Advies Raad van State bij wetsvoorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens

Het  wetsvoorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens, met memorie van toelichting maakt verwerking van persoonsgegevens mogelijk op het terrein van de sociale zekerheid en daarmee verband houdende gebieden, gericht op het bestrijden van fraude en het vereenvoudigen van gegevensverkeer.

Algemeen

De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelt dat het Systeem anonieme risico indicatie (SARI), dat in dit voorstel wordt geregeld, ruim is opgezet: het doel is ruim bepaald, het systeem is eenvoudig uit te breiden tot niet nauwkeurig omschreven organen, en er is niet voorzien in het informeren van de burger dat persoonsgegevens die hem betreffen kunnen worden verstrekt.

Voorts heeft de Afdeling aarzeling bij een regeling die erin voorziet dat gegevens over in het buitenland gedetineerde Nederlanders worden verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om vast te stellen of zij gevolgen hebben voor uitkeringsrechten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Systeem Anonieme Risico Indicatie (SARI)     

Het wetsvoorstel beoogt een wettelijke verankering te bieden voor het SARI, een in de praktijk toegepaste werkwijze, die erop gericht is persoonsgegevens uit verschillende bronnen te combineren, zodat aan de hand daarvan verhoogde risico's op misbruik van wettelijke regels kunnen worden onderkend. Het SARI is gericht op het voorkomen en bestrijden van "misbruik op het terrein van de sociale zekerheids- en arbeidswetten, illegale tewerkstelling, belasting- en premieheffing, inkomensafhankelijke regelingen en daarmee samenhangende misstanden".

De Afdeling is van oordeel dat voorzien dient te worden in een nauwkeurige omschrijving van de doeleinden waarvoor de gegevensverwerking kan plaatsvinden. Dat kan eventueel in de vorm van een uitputtende opsomming van wettelijke verplichtingen waarvan de overtreding een strafbaar of beboetbaar feit oplevert. De Afdeling adviseert het voorstel aldus aan te passen.

Het criterium "verhoogd risico op misbruik"    

De minister kan een risicomelding doen bij het bestuursorgaan dat om de risico- analyse heeft verzocht of bij het openbaar ministerie en de politie als de risicoanalyse in het SARI een "verhoogd risico op misbruik" bevat. Afgezien van de vaagheid die gelegen is in de term "misbruik" (zie hiervoor, punt 2) merkt de Afdeling op dat de term "verhoogd risico" te ruim is. Ook als iemand twee kenmerken heeft die wijzen op een statistisch verhoogde kans dat hij fraude pleegt, kan de kans dat hij daadwerkelijk fraude pleegt nog steeds klein zijn. De risicomelding zou in dat geval een onevenredig zware inmenging in de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene kunnen betekenen en dus niet voldoen aan het vereiste dat een beperking van zijn grondrecht proportioneel is.

De Afdeling adviseert het criterium "verhoogd risico op misbruik" te vervangen door een meer toegespitst criterium, dan wel in de toelichting met concrete voorbeelden dit criterium te verduidelijken.

De regeling is zo geformuleerd dat de minister ieder verzoek van binnen het SARI samenwerkende bestuursorganen of personen om een risicoanalyse uit te voeren dient te honoreren. Ook als de minister van oordeel is dat de risicoanalyse weinig bruikbare resultaten zal opleveren, kan hij het verzoek niet weigeren. Dat is naar het oordeel van de Afdeling weinig doelmatig. Zij adviseert de verplichting van de minister te wijzigen in een discretionaire bevoegdheid.

Betrokken organen

Omvang bevoegdheden

Het voorstel omschrijft welke organen betrokken kunnen zijn bij de verstrekking van "ruwe" gegevens aan en de ontvangst van risicomeldingen uit het SARI. Naast de colleges van burgemeester en wethouders, het UWV en de SVB, betreft het ook:

de personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast met het houden van toezicht op de naleving dan wel de uitvoering van andere wetgeving op het terrein van de minister dan de sociale zekerheidswetten, andere bestuursorganen en personen voor zover zij zijn belast met een publiekrechtelijke taak en daartoe bij regeling van de minister in overeen- stemming met de Minister van Financiën zijn aangewezen.

De Afdeling is van oordeel dat toekenning van bevoegdheden, die een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met zich kan brengen, concreet en afgebakend moet zijn. De omschrijving van bestuursorganen die betrokken zijn bij het SARI voldoet niet aan deze norm.

Bij de eerstgenoemde categorie adviseert de Afdeling in de wet op te sommen om welke toezichthouders het gaat.

De tweede categorie, zo merkt de Afdeling op, dient in het voorstel nauwkeuriger te worden omschreven dan thans het geval is. Voorts dient de aanwijzing van deze bestuursorganen en personen ten minste plaats te vinden bij algemene maatregel van bestuur, nu het niet gaat om administratieve voorschriften of details, maar – integendeel – om de reikwijdte van de regeling.

Verantwoordelijkheid voor handelingen van de samenwerkingsverbanden

De gegevensverwerking ter bestrijding van misbruik en daarmee samenhangende misstanden kan plaatsvinden binnen een "samenwerkingsverband van twee of meer bestuursorganen en personen".

De Afdeling merkt op dat het wetsvoorstel niet regelt of deze samenwerkingsverbanden kunnen worden vormgegeven als publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen, dan wel als samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid. Evenmin wordt geregeld welke rol deze verbanden zullen spelen bij de verwerking van persoonsgegevens: of – en zo ja op welke wijze – zij persoonsgegevens zullen combineren, doorgeven, bewaren en vernietigen. Voorts wordt niet geregeld wie verantwoordelijk is voor het handelen van deze samenwerkingsverbanden, in het bijzonder voor de gegevensverwerking (in de zin van artikel 1, onderdeel d, Wbp).

De Afdeling is van oordeel dat de bestuursorganen die een samenwerkingsverband zijn aangegaan tegenover derden volledig verantwoordelijk zijn voor de handelingen van het samenwerkingsverband. Zij zullen voorts moeten bepalen hoe in de onderlinge verhouding de verantwoordelijkheden worden verdeeld. Als het wetsvoorstel op deze punten duidelijkheid verschaft, kan het vervolgens aan de samenwerkende bestuursorganen worden overgelaten de vorm van het samenwerkingsverband te bepalen.

De Afdeling adviseert het voorstel op de genoemde punten aan te passen.

Verstrekking aan politie en justitie

De minister kan risicomeldingen doen aan het openbaar ministerie en de politie voor zover die deze behoeven voor de uitoefening van hun wettelijke taken. In de toelichting wordt niet ingegaan op het rechtsgevolg van deze verwerking.

De Afdeling merkt op dat persoonsgegevens, voor zover het openbaar ministerie of de politie daarover beschikt met het oog op hun wettelijke taken, het karakter hebben van justitiële persoonsgegevens respectievelijk politiegegevens. De verwerking van dergelijke persoonsgegevens wordt in beginsel geregeld door de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens respectievelijk de Wet politiegegevens. Voor zover de verwerking van persoonsgegevens onder een van deze wetten valt is de Wbp niet van toepassing. Uit de toelichting blijkt niet hoe het voorgestelde artikel 65 Wet Suwi zich verhoudt tot de Wbp, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de Wet politiegegevens en de Wet Suwi ten opzichte van deze wetten.

De Afdeling adviseert op het geldende regime in de toelichting in te gaan.

Waarborgen

De toelichting noemt enkele waarborgen voor de gegevensverwerking, die in het wetsvoorstel als zodanig niet zijn geregeld.

Het wetsvoorstel bepaalt dat de minister op verzoek van bestuursorganen persoonsgegevens verwerkt in het SARI. Het begrip "verwerken van per- soonsgegevens" is heel ruim en omvat iedere handeling die met persoons- gegevens kan worden verricht. Uit de toelichting blijkt dat het gaat om het uitvoeren van risicoanalyses; daartoe worden persoonsgegevens uit verschillende bronnen gecombineerd.

Volgens de toelichting worden de gegevens geanonimiseerd voordat de risicoanalyse plaatsvindt; de sleutel is in handen van de bewerker.

De Afdeling onderschrijft de waarde van deze waarborgen, en is dan ook van oordeel dat zij in het wetsvoorstel zelf dienen te worden vastgelegd om een zorgvuldige procedure te garanderen. Zij adviseert het voorstel aan te passen.

Overige waarborgen

De Afdeling is voorts van oordeel dat het wetsvoorstel kan worden versterkt met enkele aanvullende waarborgen.

  1. Kennelijk is de strekking dat persoonsgegevens uit het SARI niet worden gebruikt voor een ander doel dan het doen van risicomeldingen. Dit is in de wettekst niet vastgelegd.
  2. Het bestuursorgaan dat een risicomelding ontvangt is niet verplicht de resultaten van het onderzoek dat wordt verricht op basis van de risicomelding te melden aan het SARI. Dat resultaat is echter van belang voor toekomstige risicoanalyses. Bij een positieve uitkomst is dat belang voor toekomstige onderzoeken duidelijk. Bij een negatieve uitkomst kan het resultaat eveneens van belang zijn: voorkomen moet worden dat de betrokkene op grond van al onderzochte gegevens bij een volgende risicoanalyse opnieuw boven komt drijven. Bovendien moet worden voorkomen dat het bestuursorgaan middelen besteedt aan onderzoek dat al eerder is verricht.

De Afdeling adviseert het voorstel op deze punten aan te vullen.

Print Friendly and PDF ^

Vijfde tranche Crisis- en herstelwet in werking

Op 6 maart 2013 is de vijfde tranche Crisis- en herstelwet in werking getreden. Hiermee worden onder meer 4 ontwikkelingsgebieden en 5 innovatieve experimenten aangewezen onder de Crisis- en herstelwet.

Ontwikkelingsgebieden

In het besluit worden het Havengebied Rotterdam, Dijklaan Bergambacht, Blokhoeve Nieuwegein en Haarlemmermeer Masterplan Badhoevedorp-Centrum aangewezen als ontwikkelingsgebieden. Hierdoor kan in deze herstructureringsgebieden de milieugebruiksruimte opnieuw worden verdeeld waarbij uitgegaan wordt van gewenste maatschappelijke ontwikkelingen. Het besluit stelt bestuurders in staat om via een gebiedsontwikkelingsplan maatregelen te treffen en zo nodig tijdelijk van normen af te wijken zodat de herstructurering daadwerkelijk van de grond kan komen. Voorwaarde is dat er op termijn een betere situatie ontstaat.

Innovatieve experimenten

Bij de 5 innovatieve experimenten gaat het om de organische ontwikkeling van het CHV-terrein in Veghel, het opschalen en saneren van windturbines in de provincie Flevoland, ruimte voor particulier opdrachtgeverschap in Castricum en Den Haag en beperking van de toets op basis van het Bouwbesluit voor  omgevingsvergunningen in Almere, Delft, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Schijndel en Zoetermeer. Ook wordt het plangebied van het experiment in Eindhoven Strijp-s uitgebreid tot de hele spoorzone.

Overige aangewezen projecten

Op het project Flevokust in Lelystad zijn bestuursrechtelijke bepalingen van toepassing, bijvoorbeeld dat de rechter binnen zes maanden uitspraak moet doen. Ook kan de gemeente gebruik maken van de verlichte m.e.r.-procedure. Verder wordt de begrenzing van het al eerder aangewezen project FlorijnAs in Assen, een lokaal project met nationale betekenis, aangepast.

Aanmelding zevende tranche

Voor de zevende tranche van de Crisis- en herstelwet kunnen tot en met 31 maart 2013 projecten worden aangemeld.

Achtergrond

Het besluit is een uitwerking van de Crisis- en herstelwet die dateert van maart 2010. De wet biedt de mogelijkheid anders om te gaan met regelgeving en besluitvorming te versnellen vanwege de economische crisis. Ook bevat de wet experimentele bepalingen voor gebiedsontwikkeling, innovatie en duurzaamheid. Hierdoor kan in moeilijke tijden de economische structuur van Nederland worden versterkt. De Tweede Kamer heeft afgelopen zomer ingestemd met de verlengde werking van de Crisis- en herstelwet tot het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Daarna zal de Crisis- en herstelwet worden opgenomen in de Omgevingswet en in de Algemene wet bestuursrecht.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel over het vastleggen van kentekens naar Tweede Kamer

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend waardoor alle kentekens die de politie met camera's automatisch vastlegt, vier weken mogen worden bewaard om misdrijven op te sporen en voortvluchtige verdachten en veroordeelden aan te houden. Het vastleggen van kentekens helpt de politie efficiënt en doelgericht te werken bij de uitvoering van haar taken. De politie heeft al ervaring met kentekenherkenning, ook wel 'automatic numberplate recognition' (ANPR) genoemd. De politie is op dit moment niet bevoegd alle kentekens te bewaren en achteraf te raadplegen. Toch kan dat belangrijk zijn voor de opsporing van misdrijven waarbij pas later blijkt dat informatie over een voertuig een rol speelt. De minister stelt een periode van vier weken voor die ook geldt voor de opslag van beelden van gemeentelijke toezichtcamera's.

Verder is in het wetsvoorstel opgenomen voor welke doelen de politie kentekengegevens mag bewaren. Nu mag dat alleen in het kader van uitvoerende politietaken, bijvoorbeeld als iemand wordt gezocht om zijn straf uit te zitten of nog een geldboete moet voldoen. De op camerabeelden zichtbare kentekens worden dan direct vergeleken met een bestand van kentekens op naam van bekenden van de politie. Levert dit een 'hit' op dan komt de politie in actie. De overgebleven gegevens - 'no hits' - worden vernietigd.

Straks mag de politie de 'no hits' tijdelijk opslaan en gebruiken voor haar opsporingswerk. Na aangifte of ontdekking van een strafbaar feit onderzoekt de politie dan bijvoorbeeld of de auto van een verdachte op een bepaalde plaats is gesignaleerd. Denk bijvoorbeeld aan een overval, waarbij bekeken wordt of de auto van de verdachte rond het tijdstip van het misdrijf in de buurt is geweest. Ook geven kentekengegevens richting aan opsporingsonderzoeken waar andere aanknopingspunten ontbreken. De opgeslagen gegevens mogen alleen worden gebruikt voor de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en de aanhouding van voortvluchtige verdachten of veroordeelden.

Naast het kenteken en de foto van het voertuig, worden gegevens bewaard over de locatie, de datum en het tijdstip. De naam van de kentekenhouder wordt niet opgeslagen. Die wordt pas bekend wanneer relevante kentekengegevens zijn gevonden en navraag wordt gedaan bij het kentekenregister. Met het oog op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van burgers krijgen alleen bevoegde politieagenten toegang tot de opgeslagen kentekengegevens.

Bron: Rijksoverheid

 

 

Print Friendly and PDF ^

Regeling voor proceskostenveroordelingen in strafzaken komt eraan

Opstelten komt nog voor de zomer van 2013 met een plan waarin is uitgewerkt op welke wijze in strafzaken kan worden gekomen tot veroordelingen tot het betalen van proceskosten, dat heeft hij vorige week aangegeven in de Tweede Kamer. Nederland zou met een regeling van de veroordeling in de kosten van de strafprocedure in de pas lopen met West-Europese strafprocessystemen die een dergelijke regeling al lang kennen.

 

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding van de Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet

Afgelopen vrijdag is de Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet in werking in werking getreden. De Telecommunicatiewet (Tw) kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. De aanwijzing beschrijft in welke gevallen en op welke wijze een overtreding van de Tw strafrechtelijk wordt gehandhaafd. De aanwijzing onderstreept het belang van een integrale aanpak voor een effectieve handhaving van de Tw en geeft aan wat dit concreet betekent.

Deze aanwijzing geeft regels voor de opsporing en vervolging bij de overtreding van de strafrechtelijk te handhaven bepalingen in de hoofdstukken 3 en 10 van de Tw.

De aanwijzing schetst hoe wordt opgetreden bij geconstateerd gebruik van jammers (blokkeerzenders van onder meer mobiele-telefonie- en GPS-signalen). Daarna geeft de aanwijzing regels voor de strafrechtelijke aanpak bij een verstoring van frequentieruimte in radiosignalen. De aanwijzing maakt hierbij onderscheid tussen etherpiraten (illegale omroepzenders) en niet-etherpiraten (bijvoorbeeld gebruikers van een marifoon, mobilofoon, portofoon zonder registratie of vergunning). Ten slotte bespreekt de aanwijzing wanneer strafrechtelijk wordt opgetreden bij het aantreffen van uitrusting of bij een handelsvoorraad uitrusting of apparatuur die niet voldoet aan de eisen als bedoeld in de artikelen 10.1 tot en met 10.3 Tw.

 

 

Print Friendly and PDF ^