Nieuwe wetten per 1 januari 2013

Op 1 januari 2013 treedt een aantal nieuwe wetten in werking. Een overzicht:

Nationale politie

De invoering van de nationale politie op 1 januari 2013 betekent dat de huidige 25 regiokorpsen en het Korps landelijke politiediensten opgaan in 1 landelijk korps dat zal bestaan uit 10 regionale eenheden, een landelijke eenheid en een ondersteunende dienst voor bedrijfsvoeringstaken, zoals ICT en personeelszaken. De korpschef wordt belast met de leiding en het beheer van de nationale politie. Hij is ondergeschikt aan de minister van Veiligheid en Justitie en legt ook verantwoording aan hem af.

Herziening gerechtelijke kaart

Met de herziening van de gerechtelijke kaart wordt het aantal arrondissementen teruggebracht tot 10 en het aantal ressorten tot 4. Daarmee wordt een nieuwe stap gezet in een lange geschiedenis. Sinds 1877 kent Nederland 5 gerechtshoven, de 19 rechtbanken dateren van 1934. Het oorspronkelijk voorgestelde arrondissement Oost-Nederland wordt met ingang van 1 april 2013 gesplitst in de arrondissementen Overijssel en Gelderland. Er komen dan 11 arrondissementen, in plaats van 10. Dit is het gevolg van een motie die tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer werd ingediend en aanvaard.

Bedrijfsleven

Nederlandse naamloze en besloten vennootschappen kunnen vanaf 1 januari 2013 kiezen voor de nieuwe regeling van het zogeheten ‘one tier’ of monistisch bestuursmodel, waardoor het mogelijk is taken binnen het bestuur van een onderneming te verdelen over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Als voordeel van het monistisch of ‘one tier’ model wordt genoemd dat bestuurders eerder en meer informatie krijgen dan commissarissen, of zij zich nu bezig houden met de algemene lijn of (ook) met het uitvoerende bestuur.

Notariaat

De vernieuwde Wet op het notarisambt (Wna), zoals die op 1 januari 2013 in werking treedt, verandert veel voor het notariaat. Zo wordt het toezicht versterkt en komt er een scheiding van het wettelijk toezicht en de tuchtrechtspraak. Kandidaten voor benoeming tot notaris worden getoetst op hun persoonlijke geschiktheid. Dat gebeurt door de Commissie toegang notariaat. Ook scherpt de Wna de weigeringsplicht aan: bij een vermoeden van dubieuze praktijken, moet de notaris zijn diensten weigeren.

Rechter-commissaris

De rechter-commissaris krijgt in het nieuwe jaar een nieuwe, meer controlerende rol in het onderzoek in strafzaken. De officier van justitie behoudt de leiding over de opsporing en is verantwoordelijk voor de vervolging. De rechter-commissaris heeft in het vervolg de taak om toezicht te houden op het verloop van het onderzoek. Daarnaast kan hij op verzoek van de officier van justitie of de verdachte aanvullende onderzoekshandelingen verrichten. Dit verruimt de mogelijkheden voor de rechter-commissaris om in het vooronderzoek vooral ten aanzien van de rechtmatigheid van de opsporing een rol te spelen.

Procesdossier

Ook treedt de wet in werking waardoor verdachten, die voor de strafrechter moeten komen, meer invloed krijgen op de samenstelling van het procesdossier. Wettelijk wordt vastgelegd dat de verdachte of zijn advocaat het openbaar ministerie kan verzoeken informatie aan het procesdossier toe te voegen. De rechter-commissaris gaat daar toezicht op houden. Een zorgvuldig samengesteld en compleet strafdossier bevordert een efficiënte gang van zaken op de terechtzitting en biedt mogelijkheden het opsporingsonderzoek van politie en justitie te controleren. Voor een verdachte is de inhoud van het procesdossier van groot belang voor zijn verdediging en voor zijn invloed op het verloop van het onderzoek.

Recht van enquête

De toegang van aandeelhouders van grote naamloze en besloten vennootschappen (NV's en BV's) tot de Ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam is beperkt. Zij moeten meer aandelen vertegenwoordigen voor een onderzoek naar de gang van zaken bij een onderneming. De nieuwe regels treden op 1 januari 2013 in werking. Op dit moment kunnen aandeelhouders naar de rechter stappen als de nominale waarde van hun aandelen ten minste 225.000 euro bedraagt (of als zij 10 procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen). Omdat deze grens voor ondernemingen met een groot aandelenkapitaal erg laag is, moeten aandeelhouders voortaan minimaal 1 procent kapitaal vertegenwoordigen als de NV of BV een geplaatst kapitaal heeft van 22,5 miljoen euro of meer. Of hun belang moet een beurswaarde hebben van ten minste 20 miljoen euro. Voor vennootschappen met een lager geplaatst kapitaal verandert er op dit punt niets.

Bestuursprocesrecht

Bestuursrechters krijgen meer mogelijkheden om zaken sneller en definitief af te doen. De wet die het bestuursprocesrecht efficiënter en eenvoudiger maakt, treedt op 1 januari 2013 in werking. Het zal bijvoorbeeld minder vaak nodig zijn om een heel nieuw besluitvormingstraject te volgen als de rechter gebreken in een besluit van bijvoorbeeld een gemeente of provincie heeft geconstateerd die er voor de inhoud van het besluit niet toe doen. Dit voorkomt onnodige vertraging in de procedure. Het kabinetsbeleid is erop gericht te bevorderen dat zoveel mogelijk geschillen na afloop van één bestuursrechtelijke procedure definitief zijn beslecht, met andere woorden: dat de eerste uitspraak van de bestuursrechter ook daadwerkelijk een einduitspraak is. Dat komt burgers en bestuur ten goede.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Eerste Kamer akkoord met aanpassing bestuursprocesrecht

De Eerste Kamer is akkoord gegaan met een voorstel ter wijziging van het bestuursprocesrecht. Dit voorstel verbetert in het bestuursprocesrecht de procedures bij de geschillenbeslechting. Ook zorgt het voorstel voor een herverdeling van de bevoegdheden tussen de hoogste bestuursrechters, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven.  

Print Friendly and PDF ^

Debat over aanpassingen in het bestuursprocesrecht

In het debat van 11 december over de Wet aanpassing bestuursproces- recht hadden diverse woordvoerders kritiek op onder meer het in het wetsvoorstel vastgelegde relativiteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat alleen mensen die door een besluit rechtstreeks in een belang worden geraakt, bezwaar kunnen aantekenen of in beroep kunnen gaan. Ook hadden senatoren veel vragen over het nieuwe artikel 6:22, waardoor vormfouten in overheids- besluiten door de vingers kunnen worden gezien als de belanghebbende er geen nadeel van ondervindt. In het debat werd ook gesproken over de in het regeerakkoord vastgelegde samenvoeging van de hoogste bestuursrechters in Nederland: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). Namens de regering voerden minister Opstelten van Justitie en de regerings- commissaris voor algemene regels van bestuur Scheltema het woord. Minister Opstelten zegde toe voor de stemming van het wetsvoorstel op 18 december 2012 de Kamer per brief nader te informeren over de in het debat geuite vragen en bezwaren.

Vormfouten

Senator Lokin-Sassen (CDA) merkte op, mede namens de fracties van de SGP en de PVV, dat hoewel vereenvoudiging op zichzelf kan worden toegejuicht, het de vraag is of het voorstel dit bereikt. Bij het artikel 6:22 heeft zij principiële bezwaren tegen het feit dat een onrechtmatig genomen besluit in stand kan blijven wanneer belanghebbenden daar niet zelf door benadeeld worden. Bovendien beperkt dit de bevoegdheid van de rechter om in dergelijke gevallen de burger rechtsbescherming te bieden. Zij pleitte ervoor dat het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen de mogelijkheid houdt om een nieuw, rechtmatig besluit te nemen. Senator Beuving (PvdA) merkte op dat dit artikel een verkeerd signaal geeft aan de bestuurder; die loopt nu minder kans om door de rechter op de vingers te worden getikt bij een onrechtmatig besluit. Zij vroeg of het denkbaar is dat de rechter serieuze inhoudelijke gebreken passeert, zonder dat die hebben geleid tot benadeling van de betrokken burger. Regeringscommissaris Scheltema merkte hierover op dat het artikel is bedoeld om kleine vormfouten te kunnen negeren. Serieuze schendingen van het recht kunnen volgens Scheltema in principe niet onder artikel 6:22 vallen, aangezien daarbij altijd sprake zal zijn van een benadeling van de belanghebbende.

Relativiteitseis

Senator De Boer (GroenLinks) gaf aan sterk bezwaar te hebben tegen het in het wetsvoorstel opgenomen relativiteitseis. Zij achtte het een beperking van de rechtsbescherming van de burger dat burgers zich alleen met succes kunnen beroepen op een voorschrift dat tot doel heeft hun specifieke belang te beschermen. Bovendien kan volgens De Boer een onrechtmatig besluit in stand blijven wanneer er aan het relativiteitsvereiste niet is voldaan, hetgeen volgens haar zeer schadelijk is voor het bestuursrecht. Regeringscommissaris Scheltema gaf aan dat dit een punt is waarover vele bestuursrechtexperts van mening verschillen.

Visie op het bestuursrecht

Senator Engels (D66) gaf aan dat met alle aanpassingen van het bestuurs- procesrecht in de afgelopen jaren de grenzen van het bevattingsvermogen van bestuur en rechter zijn bereikt. Zijns inziens is er dringend behoefte aan een meer algemene visie op de ontwikkeling van het bestuursrecht in verhouding tot het burgerlijk recht. Volgens Engels stelt de regering zich met dit wetsvoorstel te voorzichtig op in het bevorderen van meer rechtseenheid. Ook senator Ruers (SP) gaf aan een fundamentele visie op het bestuursrecht te missen en merkte op dat hij het een "hap-snap bij elkaar geraapt voorstel" vindt, dat onwaardig is voor de Eerste Kamer. Ook vroeg Ruers om een oplossing voor de conflicten tussen het bestuursrecht en burgerlijk recht.

Samenvoeging hoogste bestuursrechters

Het wetsvoorstel behelst een beperkte herverdeling van de bevoegdheden van de hoogste bestuursrechters: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. In het regeerakkoord is opgenomen dat de regering voornemens is deze gerechten samen te voegen in één zogeheten 'grote kamer'. De Raad van State zal daarbij worden gesplitst in een rechtsprekend deel en een adviserend deel.  Senator Beuving (PvdA) vroeg welke gevolgen dit voornemen heeft voor het voorliggende wetsvoorstel. Senator Duthler (VVD) vroeg of de regering wil overwegen ook het Gerechtshof Leeuwarden -de hoogste bestuursrechter voor administratieve verkeersboetes- te betrekken bij deze samenvoeging.  Verder verwachtte zij van minister Opstelten dat hij zorgvuldig en binnen afzienbare tijd overleg zal voeren met minister Plasterk van Binnenlandse Zaken.

Antwoord regering

In zijn beantwoording gaf minister Opstelten aan dat de regering met het wetsvoorstel bestuurlijk ‘gepingpong’ tussen rechter en bestuurder wil voorkomen. Hij gaf aan de Eerste Kamer in februari 2013 te informeren over het programma 'Kwaliteit en Innovatie van de rechtspraak', waarover hij in overleg is met de Raad voor de rechtspraak. Dit programma beoogt de procedures in het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht te vereenvoudigen en ook te versnellen. Ten aanzien van de samenvoeging van de hoogste bestuursrechters merkte de minister op dat het voordeel hiervan is dat specifiek aandacht kan worden besteed aan de rechtsvraag, en dat voor de praktijk meteen duidelijk is dat het om een belangrijke uitspraak gaat. Over het eventueel onderbrengen van de hoogste bestuursrechters in de Hoge Raad zal minister Opstelten in overleg treden met zijn collega Plasterk van Binnenlandse Zaken. Hij zal de Kamer hierover in het voorjaar informeren.

Tot slot merkte minister Opstelten op dat hij voor de stemming op 18 december 2012 per brief zal reageren op de vragen over artikel 6:22 en relativiteitsvereiste.

 

Bron: Eerste Kamer

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding Rechtshulpverdrag met Marokko

Op 1 december 2012 is in werking getreden: het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, tot stand gekomen op 20 september 2010. Het Verdrag faciliteert samenwerking en bevat afspraken over met name de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, treedt het Verdrag in werking voor het gehele Koninkrijk, behalve voor Sint Maarten.

 

Trb. 2012-221

Print Friendly and PDF ^

Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving

Met het Besluit tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving wordt de Beleidsregels Arbeidsomstandighedenwetgeving ingetrokken en wordt de ‘oude’ beleidsregel 33 Arbeidsomstandigheden opnieuw vastgesteld als Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. In deze Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving zijn wijzigingen verwerkt die een gevolg zijn van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462). Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013 (Stb. 2012, 498). Daarnaast heeft een vereenvoudiging plaatsgevonden. Het niet naleven van bepalingen uit de Arbeidsomstandighedenwet en -regelgeving kan leiden tot het opleggen van een bestuurlijike boete. Afhankelijk van het type overtreding wordt al dan niet direct een boeterapport opgemaakt. In diverse situaties zal bij eerste constatering van een (minder ernstige) overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven niet direct sprake zijn van een boeteoplegging, maar zal eerst een waarschuwing worden gegeven of een eis worden gesteld.

De beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving bevat nadere voorschriften over de wijze waarop de boete wordt berekend. Bij deze beleidsregel behoort een bijlage, de tarieflijst bestuurlijke boete Arbeidsomstandighedenwetgeving.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Wijzigingen in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW wetgeving

Eén van de doelstellingen van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW Wetgeving is om overtredingen door bedrijven van de arbeidswetten streng(er) aan te pakken. De arbeidswetgeving beschermt werknemers tegen onder meer slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling, illegaliteit en verdringing van de arbeidsmarkt. De arbeidswetgeving draagt tevens bij aan eerlijke concurrentie tussen werkgevers. Met de aanscherping van het handhavings- en sanctiebeleid maakt de regering duidelijk dat er in ons land geen plaats is voor bedrijven die de wettelijke normen inzake arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen niet na willen leven. Eén van de onderdelen van het aangescherpte beleid is een verhoging van de boetenormbedragen. Daarbij is voor de arbeidswetten gekozen voor een systeem, waarbij de boete bij recidive wordt verdubbeld (en bij ernstige overtredingen verdrievoudigd) en bij herhaalde recidive wordt verdrievoudigd. De regering gaat ervan uit, dat van dit aangescherpte handhavings- en sanctiebeleid een sterke preventieve werking uitgaat; werkgevers zullen niet langer het risico willen nemen dat zij als gevolg van het niet naleven van de arbeidswetgeving een hoge boete opgelegd krijgen, waarbij zelfs niet is uitgesloten dat het bedrijf als gevolg van deze boete zijn activiteiten moet stilleggen.

In deze beleidsregel is nader invulling gegeven aan het beleid met betrekking tot de boeteoplegging binnen de kaders die de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling stellen. Een belangrijke aanpassing daarbij is een forse verhoging van de boetenormbedragen die voor een overtreding kunnen worden opgelegd. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de bestaande categorieën van boetenormbedragen terug te brengen van tien naar zeven categorieën met meer logisch oplopende bedragen. Voor de nieuwe verhoogde boetenormbedragen per overtreding is zoveel mogelijk aangesloten bij de boetecategorie die volgt na verdubbeling van de boetenormbedragen zoals die golden vanaf 1 januari 2007 tot 1 januari 2013. De overtredingen zijn daarbij in het algemeen ingedeeld in de naastliggende categorie boetenormbedrag na de verdubbeling.

Voor een aantal overtredingen is gekozen voor een hoger boetenormbedrag dan die volgt uit een verdubbeling van het hoogste boetenormbedrag dat tot 1 januari 2013 geldig was. Het betreft de overtredingen die voor 1 januari 2013 strafrechtelijk werden afgedaan en waarvoor per 1 januari 2013 een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Daarnaast wordt het hoogst mogelijke boetenormbedrag aan het niet gecertificeerd werken met asbest toegekend, vanwege de ernstige risico’s die daardoor kunnen ontstaan voor de omgeving, wanneer daar op een ondeskundige manier mee wordt gewerkt. Verder is in enkele gevallen gekozen voor een hogere boetecategorie dan die zou voortvloeien uit een verdubbeling van het boetenormbedrag, onder meer vanwege de samenhang met soortgelijke overtredingen die in een andere boetecategorie waren ingedeeld. Hierbij gaat het bij voorbeeld om het voorschrift tot herziening van de beoordeling van de blootstelling aan biologische agentia.

Vereenvoudiging van de beleidsregel

De beleidsregel is meer inzichtelijk gemaakt, met een meer logische indeling, en de bijlage bij de beleidsregel is aanzienlijk ingekort. Dat laatste is bereikt door de voormalige drie bijlagen samen te voegen tot één bijlage, waarin niet meer de tekst van de overtreding is opgenomen, maar alleen nog per beboetbaar artikel(lid) is aangegeven tot welke type overtreding deze behoort en onder welke boetecategorie deze valt.

 

Print Friendly and PDF ^