbekwaamheid van de uitvoerders. Als klanten, ook klanten die voor de eerste keer aan het loket komen, worden aangesproken op de naleving van arbeid- en re-integratieverplichtingen, bevordert en versterkt dit het nalevinggedrag. Klantmanagers moeten de klant primair ondersteunen richting werk. Bij het toekennen van de uitkering moeten de aan de uitkering verbonden verplichtingen aan de orde worden gesteld. Daarnaast moeten klantmanagers alert zijn op mogelijke signalen die wijzen op fraude. Dit kunnen zowel signalen zijn die betrekking hebben op klanten, maar ook signalen waarbij (ingehuurde) professionals misbruik maken van gemeenschapsgelden. Asscher en Klijnsma denken daarbij met name aan de jobcoachfraude of de zogenaamde Marque-zaak. In deze laatste zaak werden valselijk medische rapportages opgesteld op basis waarvan mensen een PGB of arbeidsongeschiktheidsuitkering konden aanvragen. Gebleken is onder meer dat het medisch beroepsgeheim een belemmering is in de bestrijding en preventie van deze vorm van fraude. Het voornemen bestaat de wet SUWI te wijzigen zodat duidelijk wordt dat verzekeringsartsen een vermoeden van fraude kunnen melden.

Met het in 2012 ingezette project Impuls vakmanschap wordt op het verder professionaliseren van de klantmanagers bij gemeenten ingezet door het ontwikkelen van competenties en het vergroten van kennis en vaardigheden. Door het combineren van het project Nabij en Streng, de actualisatie van Handhaving in de keten (Divosa-academie), de werkwijzer Handhaving (Vakmanschap) en de werkwijzer Manager en Handhaving van het LKC ontstaat één handhavingaanpak waarbij borging van kennis en vaardigheden plaatsvindt. Hierdoor wordt handhaving binnen de dienstverlening vanzelfsprekend en wordt bovendien de aanpak kwalitatief beter en gestandaardiseerd.

Het RCF Kenniscentrum Handhaving heeft het instrument Matchpoint-2 ontwikkeld, waarbij een betere communicatie en klantbejegening leidt tot een coöperatief gedrag bij de klant en afname van fraude. In 2012 en 2013 liepen pilots in Amsterdam en de IJmond gemeenten en nog dit jaar gaat het RCF Kenniscentrum Handhaving dit product landelijk aanbieden.

Print Friendly and PDF ^

Teeven breidt spreekrecht slachtoffers verder uit

Het spreekrecht voor slachtoffers van misdrijven wordt aangevuld. Straks kunnen slachtoffers op de terechtzitting ook zeggen wat ze vinden van (bijvoorbeeld) de schuld van de verdachte, het bewijs dat in de strafzaak is verzameld en wat de straf zou moeten worden. Dit staat in een wetsvoorstel van staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie dat vandaag voor advies naar verschillende instanties is gestuurd. Tot nu toe kunnen slachtoffers zich alleen uitlaten over wat het strafbare feit voor hen persoonlijk heeft betekend.

Ook kunnen nabestaanden van slachtoffers van ernstige verkeersovertredingen straks een beroep doen op het Schadefonds Geweldmisdrijven. Naar verwachting komt dat neer op zo’n 50 tot 100 zaken per jaar. Hiervoor is  binnen het reguliere budget ruimte gevonden.

Beide maatregelen vloeien voort uit het regeerakkoord. Bij de laatste wetswijziging verruimde staatssecretaris Teeven het spreekrecht van nabestaanden en introduceerde hij een nieuwe kring van spreekgerechtigden voor personen die vanwege hun jonge leeftijd of fysieke toestand niet in staat zijn om zelf van het spreekrecht gebruik te maken.

Het wetsvoorstel van de bewindsman betekent een aanvulling van  het spreekrecht. Maar wel een, die belangrijke gevolgen heeft voor de positie van het slachtoffer in het strafproces. Het bestaande spreekrecht biedt het slachtoffer de mogelijkheid om ononderbroken en zonder ondervraging zijn verhaal te doen over de gevolgen die het misdrijf voor hem of haar persoonlijk heeft (gehad).

Bij de voorgenomen uitbreiding ligt dit anders: als het slachtoffer op zitting een verklaring aflegt, die belastend is voor de verdachte, moet de verdachte de gelegenheid krijgen om deze verklaring te betwisten en het slachtoffer daarover vragen te stellen. Het slachtoffer wordt dan als getuige beëdigd.

De staatssecretaris wil daarom een duidelijk onderscheid maken tussen het bestaande spreekrecht en de nu voorgenomen uitbreiding, die adviesrecht wordt genoemd. Dit adviesrecht stelt het slachtoffer in staat  zich uit te laten over de beslissingen die de rechter in de strafzaak moet nemen, zoals het bewijs van het feit, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf.

Het slachtoffer kan tijdens de zitting gebruik maken van zijn spreekrecht en zijn adviesrecht, maar hethoeft niet. De rechter, die de regie heeft tijdens de zitting, zal aan het slachtoffer aangeven wanneer het spreekrecht overgaat in het adviesrecht. Het slachtoffer wordt daar tevoren ook al op voorbereid door Slachtofferhulp Nederland en de officier van justitie. Het adviesrecht kan ook worden uitgeoefend door nabestaanden en andere personen aan wie het spreekrecht is toegekend.

Overigens blijft het slachtoffer procesdeelnemer en wordt hij geen zelfstandige procespartij. Ook is er voor hem geen rol weggelegd als zogeheten Nebenklager; het Openbaar Ministerie blijft de baas over de vervolging. De voorgestelde uitbreiding van het spreekrecht kan binnen de huidige structuur van het strafproces vorm krijgen. Het adviesrecht biedt het slachtoffer de mogelijkheid om zich uit te laten over de straftoemeting, maar het is niet nodig daarvoor een “tweefasenproces” in te voeren, zo blijkt uit een onderzoek naar de voor- en nadelen daarvan.

Het belangrijkste voordeel van een adviesrecht is dat het slachtoffer in ruimere mate dan nu het geval is, kan deelnemen aan het strafproces. De keerzijde daarvan is dat een mogelijk nadeel (het risico opnieuw slachtoffer te worden, bijvoorbeeld als gevolg van een harde ondervraging door de advocaat van de verdachte) niet kan worden uitgesloten, maar wel beperkt, door het slachtoffer deugdelijk op deze mogelijkheid voor te bereiden.

Verder laat de staatssecretaris vandaag ook in een brief aan de Tweede Kamer weten dat slachtoffers van ernstige misdrijven straks kunnen aangeven of de officier van justitie een poging moet ondernemen de verdachte op zitting aanwezig te laten zijn. Op die manier kan beter tegemoet worden gekomen aan de specifieke behoeften van slachtoffers, zonder ervan uit te gaan dat alle slachtoffers prijs stellen op een directe confrontatie met de verdachte. De brief is een reactie op een motie van mevrouw Helder en de heer Van der Steur, met het verzoek  om een verschijningsplicht in te voeren.

De bewindsman ziet af van de invoering van een verschijningsplicht, omdat hij wil voorkomen dat de rechtspraak wordt belast met extra werkzaamheden, waarvan niet duidelijk is dat zij aan alleslachtoffers ten goede komen. Hij past wel zijn beleid aan. Medewerkers van Slachtofferhulp Nederland en officieren van justitie zullen vragen naar de mening van het slachtoffer over de aanwezigheid van de verdachte.

Het staat de verdachte - in beginsel - vrij zelf te kiezen of hij aanwezig wil zijn op de zitting. Wel kan de rechter bevelen dat de verdachte moet verschijnen als hij dat voor de behandeling van de zaak nodig vindt. Sommige slachtoffers willen - als zij gebruik maken van hun spreekrecht - de verdachte recht in de ogen zien. Anderen willen juist geen confrontatie.

Print Friendly and PDF ^

Eerste Kamer akkoord met aanpak sociale zekerheidsfraude door gegevensuitwisselingen

Het voorstel tot Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met  fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekende zijnde gegevens, wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en een aantal andere wetten. Het voorstel beoogt nieuwe mogelijkheden voor gegevensuitwisseling te realiseren die bijdragen aan een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de sociale zekerheid en de preventie en bestrijding van fraude. De voorstellen zijn merendeels aangedragen door gemeenten, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en andere publieke partijen op basis van door hen ervaren knelpunten.

Ook wordt, uit het oogpunt van meer doelmatig gebruik van bij de overheid voor overheidstaken beschikbare informatie en de daarmee samenhangende vermindering van uitvoeringslasten bij werkgevers en pensioenuitvoerders, geregeld dat het UWV een aantal gegevens uit de polisadministratie aan pensioenuitvoerders mag verstrekken, ten behoeve van de uitvoering van pensioenregelingen.

Daarnaast wordt door aanpassing van een aantal wetten geregeld dat het UWV een uitkering kan opschorten als iemands adres niet in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat.

Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele technische aanpassingen betrekking hebbend op gegevensverkeer in de Wet SUWI, in de Wet werk en bijstand (WWB), in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) aan te brengen.

Het voorstel is op 12 september 2013 zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 1 oktober 2013 als hamerstuk afgedaan.

Print Friendly and PDF ^