'An European outlook on the illicit trade in tobacco products'

This article provides an overview of the illicit trade in tobacco products (ITTP) in the European Union. Based on an innovative methodology, it contains estimates of the volumes, prevalence, and products of the ITTP for the period 2006–2013 at the subnational level. Further, it presents a critical analysis of the ITTP flows, the actors involved as smugglers and the modus operandi adopted for committing the crime. It also develops an estimate of the number of actors involved in the illicit trade in the EU. This study calls for a new direction to be taken in the analysis of, and the fight against, the ITTP. It suggests that the focus should be trained more closely on the reduction of criminal opportunities than on crime control policies. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

EU-Handvest Grondrechten staat vertrouwelijk rapport toe als bewijsmateriaal

Bewijs in douanezaken op basis van een vertrouwelijk rapport, waarvan noch de belanghebbende noch de nationale rechter alle details mogen inzien, druist volgens het EU-Hof niet in tegen het recht op een eerlijk proces in het Handvest Grondrehten. De nationale rechter moet de relevantie van een dergelijk bewijsmiddel wegen, inclusief tegenbewijs van de belanghebbende, en een effectieve rechtsgang garanderen.

Het gaat om het arrest van 23 oktober 2014, C-437/13 Unitrading.

Een Brits bedrijf voerde een partij verse knoflook de EU in via Nederland, met Pakistan als opgegeven land van herkomst. Er rees echter twijfel over de juistheid van die opgave. De Nederlandse douane liet een monster van de knoflookbollen controleren door een laboratorium in de Verenigde Staten. Daar werd vastgesteld dat de knoflook vrijwel zeker uit China afkomstig was, waardoor hogere invoerrechten zouden moeten worden betaald. Het laboratorium weigerde echter openheid te geven over de precieze vergelijkingsmethode, omdat dit gevoelige informatie zou betreffen. De zaak kwam bij de Hoge Raad, waar de vraag rees of het gebruik van dit vertrouwelijk rapport als bewijsmateriaal in overeenstemming was met Europese grondrechten.

Het Handvest van de Grondrechten van de EU garandeert in artikel 47 het recht op een effectieve rechterlijke toetsing. Hieronder valt ook het recht op hoor en wederhoor, en het recht van een persoon om te weten op welke gronden een besluit tegen hem is gebaseerd. Het douanerecht van de EU is geharmoniseerd in het Communautair Douanewetboek (Verordening 2913/92). Art. 245 van het wetboek laat de uitvoering van de beroepsprocedure tegen een douanebesluit over aan lidstaten.

Het Hof begint met te concluderen dat het recht op hoor en wederhoor en het recht om kennis te nemen van een besluit niet zijn geschonden. De knoflookimporteur heeft immers kennis kunnen nemen van de gronden waarop de beslissing tegen hem is gebaseerd en van alle aan de rechter voorlegde stukken, en heeft daarover dus een standpunt kunnen innemen. In deze omstandigheden kan het vertrouwelijke rapport gewoon worden aangemerkt als een bewijsmiddel. Het Unierecht staat immers alle bewijsmiddelen toe die in soortgelijke nationale procedures mogen worden aangevoerd.

Volgens het Hof is het hierbij niet van belang dat een dergelijk cruciaal bewijsmiddel niet volledig kan worden geverifieerd door de betrokken partij of door de rechter. Immers, redeneert het Hof, de nationale rechter is niet gebonden aan de door de douane verrichte beoordeling, of door de aangedragen bewijsmiddelen. Het staat hem vrij om de relevantie ervan te beoordelen. Ook de betrokken partij kan het bewijs in twijfel trekken of met tegenbewijs komen. Het Europese Douanewetboek laat het aan de lidstaten om procesregels over bewijsmateriaal vast te leggen, zolang deze niet ongunstiger zijn dan procesregels in vergelijkbare nationale procedures.

Wel moet de nationale rechter volgens het Hof alle procedurele middelen aanwenden die hem in het nationaal recht ter beschikking staan, om te garanderen dat de procesrechten van betrokken partijen doeltreffend worden beschermd. Komt hij hierna alsnog tot de conclusie dat de opgegeven oorsprong van de knoflook onjuist is, dan is dit niet strijdig met het Handvest.

Het Hof voegt daaraan nog toe dat de vraag of de douaneautoriteiten moeten ingaan op een verzoek van de belanghebbende om onderzoeken te laten verrichten in een derde land, de vraag naar de relevantie in dit verband van het feit dat nog gedurende een beperkte tijd gedeelten van de monsters van de goederen zijn bewaard, en, zo ja, de vraag of de douaneautoriteiten de belanghebbende daarvan in kennis moeten stellen, moeten worden beantwoord op basis van de nationale procesregels.

Bron: Expertisecentrum Europees recht

Print Friendly and PDF ^

Invordering van douaneschuld & Beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging

Hof van Justitie 3 juli 2014, Kamino International Logistics BV (C‑129/13) en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV (C‑130/13) tegen de Staatssecretaris van Financiën

In beide hoofdgedingen heeft een douane-expediteur, Kamino in zaak C‑129/13 en Datema in zaak C‑130/13, in opdracht van dezelfde onderneming in 2002 en 2003 aangiften ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen, omschreven als „tuinpaviljoens / partytenten en zijwanden”. Kamino en Datema hebben deze goederen aangegeven onder post 6 601 10 00 („tuinparasols en dergelijke artikelen”) van de gecombineerde nomenclatuur en douanerechten betaald naar het bij die post behorende tarief van 4,7%.

Na een controle door de Nederlandse douaneautoriteiten heeft de belasting- inspecteur zich op het standpunt gesteld dat deze indeling onjuist was en dat de betrokken goederen moesten worden ingedeeld onder post 6 306 99 00 van de gecombineerde nomenclatuur („tenten en kampeer- artikelen”), waarop een hoger douanerecht van 12,2 % van toepassing is.

Derhalve heeft de belastinginspecteur bij besluiten van 2 en 28 april 2005 op grond van de artikelen 220, lid 1, en 221, lid 1, van het douanewetboek aan Kamino respectievelijk Datema een uitnodiging tot betaling uitgereikt tot aanvullende invordering van de méér verschuldigde douanerechten.

Verzoeksters in de hoofdgedingen zijn voorafgaand aan de uitreiking van die uitnodigingen tot betaling niet in de gelegenheid gesteld te worden ge- hoord.

Zij hebben ieder bezwaar gemaakt tegen de hen betreffende uitnodiging bij de belastinginspecteur, die het bezwaar heeft afgewezen na onderzoek van de aangevoerde argumenten.

De door verzoeksters in de hoofdgedingen tegen die beslissingen tot af- wijzing ingestelde beroepen zijn door de Rechtbank Haarlem ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de Rechtbank Haarlem met betrekking tot de verplichting voor verzoeksters in de hoofdgedingen om te voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit de betrokken uitnodigingen tot betaling.

Daarop hebben Kamino en Datema ieder cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

In zijn verwijzingsbeslissingen herinnert de Hoge Raad der Nederlanden eraan dat het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep, gelet op het arrest Sopropé van het Hof, heeft geoordeeld dat de belastinginspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging had geschon- den, aangezien hij de belanghebbenden niet in de gelegenheid had gesteld zich voorafgaand aan de uitreiking van de betrokken uitnodigingen tot betaling uit te laten over de elementen waarop de navordering van de douanerechten was gebaseerd.

De Hoge Raad der Nederlanden merkt niettemin op dat noch het douane- wetboek noch het toepasselijke nationale recht procedurele bepalingen bevat op grond waarvan de douaneautoriteiten verplicht zouden zijn om, alvorens over te gaan tot de in artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bedoelde mededeling van een douaneschuld, een persoon, de douane- schuldenaar, in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de elementen waarop de navordering is gebaseerd.

Daarom heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende, in de zaken C‑129/13 en C‑130/13 ge- lijkluidende prejudiciële vragen gesteld:

1. Leent het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging zich voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

a. moet het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging aldus worden geïnterpreteerd dat het beginsel is geschonden indien de adressaat van een voorgenomen beslissing weliswaar niet is gehoord voordat de administratie jegens hem een bezwarende maatregel nam maar in een nadien volgende bestuurlijke (bezwaar)fase, die voorafgaat aan een rechtsingang bij de nationale rechter, alsnog in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord?

b. worden de rechtsgevolgen van schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging bepaald door het nationale recht?

3. Indien het antwoord op vraag 2b ontkennend is: welke omstandigheden kan de nationale rechter bij het bepalen van de rechtsgevolgen in aanmerking nemen, en met name kan hij in aanmerking nemen of aannemelijk is geworden dat de procedure zonder de schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging een andere afloop zou hebben gehad?

Bij beschikking van de president van het Hof van 24 april 2013 zijn de zaken C‑129/13 en C‑130/13 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1. Op het beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging en het daaruit voortvloeiende recht van eenieder om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, zoals die gelden in het kader van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vast- stelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij ver- ordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, kan door particulieren rechtstreeks een beroep worden gedaan voor de nationale rechter.

2. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen. Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douane- wetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

3. De voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaar- digheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel). De nationale rechter, die verplicht is om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, kan bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Overlevering naar Frankrijk: dubbele strafbaarheid bepalingen Franse Douanewetboek

Rechtbank Amsterdam 6 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3640

In casu wordt de overlevering verzocht ten behoeve van een door de Franse justitiële autoriteiten ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit I waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit “witwassen door een criminele organisatie” heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: Witwassen van misdaadproducten.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens, bezien in samenhang met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 17 april 2014 verstrekte aanvullende informatie, is op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft “het uitvoeren van een financiële transactie tussen Frankrijk en het buitenland met gelden afkomstig van inbreuk op de wetgeving van verdovende middelen: douane witwassen” (feit II) en “het niet aangeven overdracht van geldbedragen, effecten of waardepapieren van tenminste 10000 euro, uitgevoerd naar of afkomstig van een andere Staat, zonder tussenkomst van een hiertoe bevoegde instelling om banktransacties uit te voeren” (feit III) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende in artikel 7, eerste lid, aanhef onder a, 2e OLW cumulatief gestelde eisen:

  • het feit is zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar Nederlands recht strafbaar;
  • op het feit is zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden gesteld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor feit III dient te worden geweigerd, nu op een overtreding van dit feit naar Frans recht niet een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste twaalf maanden is gesteld. Uit onderdeel e) van het EAB volgt dat deze overtreding op grond van de artikelen 464 jo. 465 van het Franse Douanewetboek slechts wordt bestraft met een geldboete.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de feiten II en III onderdeel zijn van één feitencomplex, waar de uitvaardigende justitiële autoriteit drie kwalificaties aan heeft gekoppeld. De officier van justitie heeft betoogd dat de feitelijke gedragingen naar Nederlands recht kunnen worden gekwalificeerd als “witwassen”. Subsidiair refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank de feiten II en III niet als onderdeel van één feitencomplex. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten II en III in het EAB onder E.II aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid geldt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee door de uitvaardigende justitiële autoriteit uitdrukkelijk niet is bedoeld alleen de overlevering te verzoeken voor het zogenoemde lijstfeit witwassen van misdaadproducten. De rechtbank dient derhalve te toetsen of de feiten II en III op grond van de omschrijving van de feiten onder enige Nederlandse strafbepaling te brengen zijn.

De rechtbank stelt vast dat het feit II waarvoor de overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Frankrijk als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op: Witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat de overlevering voor feit III dient te worden geweigerd nu op de overtreding van dit feit in Frankrijk als maximumstraf slechts een geldboete en geen vrijheidsbenemende straf is gesteld.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW zich niet voordoet en heeft daartoe aangevoerd dat de vervolging ziet op het aantreffen van geld in Frankrijk.

De rechtbank stelt echter vast dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 17 april 2014 verstrekte aanvullende informatie blijkt dat het aangetroffen geld door de opgeëiste persoon in Nederland aan een medeverdachte is gegeven. Gelet hierop heeft het EAB ten aanzien van de opgeëiste persoon betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. De rechtbank komt daarom in dit geval toe aan beoordeling van het subsidiaire standpunt van de officier van justitie.

Subsidiair heeft de officier van justitie de vordering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, OLW gedaan. De officier van justitie heeft overeenkomstig dit artikel gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • het onderzoek is in Frankrijk gestart;
  • het bewijs bevindt zich daar;
  • de medeverdachten zijn in Frankrijk aangehouden en
  • het geld is in Frankrijk ingevoerd en/of inbeslaggenomen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Frankrijk autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Door de raadsman is betoogd dat overlevering dient te worden geweigerd nu de feiten deels op Nederlands grondgebied zijn begaan. Gelet hierop wordt verzocht de vordering van de officier van justitie niet te volgen en de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW te weigeren.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten I en II waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

Beslissing

De rechtbank staat toe: de overlevering van opgeëiste persoon aan de Procureur de la République près du Tribunal de Grande Instance de Lille (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder E.1 en onder E.II omschreven feiten I en II waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

De rechtbank weigert: de overlevering van opgeëiste persoon voor zover het EAB betrekking heeft op het onder E.2. omschreven feit III, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Art. 48 Douanewet en art. 225 Sr. Feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist aangifte ten invoer doen, waarbij de inklaring geschiedde op basis van valse facturen met een te lage waarde.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2013, LJN BZ4901

Hoge Beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist aangifte ten invoer doen (feit 1) en feitelijke leiding geven aan het voorhanden hebben van valse geschriften (feit 3) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren. Verdachte is vrijgesproken van feit 2.

Feiten

  1. Verdachte was in de ten laste gelegde periode (1 januari 2001 t/m 1 maart 2004) als directeur verbonden aan het expeditiebedrijf (onderneming 1) te Klundert;
  2. het expeditiebedrijf droeg in opdracht van onderneming 2 te Hongkong zorg voor o.a. alle douaneformaliteiten bij de invoer van kleding in Europa. Bij de inklaring werd gebruik gemaakt van facturen die onderneming 1 kennelijk ontving van onderneming 2;
  3. uit onderzoek van de Belastingdienst/Douane Zuid in maart 2004, is gebleken dat in een aantal gevallen op de facturen, kennelijk afkomstig van onderneming 2, die door onderneming 1 voor de inklaringen werden gebruikt een lager bedrag was vermeld dan op de facturen die de afnemers van onderneming 2 ontvingen;
  4. Onderneming 1 heeft voor de inklaring gebruik gemaakt van deze kennelijk onjuiste facturen;
  5. deze valse facturen werden kennelijk ontvangen van onderneming 2 en werden opgenomen in de administratie van onderneming 1.

Geldigheid van de dagvaarding 

Namens de verdachte is betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 1 en onder 3 ten laste gelegde omdat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen die art. 261 Sv stelt. Daartoe is aangevoerd dat het OM in het eerste ten laste gelegde feit niet heeft ten laste gelegd van welke vennootschap de ten laste gelegde facturen afkomstig waren en in het derde ten laste gelegde feit niet vermeld aan welke vennootschap de facturen waren gericht.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 3 ten laste gelegde voldoet aan de in art. 261 Sv gestelde eisen. Mede bezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen. Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren.  Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Ontvankelijkheid van het OM 

Nu verdachte in de onderhavige zaak zowel ter zake van overtreding van art. 48, eerste lid, aanhef en onder a, juncto derde lid, van de Douanewet is vervolgd (feit 1) als ter zake van overtreding van art. 225, tweede lid, Sr (feit 3), ziet het hof aanleiding ambtshalve te onderzoeken of – gelet op de vervolgingsuitsluitingsgrond zoals deze ten tijde van het ten laste gelegde was vervat in art. 48, vierde lid, van de Douanewet – het OM ter zake van feit 3 ontvankelijk kan worden geacht in zijn vervolging.

Het hof stelt vast dat op grond van hetzelfde feitencomplex niet een strafvervolging kan worden ingesteld die is gebaseerd op zowel art. 48, derde lid, van de Douanewet als op art. 225 Sr, aangezien een strafvervolging op basis van de eerste wetsbepaling een strafvervolging op grond van de tweede wetsbepaling uitsluit.

Daartoe dient het hof derhalve te onderzoeken of de tenlastelegging van beide feiten op hetzelfde feitencomplex is gebaseerd.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten gebaseerd zijn op hetzelfde feitencomplex.

Het hof stelt voorts vast dat het “gebruik maken” dan wel “voorhanden hebben” van valse facturen in de zin van art. 225, tweede lid, Sr (feit 3), de facto overeenkomt met het “doen van onjuiste aangiften ten invoer, ertoe strekkende dat te weinig rechten bij invoer worden geheven”, als bedoeld en strafbaar gesteld in art. 48, eerste lid, aanhef en onder a, juncto derde lid, van de Douanewet en onder 1. is ten laste gelegd.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat ingevolge art. 48, vierde lid, van de Douanewet vervolging ter zake art. 225, tweede lid, Sr is uitgesloten.

Het hof zal daarom het OM alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 3.

Bewezenverklaring 

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: onderneming 1 op tijdstippen in de periode van 01 januari 2001 tot 01 maart 2004 te Klundert, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een onjuiste aangifte ten invoer heeft laten doen door een strafrechtelijk niet aansprakelijke derde, immers hebben die BV en haar medeverdachte telkens opzettelijk op de bij de douane ingediende en/of gedane aangifte ten invoer in strijd met de waarheid een lager factuurbedrag en/of lagere waarde dan het werkelijke factuurbedrag en/of de werkelijke waarde doen vermelden en/of doen aangeven door die strafrechtelijk niet aansprakelijke derde, zulks terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig rechten bij de invoer werden geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafoplegging

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 210 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^