Van Rey is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur

Rechtbank Rotterdam 12 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5277, ECLI:NL:RBROT:2016:5280, ECLI:NL:RBROT:2016:5272 Oud-wethouder van Roermond en ex-senator van de VVD Jos van Rey is dinsdag veroordeeld tot de maximaal mogelijke taakstraf van 240 uur. Zijn goede vriend projectontwikkelaar Piet van Pol is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur. De Roermondse oud-wethouder Tilman Schreurs (VVD) werd schuldig bevonden, maar krijgt geen straf opgelegd.

Verdenking

Op 15 januari 2015 heeft het Openbaar Ministerie de dagvaarding bekend gemaakt met de feiten waarvan Van Rey verdacht wordt. Het gaat om het volgende:

  • Het aannemen van giften, diensten en beloften ter waarde van 97.699 euro van Van Pol Beheer BV,[11] een projectontwikkelaar en vastgoedbeleggingsbedrijf te Roermond.
  • Het aannemen van giften van RED Security BV, een beveiligings- en surveillancebedrijf te Roermond;
  • Het aannemen van giften van Meulen Groep BV, een bouw-, vastgoed- en projectontwikkelingsbedrijf te Weert;
  • De aangenomen giften van deze bedrijven bestaan uit voor Van Rey betaalde bezoeken aan vastgoedbeurzen, voetbalwedstrijden met hotelovernachtingen, 22 vakantiereizen van Van Rey naar de villa van Van Pol aan de Côte d'Azur, uitstapjes, en donaties aan Liba Adviesbureau BV, een bedrijf dat op naam staat van zijn kinderen. In ruil daarvoor zou Van Rey als wethouder deze bedrijven een voorkeursbehandeling hebben gegeven, vertrouwelijke gemeente-informatie hebben verstrekt en besluitvormingsprocedures hebben beïnvloed. Met name Van Pol Beheer BV zou daardoor voor honderden miljoenen euro's projecten hebben kunnen bouwen.
  • Het witwassen van 175.000 euro;
  • Het ronselen van 34 volmachtstemmen voor gemeenteraadsverkiezingen;
  • Het schenden van het ambtsgeheim door informatie te lekken uit de sollicitatieprocedure voor een nieuwe burgemeester aan vier VVD-politici, namelijk Ricardo Offermanns, Vincent Zwijnenberg, staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven en Tweede-Kamerlid Karin Straus (afkomstig uit Roermond).
  • Het regelen van een billboard langs de A73 voor voormalig VVD Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers in 2012. Voor de huur werd betaald door Van Pol Beheer BV (€ 1785) en Meulen Groep BV (€ 1190); het Openbaar Ministerie ziet deze bedragen als giften die Van Rey niet had mogen aannemen.

Oordeel rechtbank

Van Rey heeft zich laten omkopen door projectontwikkelaar Van Pol met bijvoorbeeld reizen naar vastgoedbeurzen, zo oordeelde de rechtbank in een vonnis van 88 pagina’s. De rechtbank achtte daarnaast stembusfraude bewezen, maar niet het stelselmatig ronselen van stemmen. Ook van witwassen werd Van Rey vrijgesproken.

Het staat voor de rechtbank vast dat Van Rey over de schreef ging toen hij in september 2012 vragen en gewenste antwoorden doorspeelde aan burgemeesterskandidaat Ricardo Offermans. Van Rey was destijds adviseur van de lokale vertrouwenscommissie voor de benoeming van een nieuwe burgemeester van Roermond. De rechtbank noemde de benoemingsprocedure dinsdag “een poppenkast”.

Van Pol zou volgens het OM bij zijn omkoping gebruik hebben gemaakt van giften aan de oud-wethouders zoals reizen in privéjets naar Cannes, Nice en München. Van Pol zou de gemeente Roermond hiermee met voor 5 tot 7 miljoen euro hebben benadeeld.

De rechtbank vond de keuzes van de twee “onhandig”, maar zag in veel gevallen geen keihard bewijs voor omkoping en fraude. Dat Van Rey en Van Pol al veertig jaar goede vrienden zijn, speelt daarbij mee voor de rechtbank. Veel reizen ondernamen de mannen met hun gezinnen, waarbij afwisselend door beide heren werd betaald. De gezamenlijke reizen naar vastgoedbeurzen worden door de rechtbank wel bestempeld als omkoping omdat van Rey deze niet als vriend maakte, maar vooral als wethouder.

Van Rey is nog altijd lid van de Roermondse gemeenteraad in zijn eigen Liberale Volkspartij Roermond (LVR) en van de Provinciale Staten van Limburg. Hij ontkent steevast dat hij grote fouten heeft gemaakt en wees erop dat bouwbesluiten zijn genomen door het voltallig gemeentebestuur. Hij noemde zichzelf in zijn slotbetoog al “bijna vier jaar sociaal-maatschappelijk en financieel veroordeeld”. Er zouden “Gestapo-methodes” gebruikt zijn om hem in een kwaad daglicht te stellen.

Hoger beroep

Het Openbaar Ministerie had celstraffen geëist en gaat in hoger beroep.

Het OM eiste een gevangenisstraf van 24 maanden voor Jos van Rey en Piet van Pol. Bovendien de ontzetting van Van Rey uit het recht om gedurende drie jaar enig ambt te bekleden.

Tegen de Roermondse oud-wethouder Schreurs is een taakstraf van 180 uur geëist alsmede de ontzetting uit het recht om enig ambt op gemeentelijk niveau te bekleden voor 2 jaar.

Vonnis

Een schriftelijke weergave van de mondelinge uitspraak is hier te raadplegen.

Lees hier de volledige uitspraken:

 

Print Friendly and PDF ^

Lekkende politieagent krijgt taakstraf

Rechtbank Amsterdam 2 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3387 Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie te versturen aan zijn partner en aan zijn vader.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vervolging van verdachte. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat met de strafrechtelijke vervolging van verdachte in redelijkheid geen strafrechtelijk belang meer wordt gediend. Verdachte is in verzekering gesteld, oneervol ontslagen en heeft, als gevolg van traumatische ervaringen tijdens zijn werk als politieman, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen. Gelet op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie de enige passende sanctie, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet-ontvankelijkheidsverweer dient te worden verworpen, aangezien er sprake is van een forse schending van het ambtsgeheim door verdachte. Gelet hierop kon in alle redelijkheid tot strafrechtelijke vervolging van verdachte worden overgegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte stelt de rechtbank voorop dat de officier van justitie ‘dominus litis’ is. Dit wil zeggen dat het de officier van justitie is die de beslissing over vervolging neemt en dat die beslissing niet aan directe toetsing door de rechtbank voorligt. Wel dient de rechtbank in dit kader te beoordelen of door de officier van justitie geen beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. In dit geval gaat het dan meer specifiek om het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Bij het instellen van vervolging dient de officier van justitie de verschillende in aanmerking komende belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.

De verdediging stelt dat verdachte heeft gehandeld terwijl hij leed aan PTSS, dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Deze stoornis zou van invloed zijn geweest op zijn handelen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat de PTSS het handelen van verdachte heeft veroorzaakt. De rechtbank leidt dit af uit het Pro Justitia-rapport van 15 december 2015, opgemaakt door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog (hierna: het psychologisch rapport), pagina 22: ‘Hoewel de PTSS op de achtergrond een rol kan hebben gespeeld in de behoefte informatie te delen, kan niet worden gesteld dat de keuzevrijheid van betrokkene door de PTSS beperkt werd.’ De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de norm die is geschonden en het rechtsbelang dat wordt beschermd. Verdachte wordt beschuldigd van het als politieagent schenden van zijn ambtsgeheim. Het plegen van een dergelijk feit beschaamt het vertrouwen dat de maatschappij in politieagenten mag en ook moet hebben. Gelet op het voorgaande kon de officier van justitie in alle redelijkheid tot vervolging van verdachte overgaan.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de volgende bewijsmiddelen tot het oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen sprake is van geheimen in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft in de genoemde gevallen telkens informatie die niet privacy gevoelig is, aldus de raadsman. Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat verdachte de betreffende informatie niet opzettelijk heeft gedeeld, ook niet in de variant van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, moet acht worden geslagen op de aard van de informatie, het moment waarop de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. In de vijf gevallen die de raadsman noemt is er telkens sprake van informatie die verdachte in zijn hoedanigheid als hoofdagent van politie voorhanden kreeg. Het betreft ook telkens informatie uit lopende politieonderzoeken. Gelet op de geheimhoudingsplicht voor politieambtenaren (artikel 7, eerste lid, Wet politiegegevens) is er reeds hierom in de onderhavige gevallen telkens sprake van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de informatie niet privacy gevoelig is of niet is te herleiden tot een specifiek geval of persoon doet daar niet aan af.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden. Verdachte heeft – met uitzondering van één geval – de informatie per WhatsApp of e-mail verstuurd. Voor het op dergelijke wijze versturen van informatie zijn meerdere handelingen nodig. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar het psychologisch rapport. Hierin is onder meer het volgende opgenomen, pagina 22:

‘Betrokkene bekende zijn ambtsgeheim te hebben geschonden (…). Vastgesteld kan worden dat het hierbij niet ging om een impulsieve actie. Betrokkene had – als hij beter had nagedacht – ook kunnen besluiten de informatie voor zich te houden. (…) Een en ander impliceert een keuze.’

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen hetgeen verdachte onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf 160 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over de Roermondse affaire rond burgemeestersbenoeming

Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:452 De verdachte is bij arrest van 12 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde en veroordeeld voor het meest subsidiair tenlastegelegde, te weten medeplichtigheid aan: enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd, tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Namens de verdachte zijn zeven middelen van cassatie voorgesteld.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het eervolle ontslag van de toenmalige burgemeester van Roermond op 1 februari 2012 raakt het ambt van burgemeester in deze gemeente vacant. Overeenkomstig het bepaalde in art. 61, derde lid, Gemeentewet wordt in het verband van de benoemingsprocedure een vertrouwenscommissie ingesteld, belast met de beoordeling van de kandidaten. Aan de vertrouwenscommissie wordt de toenmalige wethouder betrokkene 1 als adviseur toegevoegd. De verdachte is een van de kandidaten. Hij wordt met een meerderheid van stemmen door de gemeenteraad gekozen als beoogd burgemeester van Roermond en bij besluit van 27 september 2012 aanbevolen bij de minister van Binnenlandse Zaken. Volgens de verdenking van het Openbaar Ministerie zou betrokkene 1 uit hoofde van zijn functie als adviseur lopende de sollicitatieprocedure in contact hebben gestaan met de verdachte en in strijd met zijn geheimhoudingsplicht aan de verdachte relevante informatie hebben verstrekt over vragen en casusposities die de verdachte in het sollicitatiegesprek zouden worden voorgehouden en de gewenste antwoorden daarop en hoe hij daarbij de mooiste indruk zou maken. Naar het oordeel van het hof wist de verdachte dat betrokkene 1 deze vertrouwelijke informatie niet met hem mocht delen en heeft de verdachte betrokkene 1 de gelegenheid geboden diens geheimhoudingsplicht te schenden. Derhalve acht het hof de verdachte schuldig aan medeplichtigheid aan het opzettelijk schenden van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan betrokkene 1 toen verplicht was het desbetreffende geheim te bewaren.

Het eerste middel keert zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Aangevoerd wordt dat betrokkene 1 ook telefonische gesprekken heeft gevoerd met een andere sollicitant die zich actiever heeft opgesteld dan de verdachte en, althans dit maak ik op uit de toelichting op het middel (het wordt daarin niet in zoveel woorden gesteld), kennelijk te dien aanzien niet is vervolgd door het openbaar ministerie.

Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een rechtsklacht tegen de kwalificatiebeslissing van het hof en houdt in dat het hof het begrip medeplichtigheid telkens te vergaand heeft opgerekt nu daaronder niet te brengen zijn de bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen (i) het aanhoren en aannemen van informatie over vragen en toelichting op vragen die gesteld worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van Roermond, en informatie over de uitkomst van de beraadslaging van de vertrouwenscommissie, (ii) het vragen naar het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie en (iii) het instemmen met een voorstel van betrokkene 1 om net te doen of ze elkaar voor het eerst spreken, op het moment dat betrokkene 1 de verdachte belt met de mededeling dat hij zou worden voorgedragen als de nieuwe burgemeester van Roermond.

Het derde middel klaagt dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op “het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging”, inhoudende dat het verwijt dat de verdachte zou hebben ingestemd met het voorstel om te doen alsof hij betrokkene 1 voor het eerst sprak op het moment dat betrokkene 1 hem zou bellen met de mededeling dat hij voorgedragen zou worden, niet bewezen kan worden en/of geen schending van het ambtsgeheim oplevert.

Het vierde middel klaagt dat het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging – inhoudende dat het verwijt dat de verdachte naar het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie zou hebben gevraagd geen hulp bij of tot het misdrijf oplevert – door het hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd is verworpen. In de toelichting op het middel wordt te dien aanzien nader aangevoerd dat het hof op geen enkele wijze gemotiveerd inzichtelijk heeft gemaakt waarom in weerwil van het betoog van de verdediging de geheimhoudingsverklaring op dat moment nog steeds gold en er geen sprake is van een verrichting na het misdrijf.

Het vijfde middel behelst in samenhang met de toelichting daarop de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de informatie betrokkene 1 aan de verdachte telefonisch heeft meegedeeld betreffende het komende sollicitatiegesprek onder de geheimhoudingsplicht in de zin van art. 61c Gemeentewet valt, nu de door betrokkene 1 verstrekte informatie niet valt onder de term “beraadslaging” als bedoeld in art. 61, derde en vierde lid, art. 61a, derde lid, en art. 61b, derde lid, Gemeentewet.

Het zesde middel keert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping “van het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging, inhoudende dat requirant zich op geen moment bewust is geweest van de mogelijkheid dat betrokkene 1 informatie doorgaf die onder de geheimhoudingsplicht zou vallen, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat de geheimhouding enkel op de privacy van de kandidaten zag”.

De AG adviseert de Hoge Raad om het beroep te verwerpen.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Straf voor drie jaar ten onrechte titel van advocaat voeren en "cliënten" oplichten

Rechtbank Den Haag 11 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1438 Verdachte heeft meer dan drie jaar de titel van advocaat gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn en verschillende rechtzoekenden op deze wijze opgelicht. In bepaalde gevallen zaten de personen in vreemdelingenbewaring en hadden zij met spoed rechtsbijstand van een advocaat nodig en in andere gevallen waren rechtzoekenden op zoek naar een goede advocaat die hen zou helpen bij hun het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel en/of regulier. Verdachte heeft bij deze personen de suggestie gewekt dat hij beter werk zou verrichten dan de sociale advocatuur, niet tegengesproken dat hij advocaat is, in de naam van zijn kantoor het woord “lawyers” vermeld en (grote) bedragen voor zijn werkzaamheden gevraagd.

Dit alles terwijl verdachte geen graad in de rechtsgeleerdheid heeft gehaald, laat staan zich advocaat mag noemen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Voorts heeft de raadsvrouw – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht om aanhouding van de behandeling voor het horen van [getuige 3] en [kennis slachtoffer 4] als getuigen.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 t/m 4: oplichting van slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4

Slachtoffer 1 en slachtoffer 2

In deze twee zaken was sprake van een onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand van een advocaat omdat er sprake was van vreemdelingenbewaring.

Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij in 2010 een vreemdelingenadvocaat nodig had voor zijn zus zus slachtoffer 1 omdat zij door de politie staande was gehouden. Op 18 mei 2010 is zus slachtoffer 1 in bewaring gesteld. Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij naar verdachte is gegaan, omdat hij dacht dat hij een vreemdelingenadvocaat was. Verdachte wilde de zus van slachtoffer 1 wel vertegenwoordigen en hij wilde daarvoor cash geld. Volgens de factuur van naam kantoor is op 18 mei 2010 een bedrag van €1000,00 ten behoeve van zus slachtoffer 1 aan het kantoor van verdachte in Leiden betaald. Opvallend daarbij is dat het bedrag vrijwel meteen is betaald, nadat slachtoffer 1 bij verdachte is geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van slachtoffer 1 heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor zijn zus. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen advocaat is.

Net als slachtoffer 1 was slachtoffer 2 op zoek naar een advocaat – in dit geval voor haar partner partner slachtoffer 2 die ook in vreemdelingenbewaring was gesteld. Verdachte zou niet hebben gezegd dat hij geen advocaat is. Uit de verklaring van slachtoffer 2 blijkt dat verdachte haar onder meer heeft verteld dat “sociale advocaten” door de overheid worden betaald en dat deze advocaten niet hun best doen, hij daarentegen werkte voor “zijn naam”. Voorts heeft een verbalisant bij de vreemdelingenpolitie gerelateerd dat verdachte zich zou hebben voorgesteld als “voorkeursadvocaat verdachte ” en gezegd zou hebben, “ik ben de volmacht van mevrouw partner slachtoffer 2 ”. slachtoffer 2 heeft in haar verklaring bij de politie bevestigd dat verdachte telefonisch contact heeft gehad met de vreemdelingenpolitie en heeft gezegd dat hij “de voorkeursadvocaat” was.

Uit de factuur van 11 april 2011 blijkt dat er een bedrag van €2.500,00 in rekening is gebracht. En uit de factuur van 14 april 2011 komt naar voren dat er een bedrag van €100,00 is betaald. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers”, gevestigd te Leiden. Ook hier is het bedrag meteen voldaan en heeft verdachte verklaard dat hij het geld heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor partner slachtoffer 2.

Slachtoffer 3 en slachtoffer 4

In de zaken slachtoffer 3 en slachtoffer 4 was er geen sprake van vreemdelingenbewaring en daarmee van onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand door een advocaat. Wel waren ook slachtoffer 3 en slachtoffer 4 op zoek naar een advocaat.

Slachtoffer 3 heeft verklaard dat hij op zoek was naar een andere advocaat en bij verdachte is terecht gekomen en dat verdachte heeft gezegd dat hij advocaat was. Bij de rechter-commissaris heeft slachtoffer 3 verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij een speciale advocaat is en niet in opdracht van de IND werkt en dat hij een “private lawyer” is. Dit vindt steun in de kwitanties – die in overeenstemming zijn met de bij de vordering benadeelde partij overgelegde factuur – waaruit blijkt dat op 1 april 2011 €2.500,00 en op 11 april 2011 €1.000,00 is betaald. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat slachtoffer 3 hem €3.500,00 euro heeft betaald.

Slachtoffer 4 heeft bij de politie niet met zoveel woorden verklaard dat hij op zoek was naar een advocaat. Wel is ook hij met een verzoek om rechtsbijstand bij verdachte terecht gekomen en heeft hij €4.250,00 aan verdachte betaald. Zijn verklaring vindt steun in de factuur van 28 maart 2011, waarop een bedrag van €3.000,00 staat vermeld, in de factuur van 25 mei 2011 met een bedrag van €750,00 en de factuur van 31 oktober 2011 met een bedrag van €500,00. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers” gevestigd te Leiden. Verdachte heeft verklaard dat er door slachtoffer 4 is betaald en dat hij de opdracht heeft aanvaard.

Voorts heeft slachtoffer 4 verklaard dat een kennis van hem – kennis slachtoffer 4 – navraag ging doen over verdachte. Kennis slachtoffer 4 heeft hierop contact gehad met de Orde van Advocaten en te horen gekregen dat verdachte helemaal geen advocaat is. Ook zou kennis slachtoffer 4 contact hebben gehad met verdachte. Deze verklaring sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij inderdaad contact heeft gehad met kennis slachtoffer 4. Gezien deze verklaring van verdachte – in tegenstelling tot waarvan zij uitging op basis van wat slachtoffer 4 haar gezegd had – is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat kennis slachtoffer 4 – zoals door de verdediging verzocht – alsnog wordt gehoord. Het is immers duidelijk dat ook in de zaak van slachtoffer 4 verdachte werkzaamheden heeft verricht, hiervoor geldbedragen betaald heeft gekregen en dat ook slachtoffer 4 in de veronderstelling verkeerde dat verdachte advocaat was en dat hij – als hij had geweten dat dit niet zo was – hem zijn zaak niet had laten behandelen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte in de zaak van slachtoffer 4 op dezelfde wijze heeft gehandeld als in de zaken van slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van alle vier zaken het volgende.

Het woord lawyer

Uit de factuur en het in die tijd gebruikte briefpapier van het kantoor van verdachte blijkt zoals hiervoor omschreven dat verdachte in het briefhoofd het woord “lawyer” vermeldde. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zich naar rechtzoekenden toe “lawyer” noemde. De rechtbank stelt vast dat dit woord bij rechtzoekenden de indruk heeft gewekt dat verdachte advocaat is. Weliswaar kunnen taalkundig aan het woord “lawyer” meerdere betekenissen worden toegekend, waarbij aan advocaat maar ook aan jurist kan worden gedacht. De meest gebruikelijke vertaling van “lawyer” is evenwel advocaat. Zeker bij de (niet Engelstalige) rechtzoekende die niet vertrouwd is met het jargon, zal mede door het gebruik van dit woord de indruk zijn gewekt dat verdachte advocaat was. Aldus voedde verdachte de veronderstelling van zijn cliënten dat hij advocaat was.

Het aannemen van een valse hoedanigheid

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zich voor te doen als advocaat/lawyer, dan wel dit niet tegen te spreken, een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Hij heeft zich immers een specifieke kwaliteit aangemeten, namelijk dat hij slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 zou kunnen helpen als advocaat. Alle vier rechtzoekenden waren op zoek naar een advocaat en verdachte heeft hen in de veronderstelling gebracht en gelaten dat hij advocaat zou zijn. Verdachte heeft zich immers als advocaat voorgedaan, terwijl hij dat niet is. De vergelijking die de raadsvrouw heeft gemaakt met de casus waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het zich voordoen als bonafide verkoper op het internet mank gaat. Het gaat in dit geval immers om een heel specifieke hoedanigheid die verdachte zich ten onrecht heeft aangemeten namelijk het zijn van advocaat.

Tot slot is vast komen te staan dat verdachte door het aannemen van deze valse hoedanigheid slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 tot afgifte van geld heeft bewogen. Zij hebben achteraf verklaard dat zij geen gebruik van zijn diensten zouden hebben gemaakt, als zij hadden geweten dat verdachte geen advocaat is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten.

Feit 5: het onbevoegd voeren van de titel van advocaat

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen in acht nemende en gelet op het onderstaande is de rechtbank van overdeel dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voeren van de titel van advocaat zonder dat hij daartoe gerechtigd was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verbalisant De Jong heeft in het proces-verbaal aangaande de inbewaringstelling van zus slachtoffer 1 gerelateerd dat verdachte telefonisch heeft doorgegeven zus slachtoffer 1 te vertegenwoordigen en dat hij het niet nodig vond om bij het verhoor aanwezig te zijn. Hij zou zijn cliënte in de loop van de dag bezoeken. Op 7 juli 2014 heeft getuige 1 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte op 25 mei 2010 contact heeft gezocht met het bureau en zich daarbij heeft gemeld als voorkeursadvocaat. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige 2, afgelegd op 7 juli 2014 bij de rechter-commissaris. Onder verwijzing naar haar proces-verbaal van 26 oktober 2010 heeft zij verklaard dat zij intern de mededeling kreeg dat de advocaat van slachtoffer 1 aan de lijn was. Verdachte heeft met haar over zijn cliënte gesproken en ze hebben het over de piketmelding gehad. Verdachte heeft gezegd dat hij de piketmelding zou aannemen.

Het bovenstaande sluit aan bij de verklaring van getuige 3 – de Belgische advocaat van zus slachtoffer 1 – die heeft verklaard dat hij aan verdachte heeft gevraagd of hij advocaat was en dat deze antwoordde, “ja, dat ben ik”.

Gezien het vorenstaande – in onderling samenhang bezien – ziet de rechtbank geen noodzaak om getuige 3 als getuige horen en wijst zij het verzoek van de verdediging hiertoe derhalve af.

Bewezenverklaring

Feit 1, 2, 3 en 4: oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 5 primair: zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 tot:

  • een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 uur;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar;
ten aanzien van feit 5 tot:
  • een geldboete van € 750,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Politieagent aangehouden voor lekken informatie

Een 28-jarige agent van de politie-eenheid Den Haag is afgelopen woensdagochtend door de Rijksrecherche aangehouden. De man wordt ervan verdacht informatie te hebben gelekt aan derden. Het zou gaan om informatie uit systemen van de uniform-dienst, niet van de recherche.

De man wordt de komende dagen verhoord. Ook zijn de woning en de werkplek van de man doorzocht. In juridische termen wordt hij verdacht van schending van het ambtsgeheim en ambtelijke corruptie.

De man zit in beperkingen. Om die reden kan het OM – onder wiens gezag deRijksrecherche optreedt – in deze fase niet meer over het onderzoek en de aanhouding melden.

Naast de agent zijn twee mede-verdachten aangehouden in verband met deze zaak.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^