Due diligence handleiding ICC: anti-corruptie voor MKB

De International Chamber of Commerce (ICC) heeft een handleiding geschreven voor het MKB om hem te helpen hun due dilligence procedures op orde te krijgen. Zij krijgen immers vaak via grote bedrijven en multinationals ingewikkelde en omvangrijke regels en verplichtingen voor hun kiezen.  Die regels en verplichtingen zijn soms zo omvangrijk dat het MKB onvoldoende kennis en/of resources in huis heeft om hiermee daadwerkelijk uit de voeten te kunnen. Hiermee wordt niet alleen de relatie tussen de bedrijven in de keten op scherp gezet, ook worden mogelijke corruptierisico’s niet daadwerkelijk voorkomen of verminderd.

Om het MKB te ondersteunen heeft de ICC de handleiding ‘Anti-corruption third party due diligence: a guide for small and medium size entities‘ gepubliceerd. Deze legt uit wat due diligence inhoudt, waarom en wanneer het nodig is en hoe het geïmplementeerd kan worden. Ook geeft de handleiding tips en tricks, praktische richtlijnen en een risicocheck en aanbevelingen voor vervolgstappen.

Corruptiebestrijding door het MKB

Het is hoog tijd dat er meer aandacht komt voor corruptiebestrijding en het verkleinen van corruptierisico’s door het MKB. Ons handelsverkeer verplaatst zich immers steeds meer naar regio’s met een hoog corruptierisico. Uit het tweejaarlijkse Global Economic Crime Survey (2014) van PwC blijkt dat de helft van alle ondervraagde ondernemingen zaken doet in landen die door Transparency International als extra gevoelig voor passieve of actieve omkoping worden gekwalificeerd. Dit percentage zal nog stijgen. De Wereldbank schat dat in 2025 de grootste groei van de wereldeconomie zal worden gegenereerd in dat deel van de wereld waar corruptie en vormen hiervan, zoals excessive gifts and hospitalityfacilitating payments, etc. (nog) niet zijn weg te denken uit de business omgeving.

Daarnaast heeft het terugdringen van omkopingspraktijken de aandacht van internationale wet- en regelgevers en vormen de strenge sancties vormen een continuïteitsrisico voor ondernemingen. Zoals de ICC ook constateert: “de risico’s bij overtreding [nemen] toe; de Amerikaanse justitie heeft aangekondigd dat zij zich nu zullen richten op internationaal opererende MKB-bedrijven die overtredingen begaan.”

De handleiding

Het MKB kan door middel van deze handleiding:

  • kennis van en vertrouwen hebben in business partners;
  • met deze kennis en vertrouwen verantwoorde investeringen doen;
  • voorkomen dat er vervolging, reputatieschade en/of financiële schade optreedt door betrokkenheid bij mogelijke gevallen van corruptie;
  • een ethisch verantwoord merk ontwikkelen (licence to operate);
  • zekerheid geven aan business partners, met name MNEs, dat het bedrijf ethisch verantwoord opereert.

Sinds 2014 is TI-NL actief bezig geweest met vergroting van de bewustwording van het Nederlandse bedrijfsleven over corruptierisico’s die zij lopen als zij in het buitenland opereren; met name geldt dit voor het MKB. Er valt op dit punt echter nog veel winst te behalen. TI-NL hoopt dat het MKB deze handleiding zal gebruiken, waardoor een bijdrage geleverd wordt aan het creëren van een level playing field.

Hier kunt u de handleiding ‘Anti-corruption third party due diligence: a guide for small and medium size entities’ downloaden.

Bron: Transparency International Nederland

 

Print Friendly and PDF ^

'DOJ Quietly Revises FCPA Resource Guide'

In June, the US Department of Justice (DOJ) and Securities and Exchange Commission (SEC) quietly revised its manual, A Resource Guide to the U.S. Foreign Corrupt Practices Act (the Resource Guide), for the first time. Originally published in November 2012, the Resource Guide provides consolidated guidance on the DOJ’s and SEC’s enforcement policies and their interpretation of the Foreign Corrupt Practices Act (FCPA). Although the changes are more technical than substantive in nature, they do offer some further clarity for the chapters that discuss accounting provisions and criminal penalties.

Changes to Chapter 3, “The FCPA: Accounting Provisions”

  • In reference to an issuer’s responsibility for the books and records of affiliated entities, the revisedResource Guide now refers only to “joint ventures” under the issuer’s control. The prior version made reference to issuers’ liability for the books and records of their “joint venture partners” (p. 43).
  • Under the FCPA, issuers are required to use their influence to causeminority-owned affiliates to devise and maintain a system of internal accounting controls consistent with the issuers’ obligations, which contrasts with the vicarious liability that issuers face for accounting provision violations committed by majority-owned subsidiaries. The revised Resource Guide now better tracks the statute itself to make clear that issuers should use “good faith efforts” to cause their minority-owned subsidiaries or affiliates to implement adequate accounting systems. The prior version required issuers to use “best efforts” (p. 43), which exceeded the requirements of the FCPA’s statutory language.
  • The revisedResource Guide now defines a “minority-owned subsidiary or affiliate” of an issuer as a company where the parent owns “50% or less of [the] subsidiary or affiliate.” The prior version of the Resource Guide defined such a company as one where the parent “owns less than 50% of a subsidiary or affiliate” (p. 43).

These latter two changes modify the Resource Guide’s language to align with the 1988 amendments to the FCPA.

Changers to Chapter 6, “FCPA Penalties, Sanctions, and Remedies”

  • The revised Resource Guide notes that individuals are subject to a maximum fine of $250,000, an increase from the maximum of $100,000 discussed in the prior version. Although the FCPA imposes a statutory maximum of $100,000, individuals may be fined up to $250,000 under the Alternative Fines Act, 18 U.S.C. §3571 (p. 68).
  • The revised Resource Guide notes that, when calculating pecuniary gain under the Alternative Fines Act, a fine of up to twice “the benefit that the defendant obtained” may be imposed. The prior version stated that the maximum penalty under the Alternative Fines Act was twice the benefit “the defendant sought to obtain” (p. 68).

As with the prior version, the revised Resource Guide remains “non-binding, informal, and summary in nature” and is offered to provide information to individuals and businesses seeking to comply with the law. Accordingly, although these technical fixes may help align the Resource Guide more closely with the FCPA’s statutory language, the Resource Guide merely offers the DOJ’s and SEC’s interpretation of the law and their respective mandates for enforcement. Until such time as the courts have an opportunity to weigh in, the FCPA—and the obligations imposed on those that seek to comply—will remain open to interpretation.

Bron: Morgan Lewis

 

Meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

'Twintig grote exportlanden voldoen niet aan hun verplichtingen'

22 van de 41 OESO-landen die het anti-omkopingsverdrag hebben getekend zijn er in de afgelopen vier jaar niet in geslaagd om hun taak te vervullen; zij hebben in de afgelopen vier jaar geen enkele zaak van buitenlandse omkoping onderzocht of vervolgd, waardoor ze hun verplichtingen niet zijn nagekomen om grensoverschrijdende omkoping effectief te bestrijden. Echter, er is ook goed nieuws: vier landen, waaronder Nederland, hebben hun inspanningen om te handhaven verbeterd terwijl maar één land (Argentinië) in positie is gedaald. 

Nederland

Nederland valt in de categorie “limited enforcement”, wat inhoudt dat Nederland zaken van buitenlandse omkoping beperkt handhaaft. Dit is een verbetering ten opzichte van het vorige rapport van 2014, daar viel Nederland namelijk nog in de categorie “little or no enforcement”. Voornaamste oorzaak is het toezeggen van extra middelen voor het bestrijden van corruptie, de verhoging van straffen ten aanzien van onder andere buitenlandse omkoping en het onderzoeken van een aantal grote corruptiezaken, waaronder SBM.

Kritiek was er op de aanpak van postbusmaatschappijen en de opstelling van het OM, die nog steeds als onvoldoende actief wordt bestempeld. TI-NL moedigt de Nederlandse overheid door te gaan met de huidige ontwikkelingen en de beloofde investeringen waar te maken. Belangrijk is daarbij het transparanter maken van schikkingen die in corruptiezaken getroffen worden, de vervolging van natuurlijke personen om de indruk van straffeloosheid weg te nemen en de actievere opstelling ten opzichte van corruptiezaken in het buitenland waarbij Nederlandse bedrijven of personen betrokken zijn.

Via deze link leest u de specifieke sectie met betrekking tot Nederland.

Bestrijding van grensoverschrijdende corruptie

Zestien jaar na inwerkingtreding van het verdrag, zijn er maar vier landen die het OESO anti-omkopingsverdrag actief handhaven (“active enforcement”). Deze landen onderzoeken en vervolgen actief bedrijven die buitenlandse ambtenaren omkopen om bijvoorbeeld zo contracten te krijgen of de kans hierop te vergroten. Het gaat om de USA (met zijn welbekende FCPA), Duitsland, Engeland (via de UK Bribery Act 2010) en Zwitserland. Zes landen zijn ingedeeld in de categorie matige handhaving (“moderate enforcement”), terwijl negen landen zijn ingedeeld in de categorie beperkte handhaving (“limited enforcement”). Nederland valt in deze laatste categorie. De overige 20 landen doen weinig tot niets om ervoor te zorgen dat bedrijven in hun land corruptie niet verspreiden. Tot slot hebben IJsland en Letland geen zaken vervolgd of onderzocht, maar toch geen plaatsing in het reglement, respectievelijke vanwege hun te kleine aandeel in de wereldwijde export en te recente toetreding tot het verdrag.

Directeur van Transparency International, José Ugaz: “Door het tekenen van de OECD anti-omkopingsverdrag, hebben landen zich toegewijd aan het onderzoeken en vervolgen van grensoverschrijdende corruptie. Bijna de helft van de landen houdt zich hier echter niet aan. De OECD moet ervoor zorgen dat dergelijke slechte prestaties serieuze gevolgen hebben. Het niet nakomen van internationale verplichtingen kan niet worden getolereerd”.

Onvoldoende handhaving

De twintig landen die maar weinig tot helemaal niet handhaven, zijn goed voor 20.4% van de totale export wereldwijd. Deze landen laten het na om grensoverschrijdende corruptie te onderzoeken en te vervolgen door het gebrek aan politieke wil en middelen om dit daadwerkelijk te doen. Er zijn twaalf landen die dit verdrag hebben getekend, waaronder een aantal ‘oude’ democratieën, waar (mogelijke) inmenging van de politiek een effectief strafrechtsysteem in de weg staat.

De inspanning om buitenlandse omkoping tegen te gaan wordt in 21 landen ook belemmerd door straffen in wet en praktijk die onvoldoende effectief zijn. Het OECD Foreign Bribery Report van december 2014 laat zien dat in maar 17 van de 41 landen significante straffen werden opgelegd. Rusland heeft in 2015 de straffen op het geven (ook aan buitenlandse ambtenaren) of ontvangen van steekpenningen juist verlaagd. Argentinië is het enige land dat nu in een categorie lager valt dan in het vorige rapport.

De vier landen die actief handhaven (de Verenigde Staten, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland) hebben in totaal 215 zaken afgehandeld en zijn 59 nieuwe zaken begonnen van 2011-2014. De andere 35 landen hebben 30 zaken afgehandeld en zijn er 63 begonnen. Twintig landen hebben geen enkele zaak van grensoverschrijdende corruptie vervolgd in de afgelopen vier jaar.

G20

De G20 heeft een Anti-Corruption Action Plan voor 2015-2016 opgesteld. Volgens dit rapport van Transparency International vallen zes van de landen in deze top in de categorie “little or no enforcement”, waardoor deze landen er niet in slagen om de doelen die uiteengezet zijn in dit plan te bereiken.

Het is belangrijk dat het maatschappelijk middenveld en de privésector nationale programma’s ontwikkelen die de tekortkomingen van hun regeringen aanvullen om zo handhaving van buitenlandse omkoping te verhogen. Hopelijk eindigen alle landen dan volgend jaar in een hogere categorie.

Bron: Transparency International Nederland

 

Print Friendly and PDF ^

Follow-up rapport OECD opsporing en vervolging corruptie in het buitenland

Nederland heeft stappen gezet in de implementatie en handhaving van de OECD Anti-Bribery Convention en de 2009 Anti-Bribery Recommendations. In december 2012 ontving Nederland het derde fase evaluatierapport van de OECD Working Group on Bribery met hierin aanbevelingen over de implementatie en handhaving van de anti-omkoop verdragen. In maart 2015 heeft de Nederlandse staat een update overgelegd aan de OESO over de stand van zaken omtrent de aanbevelingen uit 2012. Naar aanleiding van dit verslag heeft de OESO in een follow-up rapport geconcludeerd dat 11 van de 22 aanbevelingen volledig zijn geïmplementeerd, 6 aanbevelingen zijn gedeeltelijk geïmplementeerd en 5 aanbevelingen zijn niet geïmplementeerd. De OECD Anti-Bribery Convention is opgericht door de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD/OESO) met als doel het verminderen van corruptie in ontwikkelingslanden. Dit wordt gedaan door sancties op te leggen wanneer er sprake is van omkoping tijdens internationale zakelijke transacties, uitgevoerd door bedrijven die gevestigd zijn in de landen die partij zijn bij het verdrag. In totaal hebben 41 landen het verdrag geratificeerd, waaronder Nederland.

De OECD Working Group on Bribery kent een peer review systeem van toezicht die bestaat uit verschillende fasen. Volgens Transparency International kan dit systeem van toezicht gezien worden als de ‘gouden standaard’ voor het toezicht houden op de implementatie en handhaving van verdragen. De aanbevelingen aan Nederland van december 2012 kwamen voort uit het derde fase evaluatierapport.

Op 12 mei 2015 werd het follow-up rapport gepubliceerd waarin de OESO conclusies trekt over de voortgang van de implementatie van de aanbevelingen van dit derde fase evaluatierapport. Hieronder worden de belangrijkste punten weergegeven.

Wat heeft Nederland met de aanbevelingen gedaan? 

Na de publicatie van het evaluatierapport in december 2012 stelde Transparency International-NL dat de OECD in zijn rapport terecht bezorgd was over de inspanningen van Nederland met betrekking tot de actieve opsporing en vervolging van corruptie door Nederlanders of Nederlandse bedrijven in het buitenland. Het aantal onderzoeken en veroordelingen was op dat moment opvallend laag. Het follow-up rapport van de OESO van mei jl. stelt dat Nederland flinke vooruitgang heeft geboekt op het gebied van handhaving. Sinds december 2012 zijn er 7 nieuwe onderzoeken met betrekking tot buitenlandse omkoping gestart, wat het totaal op 16 onderzoeken brengt sinds het inwerking treden van het verdrag. Van deze onderzoeken lopen er nog 10 en zijn er 4 afgesloten. De andere twee onderzoeken, die betrekking hebben op de Nederlandse bedrijven SBM Offshore en Ballast Nedam, zijn afgedaan met buitenrechtelijke schikkingen. Toch kan gesteld worden dat er andere landen zijn die vele malen meer onderzoeken starten en afsluiten dan Nederland. Tevens stelt de OESO dat 24 andere aantijgingen van buitenlandse omkoping niet lijken te zijn onderzocht. Hierin ligt dus nog ruimte voor verbetering.

Nederland heeft zich volgens de OESO ingespannen om de capaciteiten op het gebied van onderzoek en vervolging te verbeteren. Een aantal van deze maatregelen kunnen verder worden ontwikkeld om handhaving verder te verbeteren. De OESO constateert een stijging in de middelen voor het Bureau van de Landelijke Officier van Justitie voor corruptie en de multidisciplinaire teams die onderzoek doen naar buitenlandse omkoping. Daarnaast is op initiatief van het Openbaar Ministerie een forum opgezet waarin alle relevante overheidspartijen informatie kunnen delen en overleggen. Het forum heeft tot nu toe maar één keer de mogelijkheid gehad om bijeen te komen, namelijk in november 2014. En omdat geen van de 7 nieuwe onderzoeken van buitenlandse omkoping een resultaat is van deze proactieve opsporingsinspanningen, wordt deze aanbeveling in deze fase beschouwd als gedeeltelijk geïmplementeerd.

Op het gebied van internationale samenwerking in internationale corruptiezaken is de OESO tevreden over de inspanningen van Nederland om proactieve samenwerking te bevorderen. Dit geldt ook voor de nieuwe instructie voor de opsporing en vervolging van corruptie van ambtenaren in het buitenland, waarin wordt aanbevolen om contact te zoeken met de buitenlandse wetshandhavingsautoriteiten. TI-NL stelde al eerder dat in het tekort aan internationale samenwerking het kernprobleem zit van de talmende opsporing en vervolging.

Op 1 januari 2015 is er in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht een aantal relevante wijzigingen in werking getreden dat betrekking heeft op een aantal van de aanbevelingen uit het evaluatierapport. Deze wijzigingen vereenvoudigen en harmoniseren de strafbare feiten van buitenlandse omkoping; daarbij is het onderscheid tussen verschillende soorten omkopingen weggenomen. Ook worden met deze wijzigingen de maximale straffen verhoogd voor buitenlandse omkoping en valse boekhouding. In de volgende evaluatie fase zal de OESO de gewijzigde wet evalueren.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen is volgens de OESO in het algemeen verbeterd, maar sommige kwesties blijven onopgelost. Nederland heeft opsporingsambtenaren van trainingen voorzien over aansprakelijkheid van rechtspersonen. Daarnaast houdt Nederland gedetailleerde statistieken bij over het aantal vervolgingen van rechtspersonen. Ook de inspanning van de Nederlandse handhavingsautoriteiten om postbusvennootschappen onder de loep te nemen die betrokken zijn bij buitenlandse corruptie wordt door de OESO gewaardeerd, hoewel ook daar nog enkele verbeterpunten zijn geïdentificeerd.

Daarnaast heeft Nederland niet alle aanbevelingen overgenomen die betrekking hebben op bewustmaking en training. De OESO verwelkomt de activiteiten om bewustwording in de publieke sector te vergroten, maar zegt dat er meer gedaan moet worden voor de private sector. TI-NL onderschreef deze aanbeveling om meer te doen aan training en bewustwording binnen de overheid en het bedrijfsleven op het gebied van opsporing van buitenlandse corruptie. Nederland zal zich dus op dit terrein meer moeten inspannen.

De OESO vindt het jammer dat Nederland haar wetgeving nog niet heeft aangepast om de bescherming van klokkenluiders, met betrekking tot buitenlandse omkoping in de publieke en private sector, te vergroten. Het initiatiefwetsvoorstel Huis voor Klokkenluiders is momenteel aanhangig en indien deze wordt aangenomen, kan de OESO deze in de volgende evaluatie beoordelen. Wel heeft Nederland de verplichting opgenomen voor ambtenaren om buitenlandse omkoping te rapporteren.

Tot slot heeft Nederland zich niet voldoende ingespannen om bedrijven op een systematische manier te controleren. Dit om te voorkomen dat bedrijven die veroordeeld zijn voor omkoping in aanmerking komen voor de uitvoering van openbare aanbestedingen.

De Working Group zal in fase 4 de aanbevelingen die niet of maar gedeeltelijk zijn geïmplementeerd opnieuw monitoren.

Bron: Transparency International

 

Voor meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

‘Accountant moet hete aardappel corruptie vastpakken’

Momenteel ontwikkelt de (internationale) wet- en regelgeving op het gebied van corruptie zich sterk. De maatschappij verwacht van organisaties niet alleen dat ze zich conformeren aan de nieuwe kaders, maar ook dat ze zich actief inzetten voor het uitbannen van corruptie. De accountant speelt een belangrijke rol in dit proces. Deze dient zich niet alleen bewust te zijn van zijn (formele) rol, maar tegelijkertijd actief bij te dragen aan het terugdringen van corruptie door een professioneel-kritische instelling en een goed ontwikkelde signaalfunctie. Stapje voor stapje wordt de lat hoger gelegd waar het gaat om het voorkomen van corruptie. Wereldwijd staat er al jarenlang druk op organisaties om hun beleid op dit punt te verbeteren. Ook in Nederland staat het onderwerp nadrukkelijk op de agenda, zeker na geruchtmakende zaken waarin sprake was van omvangrijke schikkingen

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^