HR: Toezenden van op schrift gestelde vragen aan een verdachte geen verhoor in de zin van art. 29 Sv

Hoge Raad 1 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB7744

Beschouwing leidt tot het oordeel, dat toezending van op schrift gestelde vragen niet kan worden aangemerkt als een verhoor in de zin van art. 29 Sv., aangezien een zodanige toezending valt buiten het kader van hetgeen de wetgever bij het begrip ''verhoor'' voor ogen heeft gestaan en aanleiding heeft gegeven tot invoeging van het huidige tweede lid van art. 29 Sv.. Immers, van een confrontatie van een ondervrager met een ondervraagde is geen sprake indien op schrift gestelde vragen worden toegezonden aan en ontvangen door een persoon aan wie wordt verzocht die vragen - eveneens schriftelijk - te beantwoorden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Is de bij aanvang van de zitting nabij de zittingszaal aanwezige verbalisant een verschenen getuige?

Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1143

Het middel berust op de opvatting dat een persoon die niet als getuige is opgeroepen, maar zich op het verzoek van het openbaar ministerie om praktische redenen bij aanvang van de terechtzitting nabij de zittingszaal beschikbaar heeft gehouden teneinde, indien nodig, een verklaring te kunnen afleggen, moet worden aangemerkt als een zogenoemde meegebrachte getuige en mitsdien als een "verschenen getuige" in de zin van art. 287, tweede lid, Sv.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wanneer sprake van leveren van zodanige intellectuele en/of materiële bijdrage aan oplichtingen dat deze zijn medegepleegd?

Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1136

In de kern klaagt het middel dat geen sprake was van medeplegen, hoogstens van handelingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Uit de bewijsvoering van het hof kan immers niet méér worden afgeleid dan dat de verdachte verantwoordelijk was voor het vervoer naar en van de opgelichte huurbedrijven.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt vooropstellingen uit overzichtsarrest over aanhoudingsverzoeken wegens verhindering van verdachte of zijn raadsman bij de behandeling van de zaak ttz. aanwezig te zijn

Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1144

Het middel klaagt dat de afwijzing door het gerechtshof van het door de niet-gemachtigde raadsman gedane verzoek tot aanhouding om (alsnog) in staat te worden gesteld om van de verdachte een machtiging te krijgen zodat hij namens hem de verdediging kan voeren, onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt gegeven samenvatting van zijn eerdere rechtspraak over bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”

Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De motivering zou met name tekortschieten doordat is afgeweken van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zonder dat het hof inzicht zou hebben gegeven in de redenen die tot afwijking van die standpunten hebben geleid. In de toelichting op het middel worden vier klachtonderdelen geformuleerd. Voorafgaand aan de bespreking daarvan geef ik de bewezenverklaring onder 4, de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen en bewijsoverweging alsmede delen van de bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota weer.

Read More
Print Friendly and PDF ^